nieuws

De nieuwe thriller van Lars Kepler: Spin!

0

Lars Kepler, het Zweedse thrillerduo dat eerder Spiegelman, Lazarus, Jager en nog veel meer uitbracht, maakt opnieuw de verwachtingen helemaal waar met het spannende boek Spin !

Drie jaar geleden ontving Saga Bauer een ansichtkaart met een dreigende boodschap over een pistool met negen witte kogels. Een daarvan was bedoeld voor Joona Linna, en Saga zou de enige zijn die hem kon redden. Inmiddels is er zoveel tijd verstreken dat de dreiging verbleekte tot een vreemde actie. Tot nu.

Aan een boom in Kapellskär wordt een zak gevonden met een bijna volledig vergaan lichaam, in de buurt ligt een melkwit patroon. Met complexe raadsels geeft de dader de politie de mogelijkheid om het moorden te stoppen. Joona Linna en Saga Bauer strijden zij aan zij om de puzzel op te lossen en levens te redden, maar de jacht wordt steeds gevaarlijker. Misschien is het wel onmogelijk om de moordenaar te stoppen, misschien zijn ze al gevangen in zijn web.

 

Lees hier al de eerste hoofdstukken!

 

1

Margot Silverman hoort de hoeven over de houtsnippers klepperen als haar paard over het verlichte pad galoppeert.

Het is een koude avond in augustus en de lucht is zwart.

De bomen vliegen voorbij en worden donker, verdwijnen helemaal en vangen dan het eerste licht van de volgende lantaarnpaal op.

Margot is hoofd van de Nationale Operationele Afdeling van de politie. Ze gaat een paar keer per week paardrijden op Värmdö om haar hoofd leeg te maken en tot zichzelf te komen.

Haar hartslag stijgt door het hoge tempo. Het paard raast over het smalle pad.

Delen van de periferie flitsen voorbij alsof ze in de spotlights staan: de wortels van omgevallen bomen, de met kreupelhout begroeide grenslijn door het bos en een vochtig shirt met een smiley aan een slagboom.

Ze buigt zich naar voren en voelt de wind in haar ogen en op haar lippen.

In de galop, een asymmetrische drietelgang, is de ene kant van de rug hoger dan de andere. Elke drietakt eindigt met het optillen van de rechtervoorvoet, waarna het contact met de grond verdwijnt.

De seconden waarin ze zweven veroorzaken vlinders in haar buik. Catullus is een warmbloedige Zweedse ruin met lange benen en een stevige nek. Om hem in galop te laten gaan hoeft Margot alleen haar been maar naar achteren te verplaatsen en haar heup naar voren te brengen.

Margots vlecht bonst bij elke hoefslag op haar rug.

Een ree rent over een open plek met wiegende varens. De lantaarns op het laatste stuk zijn kapot en Margot kan de grond voor zich niet meer zien. Ze sluit haar ogen, vertrouwt op het nachtzicht van Catullus en laat zich meevoeren op de perfecte, golvende beweging.

Als ze haar ogen weer opendoet, ziet ze het licht van de stal tussen de bomen door, ze mindert vaart en ze gaat over in gestrekte draf.

Het zweet staat tussen haar borsten en op haar rug, en haar dijen en liezen zijn verzuurd na een uur intervaltraining.

Ze rijdt in stap door de hekken naar binnen en stijgt af.

Het is bijna elf uur en Margots zilvergrijze Citroën is de enige auto op het parkeerterrein.

Ze leidt Catullus in het donker naar de stal. De trens rammelt en de hoeven stoten dof tegen het droge, vertrapte gras.

Door de muren klinken harde bonzen uit een van de boxen.

Catullus blijft onverwacht staan, hij tilt zijn hoofd op en schuift een stukje naar achteren.

‘Wat is er?’ vraagt Margot. Ze kijkt het donker in, naar de tractor en de brandnetels.

Het paard is bang en blaast lucht uit door zijn neusgaten. Ze aait over zijn hals en probeert hem verder te laten lopen naar de ingang van de stal, maar hij wil niet.

‘Wat is er aan de hand, kerel?’

Hij trilt en maakt dan een scherpe draai alsof hij op hol zal slaan. ‘Wo-ho,’ zegt ze om hem af te remmen.

Margot houdt hem tegen met de teugels en stuurt hem resoluut in een halve cirkel, door het hoge gras het knerpende grind op.

De drie lampen aan de gevel geven elk voorwerp drie scherpe schaduwen.

Catullus blaast en laat zijn hoofd zakken.

Margot kijkt naar de duisternis bij de gevel en huivert, ook al ziet ze niets.

Pas als ze in de verlichte stal komen, zet ze haar helm af. De punt van haar neus is rood en haar blonde vlecht ligt zwaar op de doorgestikte stof van haar jack. Haar rijbroek is vies boven de hoge laarzen.

Het ruikt sterk naar hooi en mest. De paarden staan stil in hun boxen.

Ze leidt Catullus door de stalgang naar de wasplaats, neemt het zadel af en hangt het in de verwarmde zadelkamer.

Er rinkelen stijgbeugels tegen de planken wand.

Margot zal Catullus wassen, een deken over hem heen leggen en hem voeren in de box, ze zal hem wat extra zout geven, het licht uitdoen en naar huis rijden.

Ze voelt in haar jaszak of ze de oude zilveren heupflacon van haar vader niet is kwijtgeraakt. Die zit vol met handalcohol, niet omdat dat nou zo praktisch is, maar omdat het haar geluk brengt en altijd goed is voor een grapje.

De deur naar het erf kraakt.

Margot voelt zich niet op haar gemak. Ze keert terug naar de stalgang en kijkt naar de deur.

Catullus stapt rond in de box. Er druppelt water uit de slang en een donker stroompje loopt om de zweetschraper heen naar het putje in de vloer.

Een van de paarden verderop briest. Hoeven bonken op de vloer.

De meterkast aan de muur bromt. ‘Hallo?’ zegt Margot.

Ze houdt haar adem in, blijft even stil staan kijken naar de deur en de duisternis achter het raam, waarna ze zich weer naar Catullus omdraait.

De lamp aan het plafond wordt in het zwarte, gewelfde paardenoog weerspiegeld.

Ze aarzelt even, pakt dan haar telefoon en belt naar huis. Johanna neemt niet op en de angst begint door haar maag te wervelen. Margot heeft al twee weken het idee dat ze geobserveerd wordt en ze heeft zelfs gevraagd of de dienst Intern Toezicht of de Säpo haar om de een of andere reden in de gaten houdt. Ze is helemaal niet paranoïde, maar door een aantal anonieme telefoontjes en een paar verdwenen oorhangers is ze zich gaan afvragen of zijzelf of Johanna een stalker achter zich aan heeft gekregen.

Margot doet nog een poging, de telefoon gaat over en de signalen vallen als peilloden door diep water. Net voordat ze wordt doorgeschakeld naar de voicemail knettert er iets.

‘Kletsnat en naakt,’ zegt Johanna als ze heeft opgenomen.

‘Hoe krijg ik het toch voor elkaar om altijd te bellen als je onder de douche staat?’ vraagt Margot glimlachend.

‘Wacht, ik zet de speaker aan…’

Er klinkt gerammel en dan verandert de geluidsruimte. Margot bedenkt dat Johanna zonder kleren aan in hun verlichte slaapkamer staat, goed zichtbaar vanuit de appelboomgaard.

‘Hallo?’

‘Ik droog me af,’ zegt Johanna. ‘Ben je op weg naar huis?’ ‘Ik moet de kleine man nog afspoelen.’

‘Rij voorzichtig.’

Margot hoort dat Johanna zich afdroogt terwijl ze praten. ‘Doe de gordijnen dicht en check of de deur op slot zit.’

‘Dit klinkt als Scream,’ zegt Johanna. ‘Je staat nu eigenlijk in de tuin naar me te kijken en voordat ik de deur op slot kan doen ben je al binnen.’

‘Dat is niet grappig.’ ‘Oké, baas.’

‘Ik wil helemaal geen baas meer zijn, ik ben er niet goed in. Ik deed het goed als inspecteur, al was ik iets te zelfverzekerd, maar als chef…’ ‘Hou op,’ valt Johanna haar in de rede. ‘Ik zou je best als chef willen hebben.’

‘Olala,’ lacht Margot en haar humeur klaart meteen op.

Johanna trekt het rolgordijn omlaag en het snoer rinkelt tegen de radiator.

‘Zet de sirene nu maar aan en kom naar huis,’ zegt ze op enige afstand van haar telefoon.

‘Zijn de meisjes lief naar bed gegaan?’

‘Alva vraagt zich af of je meer van je paard houdt dan van haar.’ ‘Ai,’ zegt Margot en ze lacht.

Zodra ze het gesprek hebben beëindigd, komt het gevoel van onbehagen weer terug. Het rinkelende geluid tegen de radiator gaat nog even door en dan wordt het stil. Het moet hier uit de stal zijn gekomen, denkt Margot. Zo klinkt het altijd als de emmers die in de gang hangen tegen elkaar aan schommelen.

Een van de paarden drukt met zijn flank en zijn benen tegen de muur, zodat het kraakt.

Ze draait zich om naar de deur.

Het lijkt wel of een lang iemand zich probeert te verstoppen in de schaduw naast de voerkamer.

Ze begrijpt dat het de kast met bezems, scheppen en mestschrapers moet zijn, ook al lijkt die verder naar voren te staan dan zou moeten.

De wind gaat dreunend over het zinken dak en laat de ramen aan hun haken schokken.

Ze loopt door de stalgang. De tralies voor de boxen schieten in haar ooghoek voorbij, zware paardenhoofden glanzen in het licht van de lamp aan het dak.

Ze zou graag willen dat Johanna de keukendeur controleerde; voor de kinderen is het moeilijk die goed af te sluiten. Maar ze weerhoudt zich ervan haar nog eens te bellen.

Ze zal alleen voor Catullus zorgen, naar huis rijden, een douche nemen, in haar warme bed kruipen en gaan slapen.

Het licht flikkert en wordt zwakker.

Ze blijft staan, luistert en kijkt voorbij de wasplaats naar de kleedkamer.

Alles is stil en dan klinkt er een snel tikken.

Alsof er een bal van dun zilverdraad over de vloer rolt.

Als Margot zich omdraait, verstomt het geluid meteen. Ze begrijpt niet waar het vandaan kwam.

Ze zoekt met één hand steun bij de voorkant van een box en kijkt weer naar de deur.

Van achteren komt het tikken snel dichterbij.

Catullus tilt zijn hoofd op, terwijl Margot een harde klap op haar onderrug voelt. Waarschijnlijk een trap van een paard, denkt ze nog voordat ze voorovervalt.

De wereld is in een oogwenk verdwenen. Haar hoofd bonst.

Margot ligt op haar buik, ze is met haar voorhoofd en lippen op de betonnen vloer gevallen. Ze heeft een vreemd brandend en knijpend gevoel in haar rug.

Er hangt een bittere geur in de lucht.

Net als ze beseft dat er een pistool is afgegaan, hoort ze een harde piep in haar oren. De paarden zijn bang, ze bewegen allemaal in hun box, ze bonzen tegen de wanden, stappen heen en weer en ademen stootsgewijs door hun neusgaten.

Margot begrijpt dat ze is neergeschoten. Ze bloedt hevig en haar hart slaat veel te snel.

‘Lieve God, lieve God…’

Ze bedenkt dat ze moet opstaan en naar huis rijden om tegen haar dochters te zeggen dat ze van hen het meest van alles houdt.

Er komt iemand haar kant op lopen en opeens wordt Margot bang om dood te gaan.

Er klinkt een knarsend geluid, gevolgd door gerinkel tegen de radiator.

Ze heeft geen gevoel in haar onderlichaam, maar merkt dat iemand haar aan haar benen naar de deur sleept.

Haar heupbeen schraapt over de vloer.

Margot probeert zich aan een trog met ruwvoer vast te houden, maar ze is te zwak.

Een emmer valt om en rolt een stukje. Haar jack en shirt kruipen omhoog.

Ze ademt snel en begrijpt dat de kogel haar ruggengraat heeft geraakt. Er gaat telkens een scheut van pijn door haar romp.

Het zijn net klappen met een bijl die ze maar in één richting voelt.

Margot wordt als een slachtdier weggesleurd, drijft als een bootje van boomschors op de stroom, zweeft als een zeppelin boven de akkers.

Ze krijgt wonderlijke gedachten.

Ze weet dat ze het niet mag opgeven, dat ze moet blijven vechten, maar ze is zo zwak dat ze haar hoofd niet meer omhoog kan houden.

Haar neus, mond en kin worden open geschaafd over het beton.

Het laatste wat Margot ziet voordat ze het bewustzijn verliest, is het glanzende bloedspoor dat ze achterlaat op de vloer.

 

2

Lisa staat met haar rug naar het raam en laat haar hand met het beslagen cocktailglas op de vensterbank rusten.

Het is midden in de nacht en ze bevindt zich in een bungalow in Rimbo, samen met twee mannen.

De ene is vijftig jaar, gekleed in een pak en een lichtblauw overhemd, hij heeft kort haar, grijs bij de slapen, en zijn nek lijkt stijf. Hij gooit de lege ijsblokjesvorm in de gootsteen, schenkt gin in de karaf en doet er tonic bij.

De andere man is begin twintig, breedgeschouderd en lang. Hij heeft een kaalgeschoren hoofd en ivoorwitte handpalmen en staat te roken onder de afzuigkap.

Lisa zegt iets en houdt haar hand voor haar mond als ze lacht.

De oudere man verlaat de keuken en een paar tellen later gaat de lamp in de badkamer aan. Zijn schaduw is van buitenaf vaag te zien door de dunne gordijnen.

Lisa is net negenentwintig geworden, ze draagt een plissérok en een zilvergrijze blouse die om haar borsten spant, haar donkere haar is glad geborsteld.

Ze is met een gehemeltespleet geboren en heeft een wit litteken op haar bovenlip.

De jongeman laat zijn peuk in een bierblikje vallen, loopt naar Lisa toe en laat haar iets zien op zijn telefoon. Hij slaat haar reactie glimlachend gade, zegt iets op gedempte toon en strijkt haar van haar wang.

Ze kijkt hem aan, gaat op haar tenen staan en zoent hem kort op de mond. Hij wordt ernstig, kijkt naar de gang, buigt dan naar voren en kust haar innig.

Saga Bauer observeert hen via de display van haar camera, ziet hoe de jongere man zijn hand onder Lisa’s rok steekt en haar door panty en slip heen tussen de benen streelt.

Het is stil in het kleine recreatiepark.

Een uur geleden heeft Saga de kruiwagen van de buurman gehaald, hem op de kop voor de hoge schutting gelegd en is erop geklommen. Vanaf dit punt houdt ze de grote ramen van de bungalow in de gaten die uitkijken op de tuin aan de achterkant. Het licht uit de keuken en de woonkamer bereikt de rechte stammen van de dennen en de dennenappels op het droge gras.

De oudere man komt terug en blijft in de deuropening van de keuken staan. De beide anderen stoppen met zoenen en lopen naar hem toe. Saga laat de telelens van de camera op de bovenkant van de schutting rusten om een rustig beeld te krijgen, maar het drietal heeft zich al naar de gang verplaatst.

Lisa’s man zat bij Saga in de klas op de politieacademie en was al snel bij de politie van Norrmalm terechtgekomen. Hij vermoedt dat zijn vrouw vreemdgaat als hij nachtdienst heeft, maar heeft haar daar nog niet mee geconfronteerd.

In plaats daarvan heeft hij het detectivebureau in de arm genomen waar Saga tegenwoordig werkt. Hoewel ze hem bij het intakegesprek heeft gewaarschuwd dat je de waarheid niet altijd wilt weten, besloot hij haar in te schakelen.

Nu bevindt Lisa zich samen met de beide mannen vlak voor de donkere slaapkamer. Wat ze doen, is niet te zien, maar hun schaduwen bewegen langs de deurpost en de open deur.

Saga controleert of de camera loopt.

Het scherm is zwart, totdat een van de mannen de vloerlamp bij het nachtkastje aanknipt. De drie hebben bijna al hun kleren uitgetrokken. Lisa staat met haar rug naar het raam, duwt haar slip omlaag, stapt eruit en krabt aan haar rechterbil.

Ze heeft afdrukken rond de taille van het elastiek van de panty en blauwe plekken op haar kuit.

De muren zijn honingkleurig en het grote bed heeft een sierlijk koperen hoofdeinde.

Aan de muur hangt een foto van de bokser George Foreman. Het lamplicht glinstert in het glas.

De jongere man gaat op de rand van het bed zitten en neemt met zijn lichaam het meeste lamplicht weg.

De oudere man gaat liggen en haalt een condoom uit de bovenste la van het nachtkastje. Lisa komt naar hem toe, gaat schrijlings op zijn schenen zitten en wacht totdat hij zover is.

Ze zegt iets, hij pakt een geel sierkussen van de vloer en duwt dat onder zijn achterste.

Lisa kruipt over hem heen en zoent hem op de borst en de mond. Net voordat hij in haar komt, verdwijnt haar gezicht in de schaduw.

De jongere man zit nog steeds op de rand van het bed en probeert stijf genoeg te worden om een condoom om te doen.

De snelle stoten van de geslachtsgemeenschap planten zich voort naar de staande lamp, zodat de gouden franjes van de kap ervan trillen.

Saga wacht op het moment dat Lisa’s gezicht zichtbaar wordt.

Zolang haar gezicht niet duidelijk op de film te zien is tijdens de daad, kan ze het overspel ontkennen. Ze kan berouwvol zijn omdat ze een andere man heeft gezoend en beweren dat ze het huis had verlaten op het moment dat een andere vrouw daar aankwam.

De mechanismen van de ontkenner werken altijd samen met die van de leugenaar.

In het huis achter Saga gaat het licht aan.

Lisa stopt, legt een hand op de rug van de jongeman en zegt iets. Hij reikt naar een fles olie die op het andere nachtkastje staat.

Ze zit nog schrijlings op de heupen van de oudere man en leunt naar voren als de jongere op zijn knieën achter haar komt zitten.

Lisa’s dijen trillen van de pijn als hij haar anaal penetreert. De drie zijn even helemaal stil en dan beginnen de beide mannen voorzichtig te stoten.

Het licht is nog steeds te slecht.

Saga hoort iemand aankomen over het gras achter haar, ze kijkt even over haar schouder en raadt dat het de buurman is die haar heeft ontdekt.

‘Dit is privéterrein,’ zegt hij. ‘Je kunt niet…’

‘Politiewerk,’ kapt ze hem af en ze kijkt hem aan. ‘Houd afstand.’

De man, die een witte snor en een jagersvest draagt, komt met een gestreste blik dichterbij.

‘Mag ik een legitimatie zien?’ zegt hij.

‘Straks,’ antwoordt Saga en ze kijkt weer in de camera.

Het tegenlicht gaat langs de drie op het bed en werpt een schaduw over het stoffige glas van het raam. Af en toe is het gezicht van de jongere man en profil te zien, de neus en de gespannen mond. Er glimt een nat lichaamsdeel in het schijnsel, schommelende billen, een gerimpelde nek en gespannen dijbeenspieren.

‘Ik bel de politie,’ waarschuwt de buurman.

Een van de drie stoot per ongeluk tegen het nachtkastje, waardoor de lamp omvalt en tegen de fauteuil aan blijft liggen.

Opeens wordt Lisa’s gezicht vol verlicht. Haar mond is open en haar wangen zijn rood. Ze zegt iets en sluit haar ogen; de witte borsten trillen en haar haar schommelt voor haar gezicht heen en weer.

Saga filmt nog even door, stopt dan de opname, zet het lenskapje op de camera en klimt van de kruiwagen. De buurman stapt naar achteren met zijn telefoon tegen zijn oor. Ze laat haar ongeldige dienstpas van de Säpo zien, terwijl de man contact krijgt met een centralist.

Saga steekt zijn grasveld over, klimt over het hek en volgt dan de weg naar de zwemsteiger. Haar motorfiets staat naast de afvalcontainers op het parkeerterrein.

Als ze haar camera in haar tas heeft gedaan, belt ze haar baas. Ze kijkt uit over de platte rotsen en het donkere water.

‘Met Henry Kent.’

‘Sorry dat ik zo laat nog bel,’ zegt ze. ‘Maar je wilde dat ik verslag zou uitbrengen…’

‘Ja, precies,’ valt hij haar in de rede.

‘Oké, maar nu ben ik in elk geval klaar en ik heb alles op film.’ ‘Mooi.’

Saga heeft haar blonde haar in een lange paardenstaart en ondanks de donkere kringen onder haar ogen en de diepe, verticale rimpel op haar voorhoofd is ze nog altijd ontzettend mooi.

‘Kan ik… mag ik de camera morgenvroeg op kantoor afgeven, omdat het nu al zo laat is?’

‘De camera moet meteen terug,’ antwoordt hij. ‘Het punt is alleen dat ik vroeg op moet en…’

‘Wat snap je niet?’ onderbreekt hij haar met stemverheffing.

‘Niets, maar ik…’

Ze zwijgt als ze zich realiseert dat hij heeft opgehangen. Ze zucht, stopt de telefoon in de binnenzak van haar jack, trekt de rits omhoog, zet haar helm op en stapt op haar motor. Ze rijdt het parkeerterrein af en volgt de weg tussen de recreatiewoningen door.

Na haar lange ziekteverlof wilde Saga niet terugkeren naar haar baan bij de Säpo, maar informeerde bij de noa. De personeelschef had geantwoord dat er geen vacatures waren, maar dat haar competentie uiteraard interessant voor hen was, en had beloofd het met de leiding te bespreken.

Toen bleek dat Saga, ook al voelt ze zich klaar om weer bij de politie te gaan werken, daarvoor eerst groen licht moest krijgen van de psycholoog van het Crisis- en Traumacentrum van de politie.

In afwachting daarvan werkt Saga voor Kents detectivebureau aan overspelzaken en achtergrondchecks. Naast de detectivebaan brengt ze bijna al haar vrije tijd door als coach van twee kinderen met het syndroom van Down.

Saga woont alleen, maar heeft een seksuele relatie met de anesthesist die meer dan drie jaar geleden haar halfzus onder narcose heeft gebracht in het Karolinska Ziekenhuis in Huddinge.

Het is halfvier ’s ochtends als ze voor het kantoor van het detectivebureau in de Norra Stationsgatan blijft staan, de deurcode intoetst, de lift neemt naar de derde etage, de deur opendoet en het alarm uitschakelt.

Saga kijkt routinematig naar de post in de plastic bak achter de deur en vindt een met tape omwikkeld doosje met haar naam erop. Ze neemt het mee naar haar hokje, legt het op haar bureau en gaat zitten. Nadat ze in de computer heeft ingelogd haalt ze de geheugenkaart uit de camera, duwt die in de kaartlezer, hevelt de film over naar de computer en archiveert hem.

Met een duf hoofd kijkt Saga uit het raam naar het nachtverkeer van Norrtull, naar wegen, bruggen en verlichte monden van autotunnels. Als de harddisk van de computer begint te kraken schrikt ze op uit haar verzonkenheid en staat op. Ze bergt de camera op in de kluis en keert terug naar haar werkplek.

Met ogen die prikken van slaapgebrek trekt ze de bruine tape van de doos, maakt hem open, houdt hem onder de lamp, stopt haar rechterhand erin en haalt er een prop papier uit. Een verfrommelde kindertekening met iets erin.

Ze vouwt de tekening open op haar bureau. Er komt een bundeltje van wit linnen met kant tevoorschijn.

Ze pakt een potlood en duwt de dunne stof rond een grijs voorwerp open.

Het is een tinnen figuurtje, niet meer dan twee centimeter hoog. Het licht glinstert in het grijze metaal.

Ze zet de lamp in een andere hoek en ziet dat het tinnen figuurtje een man voorstelt met een baard en een jas met smalle schouders.

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief