leesfragment

‘Dodenmasker’ van Katrine Engberg

0

Op een prachtige lentedag in april verdwijnt de Oscar – kind uit een rijke familie – spoorloos. Het lijkt er steeds meer op dat de tiener is ontvoerd. De enige concrete aanwijzing die rechercheurs Jeppe Kørner en Anette Werner hebben, is een cryptisch citaat uit een roman, dat lijkt te verwijzen naar zelfmoord. Dan wordt er een lichaam gevonden bij een vuilverbrandingsinstallatie. Het slachtoffer is gedood op dezelfde avond dat Oscar verdween. Maar waar ís Oscar?

Lees hier de eerste hoofdstukken van Dodenmasker, de nieuwste thriller in de de Bureau Kopenhagen-reeks van Katrine Engberg.

Maandag 15 april
Proloog

Nadat Michael een weekend in bed had doorgebracht, werd hij maandagochtend wakker met het gevoel dat hij glasscherven in zijn keel had. Hij trok het dekbed over zijn hoofd, dat zwaar voelde door de koorts, en had net besloten om ziek thuis te blijven toen zijn vrouw met over elkaar geslagen ar[1]men bij het voeteneind van het bed ging staan en hem aankeek met dé blik. Ze had gelijk. Hij werkte nog maar net als kraanmachinist bij de energiecentrale en kon het zich niet permitteren om een slechte indruk te maken.

Met een combinatie van paracetamol en zwarte koffie in zijn maag reed hij naar Refshaleøen terwijl de autoradio zachtjes hits en reclame uitzond, en hij begon zich langzamerhand iets beter te voelen. Hij parkeerde zijn auto, knikte naar de bewakers achter de receptie en nam de lift naar de personeelsruimte om zich om te kleden. Dat was strikt genomen niet nodig, omdat de onderdruk in de ommantelde afvalsilo de installatie eromheen vrijwel reukloos maakte, maar Michael trok toch altijd een overall aan. Hij strikte de veters van zijn veiligheidsschoenen, zette zijn helm op en liep met pijnlijke knieën, een gevolg van de griep, door de centrale.

De gangen rond de silo waren een wereld van staal en kleppen, bedieningspanelen, ketels en borden. Er waren geen ramen, de energiecentrale vormde een gesloten systeem zonder weersomstandigheden of dag- en nachtritme. Michael dook met een vertrouwde beweging onder de warmwaterleidingen door, begroette twee collega’s bij de stoomturbines en liep de ruimte voor de kraanmachinisten in. Hij legde zijn lunchpakket in de koelkast en zette koffie, waarna hij zich met een diepe zucht op de werkstoel liet vallen. Voor hem openbaarde zich een aanblik waaraan hij nog steeds niet helemaal gewend was.

Een raam – het enige van de afvalsilo – bood uitzicht op het hart van de energiecentrale: de keerzijde van de westerse beschaving die bestond uit een enorme berg vieze, overbodige troep. Michael had niet eerder met afval gewerkt en in het begin had hij zich niet op zijn gemak gevoeld tijdens zijn diensten. Het voelde alsof hij getuige van de Apocalyps was en iets zou moeten doen in plaats van er alleen naar kijken. Na verloop van tijd was het beter gegaan. Hij at tegenwoordig zelfs van de koekjes die zijn collega’s hadden laten liggen terwijl hij de grijper bestuurde.

De grijper! Met zijn acht meter van poot tot poot leek het iets uit een dystopie waarin gigantische spinnen over een dode planeet heersten. Michael had na verloop van tijd veel foto’s van de grijper gemaakt om te laten zien aan zijn zesjarige zoon, die het werk van zijn vader fantastisch vond.

In werkelijkheid was het werk van zijn vader een beetje saai.
In werkelijkheid was het werk van zijn vader een beetje saai. Het systeem, dat de grijper bestuurde vanaf de sluizen waar de vuilniswagens werden geleegd en het afval naar de ovens werd getransporteerd, was geautomatiseerd. Michael hoefde alleen toezicht te houden op de eindeloze verplaatsing van het vuilnis van links naar rechts, om ervoor te zorgen dat er niets misging.

‘Goedemorgen.’ Kasper Skytte kwam binnen en ging op de stoel naast hem zitten. Zo nu en dan informeerden de procesingenieurs de kraanmachinisten dat er een probleem met het besturingssysteem was. Michael had daar nu niets van gemerkt.

‘Zijn er problemen?’

‘Nee.’

Michael wist dat de ingenieurs zelden wilden praten met de kraanmachinisten of anderen die hun technische geklets niet begrepen. Wat hij prettig vond, want hij wilde in alle rust kunnen werken. En nu al helemaal; hij voelde zich warm en koortsig en had zijn vrouw misschien toch moeten trotseren en in bed moeten blijven.

‘Koffie?’ vroeg Kasper.

‘Nee, dank je.’

De ingenieur stond op en rammelde achter hem met kopjes en de koffiepot. Hij gaapte hartgrondig en liet zich zwaar op de stoel vallen, waarna ze naast elkaar naar de silo keken. Michael trok zijn tas naar zich toe en zocht iets om zijn pijnlijke keel mee te verzachten. Hij vond een doordrukverpakking Strepsils en stopte er dankbaar een in zijn mond. De grijper naderde het raam met een lading. Het was altijd indrukwekkend als die heel dichtbij was. Het vuilnis stroomde uit de enorme vangarmen, die op de tentakels van een kwal leken. Een touw, een dekzeil, een sportschoen.

Michael boog zich naar het glas toe en kneep zijn ogen tot spleetjes. De schoen zat ergens aan vast. Toen de grijper zich recht achter het raam bevond, viel er een slap bungelende arm uit het vuilnis. Op hetzelfde moment sproeide Kasper koffie op het raam.

Michael gaf een klap op de dodemansknop.

Zaterdag 13 april
Twee dagen eerder

1

De zee sloot zich boven zijn hoofd en hij zakte naar de bodem, weg van het licht boven hem. Zeewierslierten liefkoosden zijn armen en nodigden hem uit om dieper te gaan. Het was verleidelijk om zich net als Jacques Mayol te laten gaan. Een laatste keer uitademen en afdalen, het lichaam laten ontbinden en veranderen in deeltjes die in de loodrechte zonnestralen van de zee dansten.

Maar Snekkersten Havn was allesbehalve onmetelijk blauw.
Maar Snekkersten Havn was allesbehalve onmetelijk blauw. Hij zette zich af van de bodem en strekte zijn armen naar het licht. De volgende seconde brak hij door het wateroppervlak en ademde in.

‘Ik begon al te denken dat je nooit meer boven water zou komen.’

Jeppe Kørner schudde het water uit zijn oren en keek met samengeknepen ogen naar de gedaante op de zwemsteiger. Boven het wateroppervlak was de wereld warm en licht. Hij zwom naar de trap, zocht met zijn voeten naar de onderste, gladde trede en keek nog één keer naar beneden. De koele diepte van de zee wekte altijd een verlangen in hem. Doodsdrift misschien.

‘Ik snap niet dat je zo lang in het water kunt blijven. Ik heb het na tien seconden ijskoud.’ Johannes Ledmark huiverde in zijn badjas en hield Jeppe een handdoek voor. ‘Laten we naar de sauna gaan om op te warmen voordat het seniorenteam verschijnt. Ik kan het niet verdragen om al hun spataderen te zien.’ Hij knipoogde alsof hij de scherpte van zijn opmerking wilde verzachten en zette koers naar de sauna.

Jeppe droogde zich af en stak zijn voeten in de enigszins te kleine badslippers die Johannes voor hem had gevonden.

Johannes mocht de benedenverdieping van het oude huis van rode bakstenen aan de Snekkersten Strandvej gedurende de zomer lenen terwijl hij een nieuwe plek om te wonen zocht. Zijn poging om zijn huwelijk, dat twaalf jaar had geduurd, te redden was definitief mislukt en hun gezamenlijke appartement in Vesterbro stond te koop. Acteur Johannes Ledmark verstopte zich voor de nieuwsgierige blikken van het publiek en likte zijn wonden in het oude vissersdorp ten noorden van Kopenhagen. Het huis was lek en vervallen, en de tuin was verwilderd, maar Johannes leek het naar zijn zin te hebben in de tijdelijke chaos met uitzicht over de Øresund. Hij was de tuin zelfs te lijf gegaan met een heggenschaar en een snoeischaar en hield hardnekkig vol dat het een meditatief effect had om gras te maaien en het onkruid op het terras te wieden.

‘Ha, ik geloof dat we geluk hebben. De sauna is leeg.’

Johannes hield de deur van het kleine, zwartgeschilderde huisje op de pier open voor Jeppe en ging op de houten bank van de sauna zitten. Hij liet de droge warmte van de kachel door het hout opstijgen om hun afgekoelde lichamen weer tot leven te wekken. Het vroege voorjaar was ongewoon zonnig en mooi, maar de lucht was nog koud en de zeetemperatuur was niet meer dan acht graden.

Johannes lachte. ‘Kijk ons nu eens, we zijn volwassen koudwaterzwemmers met een sauna. Nu nog een broodje en een uitstapje naar het Louisiana Museum en dan zijn we in onze ouders veranderd.’

‘Ik heb wel trek in een broodje.’ Jeppe kneep het zeewater uit zijn haar, zodat de koude druppels niet meer op zijn rug vielen. ‘En we zijn allang in onze ouders veranderd. Jij hebt dat alleen nog niet gemerkt, omdat de jongens die je versiert maar half zo oud zijn als jij.’

Ze kreunden en lachten.
‘Stop daarmee!’ Johannes sloeg met een opgerolde handdoek op Jeppes arm, die reageerde met een stomp tegen Johannes’ schouder. Ze kreunden en lachten.

‘Bovendien houden mijn jonge minnaars de ouderdom buiten de deur. Ik ben nog nooit mooier dan nu geweest.’ Johannes glimlachte laconiek. ‘Jeugdig en alleen eenzaam op zondag. Hoe zit het trouwens met jou? Jij hebt tenslotte bijna een vrouw en kinderen. Hoe gaat dat?’

Jeppe keek naar zijn zanderige voeten, waarop het zweet parelde. In Sara had hij inderdaad een zogenaamd totaalpakket gevonden waarvan hij zich niet had kunnen voorstellen dat hij dat ooit zou hebben, maar hij balanceerde regelmatig op het randje van de afgrond tussen liefde en irritatie.

‘We wonen nog niet samen. Het is niet zo eenvoudig als er kinderen bij betrokken zijn.’

Johannes hield zijn hoofd schuin en droogde zijn oren af. ‘Aan de andere kant is het een manier om kinderen te krijgen. Dat heb je tenslotte altijd graag gewild.’

Jeppe haalde zijn schouders op. Hij had samen met zijn ex-vrouw drie mislukte ivf-behandelingen achter de rug voordat ze uit elkaar gingen en ze een kind met iemand anders kreeg. Sindsdien had hij het idee om vader te worden min of meer losgelaten. ‘Als je zelf geen kinderen hebt, kan het nogal overweldigend zijn,’ bekende hij.

Johannes keek met een sceptische blik naar hem. ‘Heel eerlijk, kun je leren om van de kinderen van iemand anders te houden?’

Jeppe zag de elfjarige Amina voor zich, die het gezin – en de meesten van het trappenhuis – vanochtend met Koreaanse pop op festivalvolume had gewekt en een hysterische aanval had gekregen toen de muziek zachter werd gezet. ‘Het zijn twee geweldige meisjes.’

‘Dat beschouw ik als een nee,’ zei Johannes lachend. ‘Ik vermoedde het al. Maar ik begrijp je, de meeste kinderen zijn net zo onverdraaglijk als hun ouders.’

‘Ho, dat is niet wat ik zeg,’ protesteerde Jeppe. ‘Ik hou veel van Sara’s kinderen, maar we moeten elkaar leren kennen. Ze moeten voldoende tijd krijgen om aan de nieuwe vriend van hun moeder te wennen…’ Hij zweeg en voelde de warmte over zijn rug naar boven golven en zijn wangen raken, die rood waren en glansden. ‘Trouwens, moeten we in plaats daarvan niet over je scheiding praten? Hoe gaat het met de boedelverdeling? Staan jullie advocaten op goede voet met elkaar?’

Johannes wapperde met zijn handen als een witte vlag in de wind.
Johannes wapperde met zijn handen als een witte vlag in de wind. ‘Oké, jij wint. Laten we gaan ontbijten. Ik heb broodjes gekocht.’

Jeppe stond op. Een zweetdruppel viel van zijn kin op de vloer. ‘Eerst gaan we nog een keer het water in. Een snelle duik.’

‘Nee! Ik ga dood als ik nog een keer in die ijskoude zee moet.’

‘Een beetje dood kan geen kwaad. Ga mee, oude vriend.’ Jeppe trok Johannes de sauna uit en duwde hem over de pier in de richting van de zwemsteiger. Hij verlangde alweer naar de kou en de duisternis onder het wateroppervlak. Hij hing zijn badjas aan de balustrade en liep naar de trap, toen hij zijn telefoon in zijn zak hoorde overgaan. Hij liep terug om op het display te kijken. Het was PC. Hij kreeg kippenvel door de koude wind.

*

Het natte zand gaf mee onder haar voeten, zodat elk contact tussen de rubberzolen en het strand van Greve in een pad van voetafdrukken werd vereeuwigd. Anette Werner liet haar honden vooruit rennen en genoot ervan haar lichaam te voelen werken terwijl haar longen zuurstof inademden. De zee was een blauwgrijze strook, de wind rook naar zeewier en vermengde zich met de scherpe geur van de zandbrem. De ochtendzon stond al hoog aan de horizon. Anette hapte naar adem en verbaasde zich erover dat datgene waardoor we ons gelukkig en levendig voelen over het algemeen ook pijn doet. Zoals nu ze bijvoorbeeld moeder was geworden. Moeder van haar dochtertje Gudrun zijn was veruit het moeilijkste en af en toe ook het saaiste wat ze ooit had meegemaakt. Toch hield ze zoveel van haar dochtertje dat ze haar al miste op het moment dat ze ’s ochtends op de crèche afscheid van haar nam.

De honden blaften in de verte bij de waterkant en ze sprintte zo snel naar de drie enthousiaste bordercollies toe dat ze bloed in haar mond proefde toen ze bij ze was. De honden duwden elkaar grommend weg, sprongen beurtelings op en gingen plat op het zand liggen. Anette haalde ze vastberaden uit elkaar en boog zich over hun vondst.

In het grove zand lag een vogel. Ze herkende hem aan de scherpe zwart-witte tekening, de groene nek en de zwart-oranje borst. Het was een mannetjeseidereend. Hij lag als een baby op zijn rug met zijn kop opzij. Het verenkleed was grotendeels intact en het leek alsof hij sliep, maar tussen de gele poten, op de plek waar de maag had moeten zijn, zat alleen een bloederig gat. De vogel was dood. Misschien was hij voor de zomer vanaf Saltholm onderweg naar het zuiden geweest en was hij achtergelaten door de vlucht.

De zon scheen op de glanzende veren en Anette weerstond de impuls om het mooie dier te aaien. Het was tenslotte maar een dode vogel, niet veel anders dan de kip die Svend de vorige dag voor het avondeten had gemaakt.

Het was tenslotte maar een dode vogel.
Ze riep de honden en ze volgden haar gehoorzaam naar de auto terug, onrustig omdat ze de vogel moesten achterlaten, maar te goed opgevoed om haar te trotseren. Op het parkeerterrein droogde ze hun poten af, waarna ze zoals altijd achter in de auto sprongen. Ogenschijnlijk waren ze hun vondst al vergeten, maar zodra Anette de motor startte begonnen ze te piepen en ze jankten de hele weg naar huis alsof ze iets van zichzelf op het strand hadden achtergelaten.

Voor de vrijstaande woning aan Holmeås 14 stond Svend met Gudrun in zijn armen op haar te wachten. Anette zag vanuit de verte al dat haar dochter vocht om op de grond te komen, zodat ze de wereld kon ontdekken. Ze was altijd ongeduldig en was alleen rustig als ze sliep. Precies haar moeder, dacht Anette trots. Zodra de auto stilstond zette Svend het kleine meisje neer en liet haar wankelend tussen de struiken weglopen zonder dat ze achter zich keek. Haar luierkontje schommelde heen en weer en ze spreidde haar korte armpjes als de evenwichtsstok van een koorddanser.

Anette liet de honden uit de auto en gaf haar man een kus. Ze legde haar hand in zijn nek en maakte de kus langer dan de bedoeling was geweest.

‘Je bent helemaal bezweet.’ Hij maakte zich los uit haar omarming, streelde haar wang en dreef de honden naar de voordeur. ‘Maar lekker.’

Svend knipoogde naar haar en terwijl ze haar hardloopkleding voor de spiegel uittrok bedacht ze dat hij voor de eerste keer in hun vijfentwintig jaar lange relatie gelijk had. Haar moeder had altijd gezegd dat ze stevige botten had, misschien om Anette het onaangename feit dat ze dik was te besparen. Ze was het dikste en langste meisje in de klas geweest, met de breedste schouders en de krachtigste dijbenen, degene die alle atletiekdisciplines won en als eerste werd gekozen als ze gingen voetballen. Anette had haar omvang nooit als een probleem gezien en Svend had haar ook nooit laten merken dat hij haar niet perfect vond, ongeacht hoe mollig ze af en toe was geweest.

Nu zag ze echter een nieuw lichaam als ze in de spiegel keek. De overbodige kilo’s waren weggesmolten door de borstvoeding en het moederschap, met als resultaat dat ze op haar zesenveertigste beter in vorm was dan ooit. Ze had nog steeds vlees op haar botten, maar was steviger en krachtiger. En mooier. Het verbaasde haar hoe fijn dat voelde. Terwijl ze zich onder de douche inzeepte streelde ze haar huid en voelde zich acuut gelukkig toen ze haar strakke buik aanraakte. Ze droogde zich voor de grote spiegel af en kleedde zich half met haar rug ernaartoe aan, zodat ze haar kont kon bewonderen. Als je je lichaam je hele leven als een stuk gereedschap en niet voor de sier had beschouwd, was het bedwelmend om je mooi te voelen.

‘Je telefoon gaat!’
‘Je telefoon gaat!’ riep Svend vanuit de keuken.

Anette trok haar broek haastig omhoog en rende naar beneden. Gudrun zat op haar kinderstoel bij de kleine eettafel en gooide vruchtenyoghurt naar haar vader, die het bombardement glimlachend in ontvangst nam. Hij had altijd een rustig karakter gehad, maar nu hij vader was, was zijn geduld net zo rekbaar als een brok kauwgom in de zon geworden. Anette liep terwijl ze haar broek dichtdeed naar de keukentafel om haar telefoon te pakken, die naast Svends versgebakken zuurdesembroodjes lag.

‘Met Werner.’ Ze merkte dat het haar was gelukt om in een klodder yoghurt te stappen en vloekte in zichzelf.

‘Het spijt me dat ik je weekend moet verstoren, maar we hebben een zaak, een mogelijke zaak in elk geval. Ik heb met Kørner gepraat.’

Anettes zaterdagstemming begon af te zakken in de richting van haar met bosbessen besmeurde tenen. De politiecommissaris, die hoewel ze Irene Dam heette nooit anders dan PC werd genoemd, was bijzonder professioneel en zou het niet in haar hoofd halen om op een zaterdag te bellen als de mogelijke zaak niet buitengewoon waarschijnlijk was. het geplande gezinsuitje verdwijnen. ‘Wat is er gebeurd?’

‘We hebben een verdwenen jonge man, of liever gezegd een jongen, van vijftien jaar. Oscar Dreyer-Hoff. Hij is voor het laatst gezien toen hij gistermiddag om kwart voor drie uit school kwam. Zijn ouders dachten dat hij bij een klasgenootje sliep, maar dat bleek niet zo te zijn. Dat ontdekten ze pas toen hij vanochtend niet thuiskwam, zoals afgesproken was.’

‘Waarom worden wíj erbij betrokken?’ Anette keek om zich heen op zoek naar iets om haar voet mee schoon te vegen. ‘Vijftienjarigen verdwijnen relatief vaak een etmaal of twee, bijvoorbeeld om naar een feest te gaan waarvoor hun ouders geen toestemming gegeven hebben. Als wij erbij betrokken worden, moeten er verdachte omstandigheden zijn.’

‘Er is een brief voor het gezin achtergelaten.’

Anette kreeg oogcontact met Svend. Ze hadden dit al zo vaak meegemaakt dat hij meteen wist wat het betekende. Ze zouden zonder mama naar het bos gaan. Hij haalde zijn schouders op en glimlachte bemoedigend naar haar, waarna hij zijn hoofd achter de krant verstopte en plotseling tevoorschijn kwam, waardoor Gudrun in lachen uitbarstte.

‘Is hij ontvoerd?’
‘Is hij ontvoerd?’

PC zuchtte. ‘Dat weten we niet met zekerheid, maar het gezin is… Zullen we het prominent noemen? Ze zijn de eigenaars van veilinghuis Nordhjem en zijn eerder bedreigd. We hebben ze al een aantal jaren op de radar.’

Het gelach van haar dochtertje vulde de keuken.

‘Ik ben onderweg.’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief