leesfragment

‘De tijden veranderen’ van Carmen Korn

0

1970. Henny viert haar zeventigste verjaardag. Tot Henny’s grote vreugde zijn haar kleindochter Katja, Ida’s dochter Florentine, en Ruth, de dochter van Käthe, er ook bij. Hun verhalen spelen zich deze keer af in het licht van de jaren zeventig en tachtig: een verdeeld Duitsland, de oorlog in Vietnam en de val van de Berlijnse Muur. Met dit laatste deel van de trilogie van Carmen Korn nemen we afscheid van de vier vrouwen die we sinds 1919 vergezellen.

Ontdek hieronder alvast de eerste pagina’s!

MAART 1970

Käthe nam een aanloopje en begon te springen. Aan de overkant bleef ze even staan om naar adem te happen en ze zwaaide naar Henny. Toen sprong ze weer terug en viel in de armen van haar vriendin. Henny ving haar opgelucht op. Acht sprongen. Vanaf het huis van de een naar het huis van de ander. Een spelletje uit hun kinderjaren. Indertijd hadden ze bij elkaar de keuken in kunnen kijken.

‘Ik kan het nog!’ jubelde Käthe.

Auto’s remden af. Straks hield dat gekke mens niet op met dat gespring. Voetgangers draaiden zich naar hen om, lachten verbaasd. Hoe ouder, hoe gekker.

De eerste zonnige dag in maart, een maand die tot nu toe alleen bewolkte luchten had gekend. Waren Henny en Käthe daarom zo uitgelaten op weg naar de Eilenau?

‘Nou jij!’ riep Käthe.

Henny schudde haar hoofd. Zachte blonde krullen vielen in haar gezicht; die van Käthe waren stevig en donker. In beide gevallen met dank aan de haarverf van Wella. Grijze haren lieten ze liever aan hun mannen over.

‘Ik vang jou liever op,’ zei Henny.

‘Jouw rok zit ook zo strak, het lijkt wel een knakworstvelletje.’ Käthe wapperde met de wollen jurk die onder haar halflange jas uitstak. ‘Dit spul rekt tenminste mee. Ik laat me toch zeker niet beperken door mijn kleren?’

Dat ze nog zoveel soepelheid in hun lichaam hadden, wisten ze te waarderen. Zeventig zou Henny eind van de maand worden, net zo oud als de eeuw. Käthe was dat al sinds januari. Voor hun gevoel waren ze jonger. Waar was de tijd gebleven?

‘Zullen we via de Finkenau lopen?’ vroeg Käthe. ‘Ter ere van onze voormalige werkplek?’

‘Dat zijn me te veel herinneringen op één dag.'
‘Dat zijn me te veel herinneringen op één dag. Onze oude huizen vind ik wel genoeg voor vandaag,’ zei Henny. ‘Laten we rechtstreeks doorlopen naar Lina.’

Lina, de zus van Henny’s eerste man. Na Luds vroege dood was haar schoonzus haar levenslange vriendin gebleven.

‘En Ida komt ook? Ik dacht dat die naar Parijs wilde om te kijken hoe het met haar verloren dochter gaat?’

‘Florentine komt volgende week weer naar Hamburg.’ Henny draaide zich om en keek nog een keer naar het huis waar ze haar kinder- en jeugdjaren had doorgebracht en waar ze ook weer had gewoond toen haar eigen woning in juli 1943 door bommen was verwoest. Op de tweede etage bewoog een gordijn alsof haar moeder daar stond, die inmiddels al bijna vier jaar dood was.

‘In mei wordt de Karstadt geopend,’ zei Käthe terwijl ze de Hamburger Straße in liepen. Ze keek naar het grote winkelcentrum dat daar stond. ‘Een blok beton. Mooi is anders.’

‘Begin nou alsjeblieft niet te zeuren dat alles vroeger beter was.’

‘Zoiets zou ik nooit zeggen. Maar de oude Karstadt is het waard om herdacht te worden. Weet je nog, de danskapel op het dakterras?’

Een geluksgevoel bij het zien van het huis aan het kanaal dat al zeven decennia ongedeerd aan de Eilenau stond en waar Lina en Louise de mansarde bewoonden. Rode bakstenen, wit pleisterwerk. Het raam met de drie vensters stond wijd open op deze milde dag. Konden ze daarboven Käthe horen, die inmiddels een lied had aangeheven?

‘Frühling kommt, der Sperling piept,
Duft aus Blütenkelchen.
Bin in einen Mann verliebt
und weiß nicht in welchen.’

Henny keek haar vriendin geamuseerd aan. Het broze dat Käthes stem ook na de oorlogsjaren had behouden, maakte dat het wellustig klonk.

‘Heb jij je man ooit bedrogen?’

‘Zelfs geen oogje op iemand anders gehad. Een aantrekkelijker vent dan Rudi kan ik niet krijgen.’

Ze giechelden nog toen ze boven stonden en Lina de deur voor hen openhield.

*

‘Eclairs.’ Het water liep Käthe in de mond toen ze de soezengebakjes met chocolade zag.

Ze aanschouwde de koffietafel, die voor vijf gedekt was.
Ze aanschouwde de koffietafel, die voor vijf gedekt was. Het tafellaken met ajourzoom, het goede porselein van Louises ouders, kristallen kannetjes met blauwe druifhyacinten erin en roze madeliefjes. Een etagère vol met eclairs en andere zoetigheden.

Käthe was dol op Franse patisserie. Bij hun eerste afspraakjes had Rudi haar meegenomen naar Hotel Reichshof. Hij had haar gedichten voorgelezen en getrakteerd op petitfours, en dat vlak na de Eerste Wereldoorlog. Henny’s moeder had het eten van petitfours destijds nog als een verraad aan het vaderland beschouwd.

‘Lina en ik hebben net ontdekt dat eclairs vroeger “liefdesbotten” werden genoemd,’ zei Louise.

‘Dat begrijpt tegenwoordig geen mens meer,’ zei Ida.

‘Het klinkt ook zo volstrekt onerotisch,’ vond Käthe.

‘Käthe heeft al helemaal het voorjaar in het hoofd. Daarnet op straat hief ze zomaar een lied uit Der blaue Engel aan. Konden jullie dat horen?’

Ida ging naast Käthe zitten. ‘Alsjeblieft, steek mij aan met dat frivole humeur van je.’

‘Heb je dat nodig dan?’

‘Ik verlang naar verandering. Innerlijk en uiterlijk. Tian doet zo moeilijk, er kan nog geen nieuw behangetje of een andere stoelbekleding vanaf. In de woning van onze dochter is alles hypermodern en op de een of andere manier sexy. Hoe gaat dat lied uit Der blaue Engel?’

Käthe grinnikte. ‘Henny vertelde me dat Florentine weer terugkomt.’

‘Dat werd hoog tijd. We hebben haar sinds nieuwjaar niet meer gezien,’ zei Ida.

‘Is het nog altijd aan met die vriend van haar?’ vroeg Lina.

‘Ja. Robert is heel geduldig.’

‘Hij houdt van haar,’ zei Lina.

Dat waren inderdaad twee dingen die je over Robert kon zeggen.

‘Florentine wordt volgend jaar dertig.’ Ida pakte een vruchtengebakje van de etagère. Daar zouden vast niet al te veel calorieën in zitten.

‘Ze is nog maar net negenentwintig geworden,’ zei Henny. ‘Wil je haar onder de pannen hebben? Die tijden zijn voorbij, hoor.’

‘Ze piekert er niet over om te trouwen. En kinderen wil ze ook niet. Tian en ik zouden zo graag kleinkinderen hebben.’

Een gelukkige zucht van Henny.
Een gelukkige zucht van Henny. Zij had een kleindochter en een kleinzoon; ze was de enige grootmoeder in haar vriendinnenkring.

Ida keek naar haar. ‘Jij boft maar,’ zei ze.

Henny haalde haar schouders op. Bijna schuldbewust.

*

Een warme voorjaarsdag, ook in Parijs. Florentine had haar lange, wijde winterjas uitgetrokken en over een rieten stoeltje bij Les Deux Magots gehangen. Jeans blik rustte op haar, een langdurige blik die haar kleine buikje betrof.

‘Ik kon de geruchten gewoon niet geloven. Wie is de gelukkige vader?’

‘Een man uit Hamburg. Hij heeft niets met mode te maken.’

‘Geheimpje?’

‘Ja.’ Florentine glimlachte.

Met Jean, de fotograaf uit Luxemburg, had ze tien jaar geleden voor het eerst samengewerkt, nog in het beginstadium van haar modellenleven. Misschien verklaarde dat het gevoel van vertrouwdheid dat ervoor zorgde dat ze zijn voorstel niet meteen van het tafeltje veegde waar de kelner net twee koppen café au lait op zette.

‘Laat me foto’s maken om aan Paris Match aan te bieden. Jij in een of ander supersexy strak kledingstuk. De art director zal dolenthousiast zijn. Florentine Yan met babybuik. De komende dagen heb ik hier in het quartier een studio tot mijn beschikking.’

Florentine nam de tijd om het suikerklontje uit het papiertje te wikkelen. ‘Wil je dat echt?’

‘Het gaat erom of jij het wilt. Of denk je dat je man in Hamburg dat niet ziet zitten? Zijn jullie van plan te gaan trouwen?’

‘Ik pieker er niet over om te trouwen,’ zei Florentine, en herhaalde zo in Parijs wat haar moeder net in Hamburg had gezegd. ‘Het kan me niet schelen wat hij daarvan vindt.’

‘Die geëmancipeerde vrouwen ook.’ Jean stond op. ‘Ik bel de redactie even,’ zei hij, enthousiast over het idee Florentine als aanstaande moeder te fotograferen. Hij zocht in zijn broekzak naar muntjes en verdween het café in naar de drie telefooncellen in het souterrain.

Florentine keek uit over de Boulevard Saint Germain en een moment lang joeg haar eigen durf haar angst aan. Ze wilde niet dat haar ouders uit een magazine zouden vernemen dat ze een kleinkind kregen, en ook tegenover haar twee geliefde mannen zou het niet eerlijk zijn.

Ze verkruimelde het koekje op haar schoteltje en strooide de kruimels tussen de mussen die rond het tafeltje hupten. Zou Paris Match de foto’s al snel publiceren? Nee. Tegen die tijd zat zij allang in Hamburg en had iedereen daar op de hoogte gebracht van haar zwangerschap. Al was ze niet van plan haar familie en Robert op de hoogte te brengen van het feit dat hij niet de enige was die in aanmerking kwam als vader van het kind.

Jean kwam weer terug; hij keek alsof hij de lotto had gewonnen.
Jean kwam weer terug; hij keek alsof hij de lotto had gewonnen. ‘Ze willen het voor het volgende nummer hebben. Ze zijn net twee dubbele pagina’s misgelopen over die film met Ali McGraw, Love Story.’

De dingen namen hun loop.

*

Ida was even voor elf uur weer terug aan de Johnsallee. Stilte in huis; iedereen was al naar bed, alleen bij hen brandde nog licht. Tian ging rechtop zitten toen ze de slaapkamer binnenkwam en legde zijn boek op het nachtkastje. ‘Was het leuk bij Lina?’ vroeg hij.

Ida keek haar man aan. ‘Deze middag heeft me goedgedaan,’ zei ze.

‘En ik ben blij dat hij is overgegaan in een aangename avond.’ Als Tian zo lang was weggebleven, zou Ida een scène hebben gemaakt. Hij was in dat soort dingen een stuk gemakkelijker. ‘Florentine belde. Ze verheugt zich op ons. En op Robert.’

‘Gelukkig maar. Hoe gaat het met je hoofdpijn?’

‘Die is weg. Ik heb nog een aspirientje genomen. Ik heb bedacht dat ik me weleens een beetje aan mijn vrouw zou kunnen wijden.’

‘Ik ben te moe, Tian.’

‘Kom dan tegen mijn schouder aan liggen.’

Tian keek haar na toen ze de badkamer in liep. Ida en hij waren allebei achtenzestig en ze zagen er nog goed uit. Waarom voelde hij zich dan zo stokoud?

Ida kwam in haar degelijke nachtjapon de slaapkamer weer in. Ze had ook andere. ‘Doe alsjeblieft het licht uit.’

Alleen het lampje op Tians nachtkastje was nog aan; een zandkleurig zijden kapje dat een zacht schijnsel gaf. Tian deed het licht uit. Er viel een glimpje maanlicht door hun raam naar binnen en zo kon hij zien dat Ida haar nachtjapon over haar hoofd trok en naakt midden in de kamer stond.

‘Kom,’ zei ze. ‘Trek je pyjama uit.’

Droomde hij al?
Droomde hij al? Tian stond op. Deed wat ze had gevraagd. Hij durfde bijna geen adem te halen, alsof de naakte Ida als een fata morgana zou kunnen verdwijnen.

‘Käthe heeft me echt aangestoken.’

Tian vroeg niet wat ze daarmee bedoelde. Hij kuste zijn vrouw. De herinnering aan een zomerhuisje drong zich aan hem op. Liefde op een koude dag in december. Ook zonder kachel hadden ze het heerlijk warm gekregen. Een herinnering die hem hielp zich nog een keer jong en sterk te voelen, hierboven in hun slaapkamer. Jong en sterk zoals hij toen was geweest.

*

‘Nee, geen alcohol meer, Louise.’

‘Alleen een kleine nightcap. Om lekker in slaap te vallen.’

‘Ik ben doodop,’ zei Lina.

‘Kom dan bij me op de bank zitten en hou alsjeblieft op met dat geloop door de kamer. Alles is toch al opgeruimd?’

Lina wierp haar vriendin een strenge blik toe toen die nog een whisky inschonk. Vroeger hadden haar drankjes op zijn minst nog enig vruchtaandeel gehad. ‘Toe, probeer het nog een keer met een therapeut,’ zei ze.

‘Ik denk eerder aan cosmetische chirurgie.’

‘Dat meen je niet!’

Louise plaatste haar wijsvinger tegen haar slaap en trok de huid naar haar haarinzet.

‘Zo lijk je wel wat op Suzie Wong,’ zei Lina.

‘Weg met die hangende oogleden,’ zei Louise terwijl ze ook aan haar kin en hals begon te trekken. ‘Bobo zegt dat hij cliënten heeft die er na vier tot zes kleine sneetjes weer uitzien als een jong piepkuiken.’

‘Wie is Bobo?’

‘Mijn kapper. Hij is nieuw in de salon.’

‘Je ziel heeft hulp nodig, niet je gezicht,’ zei ze.
Lina nam plaats naast de vrouw van wie ze hield en met wie ze inmiddels al tientallen jaren samenleefde. ‘Je ziel heeft hulp nodig, niet je gezicht,’ zei ze. ‘Doe me een lol en probeer het eerst met therapie.’

‘Je hoeft je geen zorgen meer om mijn ziel te maken, de depressies zijn voorbij zodra ik niet meer zo’n ouwe trien in de spiegel zie. Ach, Lina, we waren nog zo jong toen we elkaar leerden kennen.’

Lina zuchtte. Een mens was veel te vroeg jong. Dan kon je dat nog helemaal niet waarderen.

‘Ik heb het er met Ida over gehad, zij zou ook iets aan haar gezicht willen laten doen.’

‘Jullie zijn allebei gek geworden.’

‘Doe niet zo ouderwets. In Amerika doen ze dat allemaal.’

Lina stond op. ‘Daar geloof ik niks van,’ zei ze. ‘Probeer het gewoon eens met een schoonheidsslaapje.’

‘Dan zou ik honderd jaar moeten slapen.’

‘Heeft Bobo al een chirurg bij de hand?’

‘Hij heeft me een visitekaartje gegeven.’

‘Praat er eens over met Marike. Of met Theo.’

‘Die zijn allebei gynaecoloog. Ik ben toch zeker niet van plan om mijn schaamlippen te laten liften? Hoewel, dat is misschien ook geen gek idee.’

‘Je bent dronken,’ zei Lina. Ze deed het laatste van de drie ramen dicht en maakte aanstalten het licht uit te doen. ‘Vooruit, naar bed.’

‘Je hebt nog altijd iets schoolfrikkerigs,’ zei Louise. Maar ze stond op en ging naar de badkamer. Henny had een omweggetje gemaakt om Käthe thuis af te zetten. Dan was het nog maar een klein eindje naar de Körnerstraße, waar ze nu al heel wat jaren met Theo woonde.

Ze zag Rudi’s donkere silhouet achter een van de ramen op de bel-etage, waar nog licht brandde. Misschien zag hij haar voor het huis staan, misschien ook niet. Hij trok zich terug de kamer in. Misschien was hij gewoon discreet.

‘Hij heeft me beloofd negentig te worden.’
‘Denk jij er weleens over na dat Theo zou kunnen komen te overlijden?’

‘Hij heeft me beloofd negentig te worden.’

‘Ik hoop dat hem dat lukt.’ Käthe zuchtte. ‘Ik weet niet of ik zonder Rudi wil leven. Toen hij na de oorlog al die tijd niet terugkwam, dacht ik dat ik me bij zijn dood had neergelegd.’

‘Is er een reden om daar nu over na te denken?’

‘Nee,’ zei Käthe. ‘Geen ziekte. Niet dat we weten, althans. Maar de tijd gaat ineens zo snel.’

‘Je was vanmiddag in zo’n overmoedige bui.’

Käthe keek haar aan. ‘Ik hou niet meer van de nachten, Henny. Als het donker is komen de demonen, of beter gezegd: de herinneringen. De herinnering kan een vreselijk oord zijn. Dan zie ik de dood van mijn moeder in Neuengamme voor me. En ik moet aan Kurt denken. Misschien had hij de nazi’s kunnen overleven.’

‘Hij zou nooit zijn geëmigreerd.’

‘Rudi en ik hebben de concentratiekampen tenslotte ook overleefd.’

‘Jullie waren een stuk jonger dan Kurt.’

‘Hij was nog geen zesenvijftig toen hij zich van het leven beroofde.’

‘Door zelfmoord te plegen kon hij zijn waardigheid behouden. Het was belangrijk voor hem dat hij zich niet door de nazi’s zou laten vermoorden.’ Henny had het ineens koud nu het oude verdriet om hun vriend Kurt Landmann, arts aan de Finkenau, weer kwam opzetten.

‘Je hebt het koud,’ zei Käthe.

‘Jij niet?’

‘Jawel. Dank je wel dat je met me mee bent gelopen.’ Käthe boog zich naar Henny toe en gaf haar een kus op de wang. ‘Vroeger was ik altijd degene die onverschrokken was,’ zei ze.

‘Laten we nog lang in leven blijven.’
‘Dat ben je nog altijd als je voor auto’s langs springt.’

‘Ik ben niet voor auto’s langs gesprongen.’

‘Acht sprongen. Ik ben trots op je.’

‘Laten we nog lang in leven blijven,’ zei Käthe.

‘Absoluut. Om met Kurt te spreken.’

Käthe keek haar vriendin na, die er nu snel vandoor ging. Ondanks haar strakke rok.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief