leesfragment

‘Een lang weekend’ van Laure Van Rensburg

0

Ellie is een bescheiden en zeer intelligente studente aan New York University. Steven is een knappe en gerespecteerde docent op een elitaire school in Manhattan. In zijn omgeving wordt met jaloezie naar de relatie met zijn jongere vriendin Ellie gekeken.
Wanneer het stel voor het eerst samen een weekend weg gaat, kunnen ze beiden niet wachten om elkaar beter te leren kennen. Maar als ze tijdens een sneeuwstorm vast komen te zitten in het afgelegen huis, slaat de sfeer om en wordt duidelijk dat zowel Ellie als Steven grote geheimen met zich meedraagt – en dat een van hen het weekend niet zal overleven…

Lees hier de eerste drie hoofdstukken van Een lang weekend, het thrillerdebuut van Laure Van Rensburg.


Het huis zal hun vertellen wat er is gebeurd. Alles hier vertelt een verhaal. De waarheid is bevrijdend, zeggen ze.

Ze vergissen zich.

Het begint met de stille hartslag van de blauwe zwaailichten die door de ramen golven, waarna de buitenwereld de ruimte binnendringt met doffe ploffen en voetstappen. Kou schiet naar binnen door de open voordeur en stroomt de trap op. Het huis siddert en komt tot leven.

Er klinken nu her en der stemmen, die de stilte verder versplinteren. Geleidelijk aan stijgen er een paar woorden boven het pandemonium aan geluiden uit – slachtoffer, reageert niet, jezus christus. Ze komen van een politieagent met een Burt Reynolds-snor. Op zijn glimmende insigne staat HULPSHERRIF WILCOX – in koper gegraveerde zwarte letters, waarvan de O bijna is versleten tot nog een C. Zijn ogen staan vol vragen terwijl hij probeert te begrijpen wat hier is gebeurd. Hij ruikt naar koffie, het schuim hangt aan de haartjes van zijn snor. Gele tanden die nodig moeten worden gepolijst gluren tussen zijn gesprongen lippen door. Met een hand om zijn kin neemt hij een tafereel in zich op dat zelden in dit rustige deel van het land is vertoond. Een gecrashte auto, misschien, een enkele keer een ongeluk bij het houthakken. Maar dit? Dit is iets wat dieren elkaar aandoen – en diep in het bos, niet in een chique villa. Wat hier is gebeurd, veroorzaakt rode vlekken op het tapijt en de muren, en het stinkt. Hij sluit zijn ogen, maar de beelden blijven achter zijn oogleden hangen. Ze volgen hem terwijl hij de trap afloopt. Het huis ontvouwt zich als een griezelverhaal.

Op de derde trede ligt een weggegooid hartje aan een gebroken ketting. Een cadeau aan een meisje dat niet meer bestaat. Een van Wilcox’ collega’s raapt het op en stopt het in een plastic zakje waar het romantische symbool een aanwijzing wordt voor de gruwelijke dingen die zich hier hebben afgespeeld. Eenmaal dichtgeritst voegt het zakje zich bij andere, de meeste vol met verscheurde kleren, zo lijkt het. In een ervan zitten de scherven van een mok. Op de eerste verdieping stommelen meer agenten rond, stellen meer ogen vragen, meer chaos. Een explosie van cameraflitsen; de statische ruis van politieradio’s; het ploppen van latexhandschoenen; een penetrante geur die hier beneden erger wordt en hulpsheriff Wilcox dwingt om door zijn mond te ademen. De stank van de dood en het lichaamsvocht sijpelt door de lucht. Bloed trekt strepen op de deurposten en muren; in de keuken is het aanrecht ermee besmeurd – raadsels bevlekken stucwerk en hout, geschreven in worpen en spetters die nog moeten worden ontcijferd. In de woonkamer ligt een rolstoel op zijn kant als een gewond dier, terwijl in de haard de geblakerde resten van een tas liggen te smeulen.

Alles hier vertelt een verhaal.

Hulpsheriff Wilcox laat de rotzooi achter zich en schuifelt naar de gapende mond van de voordeur.

Buiten prikt de scherpe beet van koude lucht. Zonlicht kleurt de horizon bleekgeel en oranje, plaveit de weg voor een nieuwe dag. Geen ondoordringbaar wolkendek meer; het blauw zegeviert in de hemel, waar zeemeeuwen schreeuwen naar de indringers die de rust en vrede van de kust komen verstoren.

De sneeuw voor het huis is besprenkeld met een bloedspoor; aan het eind ervan graaft een gehandschoende hand een mes op uit zijn ijskoude graf. In de verte staan de dubbele deuren van de garage wijd open en inspecteert een andere agent gehurkt de diepe sneden in de platte voorband. Niemand kwam weg.

Tussen de scheef geparkeerde patrouillewagens staat een ambulance te wachten. Achter zijn plompe vorm en zwaailichten is het bos niet langer een dreigende aanwezigheid; bomen hebben zich losgemaakt van de duisternis. Bij daglicht is alles anders. Maar ook al glanst de sneeuw nu in schoonheid, eronder is de grond nog steeds dood.

Twee verpleegkundigen springen uit de achterkant van de ambulance. De lucht daarbinnen is gekruid met de sterke geur van ammoniak. Het matras op de brancard is dun en kraakt bij elke beweging.

‘Waarheen, jongens?’ vraagt de hulpsheriff.

‘Mercy General Hospital,’ antwoordt de verpleegkundige met blond haar in een lage paardenstaart. Hij lijkt te jong om verantwoordelijk te zijn voor andermans leven.

Nadat de portieren van de ambulance met een klap zijn dichtgeslagen, blijft er één woord in de lucht hangen, bijtend als zwavel van een ontstoken lucifer, een woord dat hier niet thuishoort.

Mercy.

Dag 1

Het kan vanbinnen spoken, ook als je geen kamer bent,
Ook als je geen huis bent;
Het brein heeft gangen voorbij
het tastbare terrein.

Emily Dickinson

1 Ellie

Als ik niet oppas, val ik nog. Hard. Gelijkmatig ademend schuifel ik over een trottoir dat bedekt is met een laag ijs, waar elke stap mijn relatie met de zwaartekracht tart. De grote weekendtas in mijn hand en de zware draagtas aan mijn schouder dreigen me uit balans te trekken. Genoeg ingepakt voor drie dagen. Maar eerst moeten we de stad uit zien te komen.

Het is slechts een meter naar de auto, maar één stapje is al genoeg – mijn rechtervoet ontsnapt aan mijn controle, glijdt opzij. Steven grijpt me bij mijn arm en breekt mijn val voor ik, een en al gêne, op het trottoir beland. Mijn heup doet nog pijn van mijn val van een paar dagen geleden. Gelukkig was hij er toen niet bij. Mijn lichaam breeduit in de sneeuw nadat ik uit de metro was gerend en op de bovenste trede uitgleed, de inhoud van mijn tas vloog over het ijs. Ik op handen en voeten graaiend naar mijn spulletjes, een extra obstakel voor gehaaste forenzen met een veel beter evenwicht dan ik.

‘Pas op, je wilt toch niet dat ons tripje al voorbij is voor het is begonnen,’ grapt hij en hij werpt me een van zijn charmantste glimlachjes toe.

Ik heb hem nodig als steun. Pas als mijn evenwicht geheel is hersteld, bevrijdt hij me van de tas in mijn hand en gooit hem in de open kofferbak van de Lexus. Hij draagt keurige schoenen, maar glijdt niet één keer uit.

‘Sorry.’

Bij die verontschuldiging wordt mijn wang donkerrood en haastig prop ik mijn lichaam in de auto voor ik mezelf nog verder verneder. Ik plof neer op de passagiersstoel in een pak wol – lagen trui, jas, handschoenen, een lange donkerblauwe sjaal die rond mijn nek gewonden zit en een slobberige beanie op mijn hoofd. Stevens jas glijdt door een abrupt schouderophalen over zijn armen omlaag. Hij vouwt hem op voor hij hem op de achterbank legt en neemt dan in één soepele beweging plaats achter het stuur. Aan de andere kant van de versnellingsbak zit ik te wurmen op mijn stoel om me uit mijn kleren te bevrijden.

Mijn jas heeft me in de houdgreep als de lucht begint te trillen door het lage gebrom van de telefoon op het dashboard. Nog voor ik op het scherm kan kijken heeft hij de telefoon al in zijn hand. Hij glimlacht om wat hij leest en fronst dan.

‘Is alles oké?’ vraag ik, maar hij hoort me niet, al zijn aandacht is op de telefoon gericht. ‘Is alles in orde?’ vraag ik nog eens.

‘Ja, sorry, alles is oké, het is het werk maar.’

De manier waarop hij kijkt verontrust me. ‘Moet je erheen?’ Eén woord van hem en alles kan in duigen vallen. Dat is eerder gebeurd. Nog maar een paar weken geleden kwam zijn bericht dat een streep door ons etentje bij Nessia zette slechts een paar uur voor we hadden afgesproken. Het idee dat ons jubileumtripje zo kort van tevoren afgezegd kan worden kruipt onder mijn huid en ontlokt me een rilling. Ik vecht tegen de machteloze paniek en tegen de veiligheidsgordel, die van geen wijken weet. Hoe harder ik trek, des te minder hij beweegt. Het zal toch niet waar zijn. Zijn gezicht verraadt niets over wat hij zal besluiten.

‘Wat het ook mag zijn, ze kunnen best zonder mij. Ik ben de komende drie dagen helemaal van jou,’ zegt hij, zijn ogen strak op de mijne gericht. En ik geloof hem.

Ik zink weg in mijn stoel en eindelijk lukt het me de veiligheidsgordel vast te klikken, klaar voor ons eerste weekendje weg. Hij laat het werk achter zich en stopt zijn telefoon in de sleuf naast de handrem. Het wegebbende licht van het scherm knippert en dan bedenk ik ineens dat ik Connor niet heb teruggebeld. Zijn naam lichtte op op mijn mobieltje toen ik aan het inpakken was en mijn stilzwijgende belofte om hem terug te bellen zodra ik klaar was, ging verloren in het eindeloze heen-en-weergeloop tussen de badkamer en de slaapkamer.

Nu is het te laat.

De auto trekt geruisloos op vanaf de stoeprand, banden bijten in het zand waarmee de straat is bestrooid. Terwijl we het middagverkeer in rollen, schieten Stevens ogen naar de achteruitkijkspiegel, maar ze schieten niet meteen terug naar de weg voor hem. Zijn blik is blijven hangen aan iets wat hem niet wil loslaten en de rimpel op zijn voorhoofd dieper maakt. Ik wring me in bochten in mijn stoel, maar het enige wat ik door het beslagen achterraam zie – terwijl we de bocht omgaan – is een veeg van een fuchsiaroze jas en een dikke bos blonde krullen.

‘Het eerste reisje van 2015,’ zegt Steven voor ik de vraag kan stellen die zich achter in mijn keel begint te vormen.

‘Eerste reisje samen.’

‘Eerste viering van een halfjaar samen.’

We kruipen bumper aan bumper Manhattan uit onder een oranjegeverfd wolkendek, een onmiskenbaar teken dat het zo meteen weer gaat sneeuwen. De vlokken stapelen zich nu al dagenlang op, ze verbergen stoepen en straten en zorgen voor een toename in het aantal gebroken ledematen en lichte hersenschuddingen. De weersomstandigheden zijn onvermijdelijk: de voorspellingen voor Chesapeake Bay zijn hetzelfde.

Het verkeer wordt beter zodra we Newark in de achteruitkijkspiegel hebben. Steven weet waar we heen gaan, maar de gps voorziet hem van aanwijzingen voor hoe hij daar moet komen. Ik ontspan me op de passagiersstoel, stel me ons op onze bestemming voor, in mijn gedachten ontrolt het weekend zich perfect.

Met nog ruim een uur te gaan geeft het benzinemetertje aan dat we nog pakweg een kwart tank hebben en Steven neemt de eerstvolgende afslag naar een benzinestation.

‘Wil je een zakje Hershey’s Kisses voor me meenemen?’ vraag ik terwijl ik het tanken aan hem overlaat.

Intussen haal ik de sleutel van het toilet bij de pompbediende – een jong meisje met kobaltkleurig haar en een verveelde blik in haar ogen, gekleed in een polyester uniform. De grond is nat door modderige sneeuw; ik loop langs de muur naar de achterkant van het gebouw.

De tintelende januarilucht bijt in het blote stukje huid boven de sjaal die rond mijn nek gewikkeld zit. Ik begraaf mijn neus er dieper in, adem door het zachte kasjmier heen. Een cadeau van Steven. Ik wil er niet eens aan denken wat hij heeft gekost, maar Steven weet dat ik een hekel heb aan kou. Ik ben er niet voor gebouwd. Toch heb ik liever kou dan vochtigheid. Kou kruipt alleen onder de lagen van je kleren; vochtigheid nestelt zich stiekem onder je huid en blijft daar zitten. Ik ril.

De lucht in het raamloze kamertje is verzuurd door de scherpe geur van urine en goedkoop bleekmiddel. Ademend door mijn mond zweef ik boven de pot en probeer zo snel mogelijk te plassen zonder acht te slaan op de gratis literatuur van diepzinnige oneliners en bedenkelijke kunst die op de muur gekrabbeld is.

Slechts honderdvijftig kilometer scheiden ons nog van onze eindbestemming en dan: alleen wij twee, drie dagen lang. Drie dagen. Tweeënzeventig uur, 4.320 minuten wij twee zonder aan elkaar te kunnen ontsnappen. Ik hoop dat ik dit niet verpruts. Naar het schijnt ken je iemand pas echt als je er samen tussenuit bent geweest. Waar las ik dat ook alweer? Wat zal ik dit weekend leren over Steven wat ik nog niet wist? Ik haal mijn schouders op en veeg me af voor ik besluit niet mijn handen te wassen in een wasbak waarin zich nieuwe levensvormen lijken te ontwikkelen.

Adem diep in. Buiten is de lucht zwaar van de benzinedampen. Ik loop terug naar de winkel en zie nog net de medewerkster blozen door wat Steven tegen haar heeft gezegd. Ze friemelt aan het leger armbanden dat rond haar pols kronkelt en kijkt omlaag terwijl ze glimlachend antwoord geeft. Door hun gesprek blijf ik als aan de grond genageld bij de deur staan, onder de lagen van mijn sjaal maakt de stoom van mijn adem mijn gezicht nat. Verstard zie ik zijn lippen bewegen, stel me voor welke woorden er over hun drempel gaan. Het kunstlicht vangt het zilver in het haar bij zijn slaap, wat een gloed aan zijn vorstelijke profiel geeft.

‘Sorry.’

Het woord rukt me uit mijn trance en ik stap opzij zodat een vrouw van middelbare leeftijd met een buitenmodel bril en een vriendelijk gezicht de deur kan opendoen. Ik volg haar naar binnen; de wc-sleutel weegt zwaar in mijn hand.

Binnen is het tafereel veranderd; Steven grist zijn zwarte creditcard en bonnetje van de toonbank terwijl de caissière mij een professionele glimlach toewerpt. Wanneer ze klaar zijn, geef ik haar de sleutel. Steven slaat zijn arm om mijn middel en ik nestel me in zijn omhelzing.

‘Ze hadden geen Hershey’s Kisses, maar ik heb een zakje Reese’s Peanut Butter Cups voor je gekocht,’ zegt Steven terwijl we naar buiten gaan en het meisje met het blauwe haar achterlaten.

‘Dank je.’ Reese’s zijn zijn favoriet, niet de mijne; ik word misselijk van de overvloed aan pindakaas. Voor ik nog iets kan zeggen, geeft hij mij het reçu van zijn creditcard.

De auto piept open, een uitnodiging om de kou te ontvluchten. Er beginnen weer vlokken te vallen, die hun weg vinden in de opening tussen mijn sjaal en mijn huid – speldenprikjes kou die een rilling in mijn schouders veroorzaken.

Aan de andere kant van de auto laat Steven zijn nek kraken.

‘Ik kan het laatste stuk wel rijden,’ bied ik aan terwijl ik kleine vouwen maak in het bonnetje van het meisje met het blauwe haar.

‘Nee, het gaat prima.’

‘Zeker weten? Het is een lange rit, ik vind het niet erg.’

‘Het is oké. Ik wil niet dat je je moet inspannen met al die sneeuw op de weg.’

‘Ik ben een goede chauffeur, weet je.’

‘Natuurlijk. Ontspan je nu maar, dan zijn we er voor je het weet,’ zegt hij en hij schuift op de bestuurdersstoel.

*

Terug op de snelweg is de lucht zwaar van de groeiende realiteit van dit weekend. Terwijl de warmte uit de luchtroosters naar binnen blaast, kijk ik naar Stevens profiel dat afwisselend wordt verlicht door de kunstmatige gloed van de snelwegverlichting en passerende auto’s. Schaduw en licht trekken als vluchtige gedachten over zijn gezicht.

Mijn ogen schieten steeds heen en weer tussen de constellatie van remlichten voor ons en zijn gezicht, maar blijven dan rusten op hem – de lijnen van zijn rechte neus, hoge voorhoofd, de welving van zijn onderlip. Een zwerm gevoelens welt op in mijn borst, zo hevig dat ze de auto in dreigen te stromen. Mijn nagels drukken in het vlezige stukje tussen mijn duim en wijsvinger tot de pijn al het andere overschaduwt. Niet te geloven dat we zes maanden hebben gehaald – er stond de laatste tijd zoveel in de weg – maar dat alles hebben we in de stad gelaten en alles wat overblijft, zijn wij. Alleen wij twee.

We gaan de grens tussen twee staten over en het ronkende ritme van de snelweg drukt zwaar op mijn oogleden. Ik draai de stoelleuning wat verder naar achteren en rol me uit, nestel me eens goed in de stoel voor de rest van de rit naar Chesapeake Bay. Mijn voeten vechten met mijn draagtas op de vloer om de benodigde ruimte.

‘Waarom gooi je hem niet op de achterbank?’

‘Nee, het is goed zo.’ Ik buk me en duw de tas tegen de onderkant van mijn stoel zodat ik eindelijk mijn benen kan strekken in de voetenruimte.

‘Dat ding ziet er altijd uit alsof het elk moment kan ontploffen.’ Zijn lach schalt binnen de besloten ruimte van de auto. Ik rits de tas open en stop er het ongeopende zakje Reese’s Cups in.

‘Wat heb je erin zitten?’ vraagt hij met een zijdelingse blik op de tas, waarop ik nog dieper buk en hem weer dichtrits. ‘Verstop je een cadeautje voor me?’

‘Nee.’ Ik wil beslist niet dat hij ziet wat ik voor hem heb, althans, nu nog niet. ‘Gewoon, het bekende werk. Portemonnee, toiletspulletjes, boeken, dingen. Je weet wel.’

‘Boeken? Heb je je huiswerk meegenomen op ons tripje?’

‘Ja. Nee. Alleen research, geen huiswerk. Ik moet een essay over Dostojevski schrijven. Misschien kan ik wat lezen.’

Zijn ogen verlaten de strook asfalt die door de koplampen wordt uitgegraven en kijken me aan voor ze terugglijden naar de weg.

‘Werk je daar nog steeds aan? Welke is het? De idioot?’

‘Nee, Duivels.’

Hij lacht weer. ‘Geweldig. Je wilt me dus vertellen dat je een stel Russische rokkenjagers en moordenaars hebt meegebracht op ons weekendje weg.’

‘Nou, professor, je kon wel wat concurrentie voor mijn aandacht gebruiken, dacht ik zo. Bovendien kun je me altijd helpen met “trots en schuld in Duivels” als we om gespreksonderwerpen verlegen zitten.’

‘Hopelijk hou ik je zo goed bezig dat we niet over Dostojevski hoeven te praten,’ zegt hij en zijn hand verlaat het stuur om mijn wang te strelen.

‘We zullen zien,’ antwoord ik.

Met zijn hand in mijn nek trekt hij me naar zich toe voor een snelle kus.

2 Steven

Steven zet de motor af. Zijn telefoon heeft de afgelopen drie kwartier om de haverklap liggen trillen en het gebrom klinkt buitengewoon hard in de besloten ruimte van de auto. Naast hem ligt Ellie nog steeds te slapen op de passagiersstoel. Hij draait aan de ring om zijn pink en leest de reeks boodschappen die al een tijdje zijn aandacht vragen, met het gevaar Ellie te wekken.

Mis je xxx.

Moeten praten xxx.

Waarom antwoord je niet?

Ik weet het van haar. Je bent bij haar.

Dat laatste doet zijn wenkbrauwen fronsen, niet door de expliciet verkondigde wetenschap, maar door wat er wordt gesuggereerd, de macht die aan die kennis wordt ontleend, hoe die kan worden gebruikt.

Hij heeft J. niet gezien sinds hij heeft besloten zich op Ellie te concentreren, hoewel je best kunt zeggen dat de relatie toch al zijn beste tijd had gehad. Ondanks haar stroom aan berichtjes heeft hij J. niet teruggebeld en de paar keer dat hij haar zag rondhangen bij het Richmond-vwo, was hij diep in gesprek met een collega en glipte hij weg voor ze hem kon benaderen. Haar plakkerigheid heeft een zure smaak in zijn keel achtergelaten; zulk kinderachtig gedrag. Ze haalt het niet bij Ellie. De timing van deze trip had niet beter kunnen zijn.

Hij tuurt naar de fletse gloed op het scherm en formuleert een antwoord. Hij typt het begin van zinnen die te veel of te weinig duidelijk maken en wist ze tot zijn vastberaden vingers een simpel antwoord produceren, eentje waarmee hij tijd wint.

Slechte ontvangst hier. Bel je zo gauw mogelijk.

Hij stopt zijn telefoon terug in zijn borstzak, vastbesloten om zijn weekend niet te laten verpesten door wat er mogelijk in New York gebeurt. Niet met wat hij van plan is. Op het dashboard staart een klein kraanvogeltje dat Ellies vingers van het bonnetje hebben gevouwen hem aan.

Hij verschuift op zijn stoel om Ellie beter te kunnen zien. Ze slaapt, nog steeds ingesnoerd door de zigzag van de veiligheidsgordel, opgekruld tot een bal onder een karamelkleurige regenboog van haar: strengen butterscotch vervlochten met fudge en dieper gebrande toffee. Vingers opgekruld, en de eindlus van haar oneindigheidstattoo – waarvan het bovenste deel niet helemaal doorloopt – piept onder haar mouw vandaan. Hij grimast bij de aanblik. Hij weet zeker dat anderen dat niet zouden doen. Hij stelt zich jongens voor die het geïnkte symbool kussen terwijl ze zich over haar arm omhoogwerken. Maar ze is van hem. Hij zet ze uit zijn gedachten en strijkt het haar uit haar gezicht, waardoor lippen die dik zijn van de slaap zichtbaar worden, getuit alsof ze op een onzichtbare duim zuigt.

Voor ze in slaap viel, verdween geleidelijk aan de beschaving om hen heen. Ze hadden er grapjes over gemaakt, zwaaiden haar vaarwel toen ze de felle verlichting van de snelweg inruilden voor de duisternis van de plattelandswegen. Als eerste verdween de lichte bebouwde kom, de wijd uitwaaierende buitenwijken, daarna de winkelcentra aan de rand van stadjes, de afgelegen motels. Tot slot de andere auto’s op het asfalt van de snelweg, waardoor alleen zijn auto overbleef tegen het zwarte canvas van de streep bos, afgezien van een stel koplampen dat zwak in zijn achteruitkijkspiegel scheen tot ze van de hoofdweg afsloegen en de eenzame lichten achter hen net geen fatale afleiding werden. Hij miste op een haar na de zandweg die dienstdeed als privéoprit vanaf de hoofdweg – een zwart mondje midden in de strook bomen. ‘Ellie, wakker worden. We zijn er.’

Ellie beweegt, knippert met haar ogen naar hem en de aandrang om haar te kussen is terug. Ze komt overeind, de blik naar voren, en dan kijken ze allebei naar de contouren van het huis in het licht van de koplampen. Hoewel het maar twee verdiepingen heeft, torent het hoog boven hen uit; hij moet zich over het stuur buigen om een beeld te krijgen van het hele bouwwerk, dat opgetrokken lijkt te zijn uit tegenstellingen: hout en glas, vormen die met het landschap versmelten maar ook afsteken tegen de achtergrond. De koplampen van de SUV, die door de enorme ramen worden weerspiegeld geven het gebouw een dreigend aanzien. Hij voelt zich eigenaardig bekeken en beoordeeld, alsof het huis in stilte besluit of hij goed genoeg is om drie dagen onderdak aan te bieden. Op grondniveau, voorbij de lichtbundels van de koplampen, verdwijnt de wereld onder een ondoordringbaar duister waaruit het gefluister ontsnapt van golven die op de kust klotsen – een teken van de oceaan die ergens in de leegte bestaat.

‘We zijn er,’ herhaalt Ellie alsof ze het huis aan de andere kant van de voorruit toespreekt, en haar woorden doorbreken de ban waarin het hem houdt. ‘Wat is het donker.’

‘Laten we daar binnen wat aan gaan doen, oké?’

Hij glijdt uit de bestuurdersstoel de koude lucht in, spurt naar de kofferbak en tilt hun bagage eruit terwijl Ellie de sleutels uit een kluisje bij de trap aan de voorkant haalt. Met de tassen in zijn hand vecht hij tegen een plotse windvlaag die verse sneeuw van de grond blaast en doet ronddwarrelen voor hij de trap naar de veranda opgaat. Boven zijn hoofd omzoomt een rafelige rij ijspegels de dakrand, hun spits toelopende randen glinsteren in een onzichtbaar licht. Hij blijft achter haar stilstaan terwijl ze moeite heeft de sleutels in het slot te krijgen bij het – voor haar enige – licht van de fletse gloed van het telefoonschermpje.

‘Schiet op, ik sta hier te bevriezen,’ zegt hij en hij stampt met zijn voeten terwijl hij zijn hoofd tussen zijn schouders trekt.

‘Sorry. Ik doe mijn best.’

Ze laat de sleutels vallen en de vloek die onder haar dampende adem vandaan komt, ontlokt hem een glimlach. Eindelijk past een van de sleutels in het slot.

‘Ik moet gewoon een beetje wrikken,’ zegt ze, gevolgd door de welkome klikken van het draaiende slot.

Ze gaan naar binnen, waarna hij de deur sluit met zijn voet. Als ze verder lopen, zegt de lichte echo van hun voetstappen op de tegels iets over de omvang van de ruimte. Zijn ogen hebben zich nog niet aangepast en Ellie is verdwenen in de duisternis van de hal. Als Steven de weekendtassen laat vallen, slaakt zij een gilletje bij de onverwachte plof en hij loopt dieper het huis in, naar haar stem toe.

‘Shit, wat was dat?’ vraagt hij als iets tegen zijn schoen botst.

‘Dat is mijn tas. Ik denk dat het een goed idee is om wat licht aan te doen, professor.’

Hij volgt haar instructies op en loopt terug naar de voordeur en tast langs de muur tot hij de gladde plastic bolling van een lichtschakelaar heeft gevonden.

Met een klik stroomt licht de ruimte in en onthult Ellie, die daar met toegeknepen ogen en gedesoriënteerd in het midden staat. Ze staat er verloren bij en hij glimlacht als hij aan hen twee in dit grote huis denkt, in the middle of nowhere. Ze staat voor hem, een eenzaam stuk op de geblokte vloer van de ruime hal – een witte koningin, alleen op het schaakbord. Ze glimlacht naar hem. De zwarte koning, klaar om haar te slaan.

Telkens wanneer ze met haar grote reeënogen naar hem knippert, verstrakt zijn kruis. Nu ze eindelijk hier zijn, neemt de tijd die voor hen ligt wat duidelijkere vormen aan. Drie dagen van knusse dinertjes, wandelingen langs de kust, genieten van elkaars gezelschap, elkaars lichaam. En geen afleiding, geen colleges, geen deadlines. Geen redelijkheid; niemand anders om haar mee te delen. Hier zal hij haar onverdeelde aandacht hebben. Wat ze hier al niet kunnen doen, niemand die hen ziet, geen zorgen om wat de buren zouden kunnen horen. Dit huis kent geen beperkingen.

Hij had eerst zijn twijfels, aangezien het allemaal zo op het laatste nippertje was. Maar samen een weekendje weg blijkt misschien wel een geniaal idee te zijn.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief