leesfragment

‘Exit’ van Belinda Bauer

0

Wanneer de 75-jarige Felix Pink de woning aan Black Lane binnengaat, kan hij niet vermoeden dat zijn leven op zijn kop zal komen te staan. Hij is in het huis uit naastenliefde, om een terminaal zieke man te helpen, zodat hij niet alleen is wanneer hij sterft.
Maar vijftien minuten later is Felix op de vlucht voor de politie, nadat hij de grootste fout van zijn leven heeft gemaakt. Hoe heeft dit kunnen gebeuren?

Lees hier alvast de eerste pagina’s van de nieuwste thriller van Belinda Bauer, Exit.

De opracht

De sleutel lag onder de mat.

Zoals gewoonlijk.

Felix Pink vond die voorspelbaarheid geruststellend, ook al was de voorspelbare afloop de dood.

‘Daar gaan we dan,’ zei Chris, terwijl hij de sleutel in het slot stak.

Chris praatte te veel, maar Felix zei er nooit iets van. Hij vermoedde dat het door de zenuwen kwam. Zelf had hij al een hele tijd geen last meer van zenuwen. Hij schraapte zijn keel, trok zijn manchetten recht en liep achter zijn handlanger aan het huis in.

Het huis rook naar het gruis dat aan de binnenkant van medicijnflesjes zat. Dat was vaak zo.

Ze bleven in de gang staan en Chris riep: ‘Hallo?’

Het was stil, afgezien van het getik van een klok ergens in het huis. Felix kon horen dat het geen echte klok was, maar eentje die op batterijen werkte en een zacht tikkend geluid nabootste, zodat mensen dachten dat ze ouderwetse waar kregen voor hun geld.

Op de derde traptrede zag hij een briefje staan, dubbelgevouwen als een soort tent, net een tafelkaartje bij een bruiloft.

BOVEN

Hij pakte het op en liet het aan Chris zien, die meteen de trap op liep. Felix nam even de tijd om het briefje een paar keer op te vouwen en in zijn aktekoffertje te stoppen. Daarna greep hij de trapleuning vast. Hij was van nature al voorzichtig, maar als er een opdracht moest worden uitgevoerd, werd het een bewuste inspanning.

Chris stond op de overloop op hem te wachten.

‘Hallo?’
‘Hallo?’

‘Hallo.’ Het antwoord klonk zacht.

In de grote slaapkamer aan de voorkant van het huis lag een man op een bed. Hij leunde tegen een paar kussens met zijn gezicht naar het erkerraam, dat uitkeek op een vergelijkbaar raam aan de overkant van de straat.

‘Rufus Collins?’ vroeg Felix.

De man op het bed knikte zwakjes.

‘Ik ben John en dat is Chris.’

Meneer Collins knikte nog een keer, alsof hij wist waarom ze daar waren, en deed zijn ogen dicht.

Felix had de naam John gekozen, omdat hij hem capabel vond klinken. Margaret had een arts gehad die John Tolworth heette en heel lang capabel had geleken. Het was niet zijn schuld dat hij uiteindelijk was verslagen door de dood.

Uiteindelijk versloeg de dood hen allemaal.

Hij wist niet hoe Chris in het echt heette. Dat was voor iedereen beter.

Er stond een stoel naast het bed. Felix ging zitten en zette zijn koffertje naast zich neer op de vloer. Op het nachtkastje was geen ruimte vanwege de medicijnen en papieren zakdoekjes.

De tank was er al. Van dof grijs metaal, net een kleine duikfles, met een doorzichtig slangetje eraan dat was verbonden met het plastic gezichtsmasker dat onder de kin van de man hing. Een oud ogend stuk elastiek liep van het masker om de nek van de man en achter zijn oren langs, die daardoor een beetje ombogen. Een knokige hand rustte beschermend op het masker, alsof hij bang was dat iemand het zou stelen.

‘Ik ga even een andere stoel halen,’ zei Chris, en hij verliet de kamer.

Hij was oud, maar waarschijnlijk niet ouder dan Felix zelf.
Felix keek naar meneer Collins. Hij was oud, maar waarschijnlijk niet ouder dan Felix zelf, die vijfenzeventig was. De man was echter ziek en dat maakte een wereld van verschil, want hij leek wel honderd. De geelgrauwe huid zat zo strak om zijn wangen en voorhoofd gespannen dat deze eruitzag alsof hij elk moment kon scheuren. De man ademde rochelend, alsof hij moest hoesten, maar daar de kracht niet voor had.

Chris kwam puffend terug met een kleine houten leunstoel, die hij met een harde bons aan de andere kant van het bed neerzette.

Meneer Collins deed zijn ogen open en zijn hand klemde zich om het masker.

‘Sorry,’ zei Chris.

De zieke man deed zijn ogen weer dicht.

Toen bleven ze wachten.

Het was zo stil in het huis dat Felix de neptikjes van de klok beneden kon horen. Af en toe zoefden er buiten auto’s voorbij en haalde meneer Collins adem. Elke ademhaling was anders dan de vorige, alsof hij elke keer opnieuw leerde ademhalen en probeerde te ontdekken wat de beste manier was. Soms was de ademhaling kort en hijgend, soms langgerekt en piepend. De enige constante factor was de zachte rochel.

Felix legde zijn handen gevouwen op zijn schoot als een priester en wachtte.

‘Hoe lang hebben we?’ vroeg Chris met een blik op de deur.

Felix had een horloge om, maar keek er niet op. ‘We hebben geen haast,’ zei hij.

Dat was waar. Zo ging het meestal. Het gebeurde zelden snel. Zo nu en dan gebeurde het zelfs helemaal niet…

De ene keer verliep het zoals verwacht, de andere keer niet.
De ene keer verliep het zoals verwacht, de andere keer niet.

De ene keer volbrachten ze hun opdracht, de andere keer niet.

Uiteindelijk was de afloop natuurlijk onvermijdelijk, maar op de korte termijn moest een Exitier leren om geduld te hebben.

Felix was altijd een geduldig man geweest. Hij had zelfs overwogen om zichzelf Job te noemen in plaats van John, maar in tegenstelling tot John zou Job te veel belangstelling hebben gewekt. En belangstelling moest koste wat het kost worden vermeden.

Maar hij kon wel net zo geduldig wachten als Job. Ze wachtten allebei.

Eén uur.

Twee.

Felix moest oppassen dat hij niet in slaap viel. ’s Avonds kostte het hem moeite om in slaap te komen, maar overdag dutte hij vaak in. Maar nooit tijdens een opdracht. Hij tuurde naar de boekenkast en probeerde zich de verhaallijnen te herinneren van de boeken die hij had gelezen. Dickens. Tolkien. Hij dacht terug aan zijn bruiloft en probeerde zich alle gasten voor de geest te halen. Chris was bezig met een sudoku en zijn bifocale bril klemde zich uit alle macht vast aan het puntje van zijn neus. Felix kon maar niet aan een bifocale bril wennen. De opticien, mevrouw… kom, hoe heette ze ook alweer? Nou ja, zij had hem verteld dat hij voor iemand van zijn leeftijd goede ogen had, wat hem enigszins geruststelde. Hij was een knoop van zijn manchet kwijt. Vervelend. Gelukkig bewaarde hij altijd alle reserveknopen, dus waarschijnlijk had hij er wel eentje liggen die bij het overhemd paste…

Uit eerbied voor de zieke man slikte hij een gaap in, maar hij miste daardoor wel het gevoel dat zijn luchtwegen schoon werden geblazen. Hij had ergens gelezen dat patiënten na de introductie van de ijzeren long alsnog waren gestorven, ook al haalden ze adem, omdat er geen rekening mee was gehouden dat er zo nu en dan werd gezucht. Ademhalen alleen was niet genoeg. Hij hoopte dat het waar was. Je kon tegenwoordig niet alles geloven wat je las.

Buiten kwamen kinderen voorbij. De scholen waren uit. Vreemd genoeg herinnerde Felix zich dat moment beter dan ooit. De lange wandeling naar huis. De zware tas. De zogenaamde gevechten die soms opeens omsloegen in echte. De aanblik van de kale neuzen van zijn schoenen en zijn met korsten bedekte knieën, en zijn rammelende maag die eten verlangde…

Felix tilde geruisloos zijn koffertje op zijn knieën.

Meneer Collins deed zijn ogen open en keek hem aan.
Meneer Collins deed zijn ogen open en keek hem aan.

‘Hebt u er bezwaar tegen als ik even wat eet?’ vroeg Felix beleefd aan hem.

Meneer Collins keek hem een tikje geamuseerd aan. ‘Ga uw gang,’ fluisterde hij.

‘Kan ik iets te eten of drinken voor u halen?’

Meneer Collins schudde bijna onmerkbaar zijn hoofd.

Felix haalde de roodgeruite thermosfles tevoorschijn en een in aluminiumfolie gehuld pakketje, dat na het uitpakken een dubbele boterham bleek te bevatten. Witbrood met aardbeienjam, een kinderlijke voorkeur die hij ondanks zijn leeftijd en waardigheid nooit had weten af te schudden.

Hij had de rantsoenering na de oorlog nog meegemaakt.

De man op het bed sloeg hem gade terwijl hij zijn brood at en zijn thee dronk.

Het geluid van de kinderen vervaagde.

De klok deed alsof hij tikte.

Chris’ kin zakte op zijn borst en zijn mond viel open.

Toen Felix zijn brood en zijn thee ophad, haalde hij een schoon papieren zakdoekje uit zijn zak om het bekertje droog te vegen voordat hij het terugschroefde op de thermosfles. Het stukje aluminiumfolie vouwde hij netjes op voor hergebruik. Hij stopte ze allebei terug in zijn koffertje, samen met het gebruikte papieren zakdoekje, en klapte geruisloos het deksel dicht.

Voordat hij het op slot kon doen, schoof meneer Collins het masker op zijn gezicht.

‘Dank u wel,’ prevelde hij. Toen overleed hij.

Ze hielden de debriefing in een café in de buurt.

Hoewel er weinig te bespreken viel, bestelde Chris toch een tosti met ham en kaas, een plak cake en een grote cappuccino.

Felix had natuurlijk al gegeten, maar bestelde thee om hem gezelschap te houden.

‘Ik doe het niet meer.’
Terwijl ze op het eten wachtten, zei Chris opeens: ‘Ik doe het niet meer.’

Hij keek alsof hij een pittige strijd verwachtte, maar toen die niet losbarstte, ging hij verder: ‘Het wordt me allemaal te veel. Al die doden.’

Felix bewoog het theezakje heen en weer door de theepot. ‘Tja,’ zei hij, alsof hij iets wilde zeggen, maar dat deed hij niet. Hij liet het ‘Tja’ tussen hen in hangen.

Eerlijk gezegd kon hij het Chris niet kwalijk nemen. Hij vond het natuurlijk wel jammer dat hij ermee zou stoppen, want dat betekende dat hij aan een nieuwe partner zou moeten wennen. Ook vond hij dat Chris belangrijk werk opgaf. Ze waren toch al met te weinig mensen. Dat zei Geoffrey altijd tijdens de onsamenhangende telefoongesprekken wanneer hij Felix ’s avonds laat thuis belde.

We hebben meer mensen nodig zoals wij, zei Geoffrey regelmatig. Sterke mensen die bereid zijn om de verantwoordelijkheid op zich te nemen. Want als wij het niet doen, wie dan wel? Vertel me dat eens, Rob. Als wij het niet doen, wie dan wel?

Geoffrey noemde hem vaak Rob. Felix had de indruk dat Geoffrey op die momenten dronken was, maar als dat inderdaad zo was, had hij daar wel begrip voor. Geoffrey had de ziekte van Parkinson. Hij was afhankelijk van krukken en soms een rolstoel, dus als hij zonder morsen een glas naar zijn mond had weten te brengen, dan had hij ook wel het recht om dronken te zijn, vond Felix.

Hij had de man natuurlijk nooit ontmoet. Hij wist niet eens waar hij woonde. De Exitiers gingen heel zorgvuldig om met anonimiteit. Geoffrey moedigde het gebruik van pseudoniemen aan en waarschuwde Felix voortdurend om nooit iemand aan de telefoon te woord te staan die beweerde dat hij namens de Exitiers belde.

Om ons allemaal te beschermen, Rob, had hij met dubbele tong gezegd. Een gedeeld geheim is een verloren geheim.

Geoffrey was degene die de naam Exitiers had bedacht.

Net als de musketiers, begrijp je wel? had hij Felix meer dan eens uitgelegd. Eén voor allen, allen voor één. Tenslotte kan niet iedereen het zich veroorloven om naar Zwitserland af te reizen. Felix had zich afgevraagd of dat soms betekende dat Geoffrey het zich zélf niet kon veroorloven om naar Zwitserland af te reizen.

Een drukke, bazige vrouw met haar haren in een goudgeel knotje zette Chris’ bestelling op de tafel. Felix schrok met knipperende ogen op uit zijn gedachtewereld en was weer terug in het café.

‘Wat vind je ervan?’ vroeg Chris.
‘Wat vind je ervan?’ vroeg Chris. Het klonk alsof hij eigenlijk wilde dat het hem uit zijn hoofd werd gepraat, maar Felix probeerde het niet eens. Het werk als Exitier draaide in de eerste plaats om rechten en dat hield in dat Chris het recht had om de groep te verlaten, precies zoals hun klanten het recht hadden om het aardse leven te verlaten: zonder dat er een oordeel over hen werd geveld, zonder dat ze met vragen werden lastiggevallen en zonder pogingen om hen over te halen het tegenovergestelde te doen.

Bovendien was Felix van mening dat als Chris het werk wilde opgeven, hij misschien niet langer geschikt was om Exitier te zijn. Dat hij niet standvastig was.

Standvastigheid was weliswaar niet hip meer, maar het was een eigenschap die Felix altijd had bewonderd. Hij wilde graag geloven dat hij een standvastige echtgenoot was geweest voor Margaret. Ook nadat ze hem alleen had achtergelaten met hun herinneringen.

Zelfs daarna.

Standvastig.

‘John?’

‘Ja?’ Felix’ hoofd was even leeg, maar toen schoot hem weer te binnen dat Chris hem had gevraagd wat hij ervan vond dat hij de Exitiers wilde verlaten.

Hij schraapte zijn keel en zei: ‘Ik begrijp het wel.’ Chris knikte dankbaar, alsof Felix zijn beslissing actief had gesteund. Chris nam een enorme hap van zijn tosti en er droop een lange sliert gesmolten kaas over zijn onderlip op zijn donkerblauwe stropdas.

Felix vertrok zijn gezicht, maar slaagde erin zichzelf in bedwang te houden en veegde de sliert niet weg. Chris was niet zijn zoon.

Chris at de rest van de tosti zonder verdere kaasincidenten op, verorberde de cake en dronk zijn cappuccino op.

Ze werden geadviseerd om met het openbaar vervoer naar een opdracht te gaan, om te voorkomen dat hun auto door beveiligingscamera’s werd vastgelegd, dus wandelden ze samen naar station Bristol Temple Meads. Chris gaf hem een hand en zei: ‘Succes, John.’ Felix zei iets vergelijkbaars terug en Chris liep weg om de trein naar huis te halen. Felix dacht dat hij in de buurt van Winchester woonde, maar wist het niet zeker.

Zelf wandelde hij naar het drie kilometer verderop gelegen busstation, waar hij de bus terug naar Noord-Devon nam.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief