leesfragment

‘De trouwe lezer’ van Max Seeck

0

De vrouw van bestsellerauteur Roger Koponen wordt dood aangetroffen in haar huis. Rechercheur Jessica Niemi onderzoekt de zaak en algauw blijkt dat Maria Koponen niet het enige slachtoffer is. Het lijkt erop dat de dader de moorden exact kopieert uit de thrillertrilogie van Koponen.
Als gebeurtenissen uit haar eigen verleden aan het licht komen, blijkt dat Jessica zelf ook niet veilig is. Kan ze een halt toeroepen aan de moorden?

Lees hier de eerste drie hoofdstukken van De trouwe lezer van Max Seeck. Maar wees voorzichtig met wat je leest. Het kan je je leven kosten…

1

De wind is sterker geworden en loeit onrustig rond de hoeken van het grote vrijstaande huis van glas en gepleisterd beton. Het gekraak op de overgang van de muur naar het plafond wordt gaandeweg luider, en het gedempte knallen doet denken aan een knetterend kampvuur. Uit het feit dat de sneeuwduinen op de patio in rap tempo verdwijnen, blijkt hoe hard het waait. Maria Koponen knoopt de ceintuur van haar vest strak vast en staart door de grote ramen van de woonkamer in de duisternis. Ze kijkt naar de bevroren zee – die in dit jaargetijde verbazingwekkend veel op een uitgestrekte akker lijkt – en vervolgens naar het pad naar de bootsteiger, dat door kniehoge tuinlampen wordt verlicht.

Maria begraaft haar tenen in het hoogpolige tapijt dat bijna de hele vloer bedekt. Het is warm en knus in huis. Toch is ze rusteloos, en ook de kleinste manco’s vindt ze buitengewoon irritant. Zoals die onmogelijk dure tuinlampen die weigeren naar behoren te functioneren. Pas wanneer ze merkt dat de muziek is gestopt, schrikt Maria op uit haar gedachten. Ze loopt langs de open haard naar de gigantische boekenkast, waar de bijna vierhonderd grammofoonplaten van haar echtgenoot in vijf keurige rijen bijeenstaan.

Maria heeft in de loop der jaren geleerd dat muziek in dit huishouden niet op een smartphone wordt afgespeeld. Vinyl geeft echt een stukken betere sound. Dat heeft Roger jaren geleden al gezegd, toen Maria voor het eerst naar de verzameling bleef staan kijken. Destijds waren er driehonderd lp’s. Bijna honderd minder dan nu. Het feit dat het aantal platen tijdens hun samenzijn relatief weinig is gestegen, herinnert haar eraan dat Roger in de jaren vóór haar ook al een leven had. Zonder haar. Zelf is Maria met slechts één man samen geweest voordat ze Roger leerde kennen; de verkering die op de middelbare school begon, leidde tot een huwelijk op jonge leeftijd en eindigde door de ontmoeting met de beroemde auteur. Anders dan Roger heeft Maria nooit kans gezien van het vrijgezellenbestaan te proeven. Soms wilde ze dat ze dat ook had mogen ervaren: het onbestemde rondhangen, het vinden van jezelf, de losse relaties. De vrijheid. Het stoort Maria totaal niet dat Roger zestien jaar ouder is dan zij. Wat aan haar knaagt, is de gedachte dat ze op een dag rusteloosheid zal ervaren, een rusteloosheid die alleen bedaart als je je maar vaak genoeg op het onbekende stort. En Roger heeft dat in zijn vroegere leven kunnen doen. Nu ineens, op deze stormachtige avond in februari, terwijl ze in haar eentje door hun grote huis aan de kust slentert, beschouwt Maria dat gegeven voor het eerst als een bedreiging. Als een onevenwichtigheid waardoor het schip te sterk kan overhellen, mocht hun relatie ooit in het oog van een echte storm belanden.

Maria tilt de naald van de platenspeler op, neemt Blonde on Blonde van Bob Dylan tussen haar vingers en steekt de plaat voorzichtig in de kartonnen hoes, waarop de jonge artiest zelfverzekerd en nors in de camera kijkt, gehuld in een bruine suède jas en een zwart-wit geruite sjaal. Ze zet de plaat terug in de kast en pakt op goed geluk een andere, uit het achterste deel van de alfabetisch gerangschikte collectie. Even later klinkt na een kort geruis de honingachtige, zachtaardige stem van Stevie Wonder.

En dan ziet Maria het opnieuw.
En dan ziet Maria het opnieuw. Ditmaal vanuit een ooghoek. De tuinlamp die het dichtst bij de waterlijn staat, dooft even uit. En springt dan weer aan.

Net zoals kort daarvoor verduistert hij maar een seconde. Maria weet dat de tl-buizen in de lampen voor de kerst zijn vervangen. Dat weet ze nog goed, omdat ze zelf de smakeloos hoge rekening van de elektricien heeft betaald. En dat is precies de reden dat deze triviale kwestie haar boos maakt.

Ze grijpt haar telefoon en schrijft Roger een berichtje. Ze weet niet waarom ze haar man hiermee wil lastigvallen, vooral omdat ze weet dat hij net bezig is een voordracht te houden. Misschien komt het door een kortstondige vlaag van eenzaamheid, die zich vermengt met een vleugje onzekerheid en ongegronde jaloezie. Ze staart even naar het bericht dat ze heeft verstuurd en wacht tot de vinkjes eronder blauw kleuren, maar dat gebeurt niet. Roger heeft zijn telefoon niet aanstaan.

Dan blijft de plaat hangen. What I’m about to. What I’m about to. What I’m… Wonders stem klinkt aarzelend, alsof een deel van de zin uit de mooie boodschap van het lied is weggesneden. Sommige van Rogers platen zijn er al zo slecht aan toe dat het eigenlijk niet meer de moeite waard is ze te bewaren. Functioneert er dan helemaal niets in dit klotehuis? Er gaat een golf van kou door Maria heen. En voordat ze precies beseft wat ze denkt, ziet ze achter de glazen deuren iets wat daar niet thuishoort. Heel even mengen de contouren van de figuur zich met haar spiegelbeeld in het glas, maar dan verroert de figuur zich en wordt hij zijn eigen individuele entiteit.

2

Roger Koponen neemt plaats op een stoel waarvan het zitvlak met een ruwe, broeierige stof is bekleed en knijpt zijn ogen tot spleetjes. De spotjes in het hoge plafond van het grootste auditorium in het conferentiegebouw schijnen recht op de gezichten van de kunstenaars op het podium. Heel even ziet hij alleen het felle licht, en hij vergeet dat hij en zijn twee collega-schrijvers tegenover een stuk of vierhonderd nieuwsgierige lezers zitten, die zich in het auditorium hebben samengepakt om te horen wat hun favoriete alcoholisten over hun nieuwste werken te vertellen hebben. Roger begrijpt dat het evenement belangrijk is voor zijn bekendheid, en die van zijn boek. Hij begrijpt waarom hij de moeite neemt in een dichte sneeuwstorm vierhonderd kilometer te rijden en in een of ander krot bij een marktplein te overnachten. Dat krot lijkt op het eerste gezicht echter wel redelijk schoon en heeft op de begane grond een onbeduidende, kleine eetzaal, opgeleukt met tafelkleedjes en tafelbediening.

Wat Roger niet begrijpt, is waarom de inwoners van Savonlinna de moeite nemen op een avond als deze hierheen te komen. Hoewel er wereldwijd tientallen miljoenen boeken van hem zijn verkocht, zal hij nooit een door gillende fans omsingeld idool worden. Maar weinig mensen staan erbij stil dat musici en schrijvers min of meer hetzelfde werk doen – dezelfde shit in een andere verpakking – maar alleen eerstgenoemden krijgen vrouwen van middelbare leeftijd zover dat ze hun slipje op het podium gooien. En toch zijn de mensen gekomen. Het merendeel betreft bejaarden die traag met hun hoofd wiegen. Hebben ze hun buik nog niet vol van de sportjournaalachtige banaliteiten en oppervlakkige analyses die schrijvers over hun eigen werk spuien? Blijkbaar niet, want de zaal lijkt tot op de laatste stoel gevuld te zijn.

De psychologische thriller die vorig jaar in het voorjaar is verschenen, is het derde deel van Rogers trilogie Heksenjacht, die ongelofelijk succesvol is. Zijn boeken werden altijd al redelijk goed verkocht, maar de Heksenjacht-serie heeft de bank doen springen. Niemand had het megasucces ervan zien aankomen, zijn agent – die destijds haar bedenkingen had bij het hele onderwerp – nog wel het minst, laat staan zijn vorige uitgeverij, waar Roger nog vóór de verschijning van het eerste deel is vertrokken vanwege een gebrek aan vertrouwen. De vertaalrechten zijn in een paar jaar tijd aan bijna dertig landen verkocht, en er zitten er nog meer aan te komen. Maria en hij konden voorheen al goed rondkomen, maar nu kunnen ze alles kopen wat ze maar willen. Ineens liggen alle mogelijke luxes en geneugten binnen hun bereik.

Roger kwijt zich geroutineerd van zijn optreden.
Roger kwijt zich geroutineerd van zijn optreden, hij heeft de vragen al honderden keren eerder gehoord en ze in vier verschillende talen beantwoord; wel wijzigt hij steeds zijn spreeksnelheid, zijn intonatie en kleine details, om zichzelf wakker te houden in de nevel van felle lichten en lachsalvo’s.

‘Uw boeken zijn vrij gewelddadig,’ zegt een stem. Roger houdt zijn blik op de karaf met water gericht, waarmee hij nu voor de derde of vierde keer zijn glas bijvult. Dit hoort hij vaak, en natuurlijk is het ook zo; brute moorden, sadistische martelingen, seksueel geweld jegens vrouwen, nachtmerrieachtige sprongen in de diepten van een zieke geest… het wordt in de boeken van Roger Koponen uiterst nauwkeurig beschreven.

‘Het doet denken aan Bret Easton Ellis. Die heeft ooit gezegd dat hij zijn angsten de baas wordt door gedetailleerd over geweld te schrijven,’ gaat dezelfde stem verder. Nu richt Roger zijn blik op een man halverwege de zaal, die de microfoon vasthoudt. Hij zet het glas aan zijn lippen en wacht tot de man zijn vraag stelt. Maar er volgt een ongemakkelijk lange pauze voordat de vragensteller zijn gedachten heeft geformuleerd.

‘Bent u bang? Is dat de reden dat u schrijft?’ vraagt hij uiteindelijk met gedempte, monotone stem. Roger zet het glas op tafel en kijkt naar de magere, kalende man. Verrassend en boeiend. Brutaal bijna. Deze vraag is hem nog nooit eerder gesteld.

‘Ben ik bang?’ zegt Roger terwijl hij zijn mond naar de flexibele microfoon op de tafel beweegt. Om een of andere reden voelt hij uitgerekend nu een hongerkramp in zijn maag.

‘Hebt u uw eigen angsten in uw boeken verwerkt?’ vraagt de man terwijl hij de microfoon op zijn schoot laat zakken. Hij praat op een irritant zelfverzekerde manier. Een manier die totaal verstoken is van de gespannen voorkomendheid, de godvrezendheid bijna, ten aanzien van roem, waar Roger inmiddels aan gewend is.

‘Juist,’ zegt hij terwijl hij nadenkend glimlacht. Heel even vergeet hij de vragensteller en laat hij zijn blik over de zee van gezichten glijden. ‘Ik ben van mening dat de auteur altijd iets van zichzelf aan het papier hecht. Het kan immers niet anders of je schrijft over dingen waar je iets van weet, of denkt te weten. Angsten, verlangens, trauma’s, dingen die je niet hebt gedaan of juist te lichtzinnig hebt gedaan…’

‘U geeft geen antwoord op de vraag.’ De magere man heeft de microfoon weer naar zijn mond gebracht. Roger voelt eerst een scheut van verbazing en vervolgens van ergernis in zijn binnenste. Wat is dit goddomme voor kruisverhoor? Dit soort shit hoeft hij zich toch zeker niet te laten welgevallen?

‘Zou u uw vraag kunnen toelichten?’ Pave Koskinen, de door de wol geverfde literatuurcriticus die het optreden heeft georganiseerd en modereert, mengt zich in het gesprek. Hij ging er duidelijk van uit dat hij zich stijlvol van zijn taak had gekweten, zonder zichzelf te sparen, en is nu waarschijnlijk bang dat zijn gast, een razend populaire thrillerauteur met drie internationale bestsellers op zijn naam, aanstoot neemt aan de situatie. Maar Roger tilt verzoenend zijn hand op en glimlacht zelfverzekerd. ‘Mijn excuses. Misschien heb ik de vraag daadwerkelijk verkeerd begrepen. Of ik schrijf over datgene wat ik het meeste vrees?’

‘Nee, omgekeerd,’ zegt de man buitengewoon grimmig. Op de voorste rij hoest iemand vreselijk luid.

‘Omgekeerd?’ vraagt Roger, en hij verstopt zijn verbazing achter een dommige glimlach.

‘Bent u bang voor datgene wat u schrijft?’
‘Inderdaad, meneer Roger Koponen,’ gaat de man mechanisch verder, en de manier waarop hij Rogers naam zegt is niet alleen sarcastisch maar ook tamelijk ijzingwekkend. ‘Bent u bang voor datgene wat u schrijft?’

‘Waarom zou ik bang zijn voor mijn eigen fictie?’

‘Omdat de werkelijkheid vreemder is dan fictie,’ zegt de man met het magere gezicht, waarna hij weer gaat zitten. Een nerveuze stilte verspreidt zich over de zaal.

.

Tien minuten later gaat Roger aan een lange tafel met een wit tafelkleed zitten, in de foyer, die gevuld is met mensen en geroezemoes. De eerste in de rij van wachtenden die op een handtekening hopen, is natuurlijk Pave Koskinen.

‘Bedankt, Roger. Bedankt. En mijn excuses voor die ene held in het publiek. Dat heb je echt heel netjes opgelost. Niet iedereen is jammer genoeg met sociale vaardigheden gezegend.’

‘Geen punt, Pave. Vreemde vogels heb je altijd. In deze wereld is iedereen alleen voor zijn eigen gedrag verantwoordelijk,’ zegt Roger glimlachend, en hij ziet dat Koskinen alle drie de delen van de trilogie voor hem heeft neergelegd om te laten signeren. Terwijl hij behalve zijn handtekening ook iets geveinsd persoonlijks voor in de boeken krabbelt, werpt hij een blik op de kronkelende rij mensen, en hij stelt vast dat de magere gluiperd nergens te zien is. Gelukkig maar. Hij weet niet zeker of hij oog in oog met de man de provocatie net zo diplomatiek zou kunnen negeren.

‘Dank je wel, Roger. Dank je wel. Er is om negen uur een tafel voor ons gereserveerd in het restaurant van het hotel. Ze hebben daar een werkelijk uitmuntende gebraden lamsbout.’

Koskinen glimlacht en blijft voor hem staan, de boeken tegen zijn borstkas gedrukt als een uitsloverig schoolmeisje. Roger knikt langzaam en richt zijn blik op de tafel, als een beklaagde over wie de rechter net het vonnis heeft uitgesproken. Het zou niet moeilijk moeten zijn voor Koskinen om te zien dat Roger zich liever op zijn kamer zou terugtrekken. Hij haat het inmiddels om loos te babbelen en dwangmatig aan een glas rode wijn te nippen, dingen die waarschijnlijk nauwelijks van invloed zijn op de verkoop van zijn boeken. Hij zou net zo goed kunnen weigeren en zich als een asociale klootzak kunnen laten bestempelen.

‘Klinkt goed,’ zegt hij even later vermoeid, en hij weet bijna geloofwaardig te grijnzen. Koskinen knikt tevreden en onthult zijn tanden, die er met hun nieuwe facings redelijk wit uitzien. Hij lijkt even te twijfelen. Dan zet hij een stap opzij en maakt plaats voor de kronkelende duizendpoot van mensen met boeken in hun handen.

3

Brigadier Jessica Niemi bindt haar schouderlange zwarte haren samen tot een paardenstaart en trekt leren handschoenen aan. De auto laat een helder pling horen wanneer ze de deur aan de passagierskant opent terwijl de motor nog draait.

‘Bedankt voor de lift,’ zegt ze tegen de man achter het stuur.

‘Dit was goddomme hartstikke fout.’
‘Waarschijnlijk is het beter als niemand weet van wie je een lift hebt gekregen,’ zegt hij, en hij gaapt. Heel even kijken ze elkaar aan alsof ze allebei verwachten een zoen te krijgen. Maar geen van tweeen neemt het initiatief.

‘Dit was goddomme hartstikke fout.’

Jessica stapt uit en knijpt haar ogen tot spleetjes; een ijzige wind veegt over haar gezicht. Er is veel sneeuw gevallen en de sneeuwschuivers die in de buurt van de school bezig waren, hebben de kust nog niet bereikt. Jessica duwt het portier dicht en ziet een groot, modern vrijstaand huis voor zich, een smalle voortuin, een thuja die tot op ooghoogte komt en een smeedijzeren hek. Op de straat voor het huis staan twee politiebusjes, en aan het geluid van een sirene in de verte te horen zijn er nog meer onderweg.

‘Een goede morgen.’ Een man in een dikke blauwe overall komt achter een bestelwagen vandaan en loopt naar Jessica. ‘Agent Koivuaho.’

‘Jessica Niemi,’ antwoordt ze terwijl ze haar insigne laat zien. Maar haar geüniformeerde collega’s hebben haar al herkend. Iedereen kent de aap, maar de aap kent niemand. Ze heeft in het voorbijgaan ook een paar bijnamen opgepikt. Commissaris Kouwe Kikker. Lara Croft. PILF.

‘Wat is er gebeurd?’ vraagt ze.

‘Godsamme…’ Koivuaho zet zijn donkerblauwe muts af en wrijft over zijn kale kruin. Jessica wacht geduldig tot hij zichzelf heeft vermand. Ze werpt een blik op de voordeur en ziet nu dat die half openstaat.

‘Om kwart over tien kregen we een melding. Taskinen en ik reden in de buurt rond en waren de eerste wagen ter plaatse,’ zegt Koivuaho terwijl hij Jessica gebaart mee te komen; ze lopen door het hek de voortuin in.

‘Hoe luidde de melding van de centrale?’ vraagt Jessica terwijl ze de agenten die bij de auto staan met een ingetogen hoofdknikje begroet.

‘We kregen te horen dat iemand van plan was zelfmoord te plegen. In dit huis,’ zegt Koivuaho wanneer ze op de veranda staan. Op de stenen vloer in de hal heeft zich een plas gesmolten sneeuw gevormd. De wind neemt heel even af en de man gaat verder: ‘De deur stond open, dus we zijn naar binnen gegaan.’

In het licht van de felle lamp onder het afdak ziet Jessica nu hoe bang de potige man oogt. Ze buigt en strekt haar pijnlijke vingers en vormt zich in gedachten een beeld van de situatie, op grond van het weinige dat haar telefonisch is meegedeeld.

‘Er is dus niemand anders in huis?’ vraagt ze, hoewel ze weet dat het antwoord ontkennend zal zijn. Koivuaho schudt met een ernstig gezicht zijn hoofd en trekt de muts weer over zijn oren.

‘We hebben beide verdiepingen geïnspecteerd. Ik moet bekennen dat m’n hart nog nooit zo hard gebonkt heeft. En dan die vreselijke muziek die uit de luidsprekers kwam.’

‘Muziek?’

‘Die paste op een of andere manier niet bij de situatie… Te rustig.’

‘Waar is het lijk?’ vraagt Jessica terwijl Koivuaho haar een basispakket beschermende kledij geeft: handschoenen, een mondkapje en schoenhoesjes. Ze buigt zich voorover en trekt de blauwe beschermhoesjes over haar zwarte gympen. De pistoolholster glijdt een stukje naar de grond.

‘We hebben geprobeerd niks te verstoren,’ zegt Koivuaho, en hij hoest in zijn vuist. Jessica veegt een nat plukje haar van haar voorhoofd en zet koers naar grote ramen die uitzicht bieden op zee. Ze komt langs het toilet en de keuken en belandt dan in een ruime woonkamer met wanden die geheel van glas zijn. De zwaailichten die in de gigantische ruiten weerspiegelen laten de meubels blauw oplichten in het ritme van een kloppend hart. De ruimte doet veel te veel aan een aquarium denken om knus te kunnen zijn, maar als ze de figuur aan het hoofd van de eettafel ziet zitten, is Jessica ineens klaar met haar oordeel over de esthetische dimensies van de kamer. Ze blijft even staan en probeert te bevatten waarom de vrouw, die bijna statig op haar stoel zit, zo onnatuurlijk oogt. Dan zet ze een paar stappen dichterbij, en ze voelt hoe haar maag samenkrimpt.

‘Heb je ooit zoiets griezeligs gezien?’
‘Heb je ooit zoiets griezeligs gezien?’ vraagt Koivuaho ergens achter haar, maar Jessica hoort hem niet. De mond van de dode vrouw is in een bijna hysterische grijns vertrokken. Zelfs haar ogen lachen. Haar gelaatsuitdrukking is volledig in strijd met het gegeven dat ze kort daarvoor het leven heeft verloren. Ze draagt een feestelijke zwarte jurk, waarvan de aanblik wordt gedomineerd door een diep decolleté. De handen rusten gevouwen op tafel. De tafel is leeg. Geen telefoon, geen wapen. Niets.

‘Ik heb haar pols gevoeld. Verder heb ik niets aangeraakt,’ zegt Koivuaho, en ditmaal draait Jessica zich om en kijkt ze hem aan. Dan loopt ze voorzichtig door tot ze naast de vrouw staat, en ze buigt zich voorover om het gezicht met de onnatuurlijke grijns te onderzoeken.

‘Wat is er goddomme…’ mompelt ze zo zachtjes dat alleen de vrouw het zou kunnen horen, als ze nog zou leven. Met een snelle blik stelt ze vast dat de blote benen onder de stoel zijn vastgebonden en dat de hooggehakte matzwarte Jimmy Choos keurig naast de stoel zijn neergezet. Zowel de vingernagels als de teennagels zijn glanzend zwart gelakt.

‘Koivuaho?’ zegt ze terwijl ze haar blik weer op het dwangmatig euforische gezicht richt.

‘Ja?’

‘Jullie hadden het bij de melding meteen over moord. Al ziet dit er natuurlijk ook niet uit als een typische zelfmoord.’

‘Godsamme,’ zegt hij slikkend terwijl hij een paar stappen in de richting van de tafel zet. Het zweet vloeit over zijn hobbelige slaap, stroomt tot achter zijn oor en belandt uiteindelijk tussen zijn brede nek en de kraag van zijn overall. Hij lijkt de blik van het levenloze wezen te ontwijken terwijl hij onzeker verdergaat: ‘Hebben ze jou niet verteld dat dat telefoontje aan de alarmcentrale…

‘Nou?’ vraagt Jessica ongeduldig wanneer hij even pauzeert.

‘Deze vrouw heeft dat telefoontje niet zelf gepleegd,’ zegt Koivuaho, en ditmaal neemt hij een paar seconden de tijd om zijn kurkdroge lippen met zijn tong te bevochtigen. Jessica weet hoe hij de zin gaat afmaken, maar desondanks huivert ze wanneer ze het hoort.

‘Er werd gebeld door een man.

Auteursfoto (c) Marek Sabogal

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief