leesfragment

‘Fluisternetwerk’ van Chandler Baker

Sloane, Ardie, Grace en Rosalita werken al jaren bij Truviv, Inc. Het plotselinge overlijden van de directeur betekent dat hun baas, Ames, waarschijnlijk de leiding over het hele bedrijf zal overnemen. Ames wordt al jaren omringd door geruchten over hoe hij vrouwen behandelt. Deze geruchten zijn altijd genegeerd, onder de tafel geveegd door degenen hogerop.
Maar de wereld is veranderd, en de vrouwen bezien zijn promotie nu in een ander licht. Deze keer, als ze ontdekken dat Ames zich ongepast gedraagt, zullen ze het niet zomaar laten gaan. Deze keer zullen ze besluiten dat het genoeg is geweest…

Fluisternetwerk is een razendspannende roman voor liefhebbers van Liane Moriarty’s Grote kleine leugens. Ontdek hier alvast het eerste hoofdstuk!

 

Ooggetuigenverslagen

12 april

Ooggetuige 1: Ik was nog maar net de deur uit toen ik een flits zag van, ik weet het niet, iets, beweging, denk ik, aan de overkant van het plein, en eerst dacht ik dat het een enorme vogel was en toen – shít – een terroristische bom of zoiets. Weer een fractie van een seconde later besefte ik dat het een persoon was. Ik kon niet zien of het een man of een vrouw was. De mensen in deze wijk zijn nogal ouderwets. Ze dragen hier nog een pak. Traditioneel. Met zwarte pantalon en een colbert dat wappert in de wind. Hoe dan ook, het is een flinke val van daarboven.

Ooggetuige 2: Het was een uur of halftwee ’s middags. Ik kwam net naar buiten nadat ik had geluncht met een klant in Dakota’s. Ik kon nog net de steaksalade binnenhouden die ik had gegeten.

Ooggetuige 3: Ik zeg niet dat ik het niet erg vind. Dat vind ik wel. Het is afschuwelijk. Maar ik vind ook dat het best egoïstisch is om zoiets te doen, vind je niet? Er waren mensen op straat. Het was vlak na lunchtijd. Als je dan echt moet, als het echt niet anders kan, doe het dan in je eigen tijd, als er niet zoveel mensen zijn. Dat is alles wat ik zeg.

1

Drie weken daarvoor: de dag waarop het begon
20 maart

Vóór die dag raasde ons leven door over een onzichtbare achtbaan, een wagentje dat aan de rails was vastgemaakt door middel van technieken en krachten die we niet helemaal begrepen, ondanks onze in overvloed aanwezige academische titels. We bewogen ons voort met een gevoel van gecontroleerde chaos.

We waren kenners van droogshampoomerken. Het kostte ons vier dagen om een volledige aflevering van The Bachelor te kijken. We vielen in slaap terwijl onze te warm geworden laptops onze dijen brandden. We namen pauzes van twee uur om verhaaltjes voor het slapengaan voor te lezen aan peuters en probeerden niet te berekenen hoeveel uur we in totaal hadden gewerkt als moeder en als werknemer, niet goed wetend wat op de eerste plaats kwam. We waren overgekwalificeerd en onderbenut, we waren bazig en we hadden altijd gelijk. Onze handdruk was ferm en de betalingsbalans op onze creditcards was aanzienlijk. We vergaten onze lunch en lieten hem op het aanrecht staan.

Op de ochtend dat onze directeur overleed, keken we op en beseften we plotseling dat een van de wielen van het achtbaankarretje kapot was en dat we elk moment van de rails geworpen konden worden.
Elke dag hetzelfde. Tot het dat niet meer was. Op de ochtend dat onze directeur overleed, keken we op en beseften we plotseling dat een van de wielen van het achtbaankarretje kapot was en dat we elk moment van de rails geworpen konden worden.

Ardie Valdez, een geduldige, stoïcijnse persoon met praktische Italiaanse schoenen van goede kwaliteit, was de eerste die een vermoeden had van de botsing die ons te wachten stond. Ze hoorde het nieuws en besloot dekking te zoeken. ‘Grace?’ Ze stond in de gang – steriel, maar met onbetaalbare kunst aan de muur – en klopte op een effen kastdeur met een magneet in de vorm van een koe erop. ‘Ik ben het, Ardie. Mag ik binnenkomen?’

Ze wachtte en luisterde, totdat ze geruis achter de deur hoorde. Het wettelijk verplichte slot schoof opzij.

Ardie dook het kamertje binnen en deed de deur achter zich weer op slot. Grace was alweer op de leren bank gaan zitten. Haar zijden blouse was scheef omhooggeschoven over twee plastic kegels die aan haar borsten vastzaten.

Ardie keek de kamer rond. Een minikoelkast. De aftandse bank waar Grace op zat. Een kleine televisie waar Ellen op te zien was. Buiten hoorde ze stemmen, snelle voetstappen, telefoons die werden opgenomen en kopieën die werden gemaakt. Ze fronste goedkeurend. ‘Je hebt een beetje je eigen schuilplek hier.’

Grace stak haar hand uit naar de knop van het kolfapparaat en het begon mechanisch te brommen. ‘Of mijn eigen graftombe,’ zei ze luchtig. Grace slaagde er altijd weer in om Ardie te verrassen met haar duistere gevoel voor humor. Vanbuiten leek Grace zo ongecompliceerd. Ze had een bouffantkapsel van geblondeerd blond haar, was een actief lid van de TriDelta Club van oud-leerlingen, en lid van de presbyteriaanse kerk van Preston Hollow, net als haar lange, donkerharige, altijd geruite overhemden dragende echtgenoot Liam. Ze hadden op de lijst van privégenodigden gestaan voor de opening van de George W. Bush-bibliotheek en noemden zichzelf ‘meelevend conservatief’, een benaming die Ardie interpreteerde als dat ze wel wilden dat homoseksuelen konden trouwen, maar dat ze liefst zo weinig mogelijk belasting betaalden. Ook bezaten ze ten minste één pistool in een kluisje dat op een kledingplank in de in loopkast van Grace stond, en het feit dat Ardie Grace ondanks dat alles mocht, wilde wel iets zeggen.

‘Hoeveel moeten baby’s eigenlijk drinken? Ik ben áltijd aan het kolven. Ik bedoel, fuck, Ardie, moet je nou kijken. Ik zit overdag naar Ellen te kijken.’

Gewoonlijk gebruikte Grace niet het woord ‘fuck’.

Ardie herinnerde zich nog hoe lang de dagen hadden geleken toen haar zoon Michael steeds maar een paar uur achter elkaar sliep. Haar hele lijf had zwaar en vies aangevoeld, alsof er een dun laagje vuil over haar hele lichaam zat, net zoals wanneer je je tanden niet hebt gepoetst.

Ze rommelde in haar boodschappentas en haalde er twee bedauwde blikjes gearomatiseerd bronwater uit. Ze gaf er een aan Grace en liet zich voor de bank op de vloer zakken. Ardie kon dingen doen als op het werk op de grond gaan zitten omdat ze – en ze zou de eerste zijn om het toe te geven – had besloten niet meer mee te doen. Jaren geleden al, eigenlijk. Ze sliep ’s ochtends uit in plaats van een extra uur te besteden aan haar haar en make-up. Ze ging vrijwel nooit shoppen. Ze bracht geen minuut van haar kostbare tijd door met pilates. Het was het meest bevrijdende wat ze ooit had gedaan.

Ze keek op haar telefoon. Nog stééds niets.
Ze keek op haar telefoon. Nog stééds niets.

‘Dus,’ zei Ardie, ‘het schijnt dat Bankole overleden is. Thuis, vanochtend, terwijl hij zich klaarmaakte om naar zijn werk te gaan.’ Ze bracht het nieuws onbewogen. Ardie wist niet hoe ze nieuws anders moest brengen. Het ging altijd van: Mijn moeder heeft kanker of Tony en ik gaan scheiden.

‘Wat? Hoe?’ Grace liet de slangetjes vallen waarmee ze zat te prutsen om ze terug te stoppen in de trechterachtige dingen die uit haar voedingsbeha staken.

‘Hij kreeg een hartaanval. Zijn vrouw vond hem in de badkamer.’ Ardie zette haar ellebogen op haar knieën en keek omhoog naar Grace. ‘Ik heb het net gehoord.’

Ardie had de directeur van het bedrijf, Desmond Bankole, maar één keer ontmoet. Hij had haar de hand geschud in de lift omdat hij erop had gestaan om iedere persoon die in zijn gebouw werkte, tot en met het schoonmaakpersoneel aan toe, ten minste één keer te ontmoeten. Zijn tanden waren heel wit. Hij was kleiner dan ze had verwacht, met vogelachtige polsen die uit zijn colbertje staken.

‘Tussen twee haakjes: ik ben me aan het verstoppen,’ zei Ardie – en voordat Grace het kon vragen – ‘voor Ames. Hij vraagt steeds maar waar Sloane is. Ik zei tegen hem dat ze waarschijnlijk aan het lunchen was. Hij zei dat hij haar geen toestemming had gegeven om vandaag ergens te gaan lunchen. Ik zei dat ze de adjunct-directeur Juridische Zaken voor de afdeling Noord-Amerika was en dat ze zijn toestemming niet nodig had om te gaan lunchen en…’

‘Heb je dat tegen hem gezegd?’ Grace ging rechtop zitten. Sloane was hun vriendin, maar officieel ook hun baas, wat Ames de baas van hun baas maakte.

‘Natuurlijk heb ik dat niet echt tegen hem gezegd. Ben je gek?’

‘O,’ zei Grace, met haar ogen knipperend. Ze speelde met het diamanten kruisje dat aan haar halsketting hing. Het elektrische gebrom van haar kolfapparaat telde de tijd af.

In de regel hadden mannen als Ames geen belangstelling voor Ardie. Hij had er een hekel aan om te moeten luisteren naar iemand naar wie hij niet graag keek.
‘Dus verberg ik me hier als een lafaard,’ ging Ardie verder. ‘Ik wacht totdat Sloane me terugroept.’ In de regel hadden mannen als Ames geen belangstelling voor Ardie. Hij had er een hekel aan om te moeten luisteren naar iemand naar wie hij niet graag keek. Toen hij haar had gevraagd waar Sloane was, hadden zijn ogen over en om haar heen gezworven en was hij zo snel mogelijk weer doorgelopen. Dat deel vermeldde ze niet aan Grace.

Ardies gezicht vertrok. De borsten van Grace waren onmogelijk te negeren in deze kleine kamer. ‘Het zuigt ze helemaal op, zodat ze eruitzien als torpedo’s. Doet dat geen pijn?’ Ardies zoon Michael was bijna vier jaar geleden geadopteerd, een gelukkig einde aan jaren van worsteling met onvruchtbaarheid. Ze had zelf nooit borstvoeding gegeven, maar ze had zich altijd sereen gezuig ingebeeld, felbegeerd huid-op-huidcontact, een losjes gedrapeerde, met de hand geweven sjaal om die vrouwen te bedekken die te preuts waren. Niet dit gewelddadige gesjor waar ze nu van dichtbij getuige van was.

‘Minder dan Emma Kates mond, eerlijk gezegd.’ (Borstvoeding zou píjnloos moeten zijn, hadden ze ons verteld. Borstvoeding was iets móóis, zeiden ze. Nou, we zouden hun tepels weleens over asfalt willen sleuren om te zien hoe pijnloos en mooi ze het vonden.)

‘Mijn god, we kunnen slimme tandenborstels uitvinden,’ zei Ardie. ‘Mijn robotstofzuiger kan zijn basisstation terugvinden en zichzelf in bed stoppen aan het einde van de avond, en dan kunnen we geen handigheidje uitvinden om melk te zuigen dat iets beter werkt dan dát?’ De machine was op de een of andere groteske manier hypnotiserend.

‘Mannen hebben tanden.’ Grace trok haar wenkbrauwen op. ‘En het hoogste woord.’

Ardie nam een grote slok bruisend water met grapefruitsmaak terwijl op het scherm Ellen DeGeneres een jonge man op het podium verwelkomde. Hij zag eruit als een tiener en Ardie had geen flauw idee wie hij was. Ze tikte weer op het schermpje van haar telefoon: niks nieuws.

‘Ik had net een beangstigende gedachte,’ zei ze na een korte stilte. ‘Ames zou de nieuwe algemeen directeur kunnen worden.’

‘Nee. Denk je?’

‘Hij ziet eruit als een algemeen directeur. Hij is lang. Mensen houden van lang.’ Ardie spande en ontspande haar vuist om de carpale tunnel te rekken die een voortdurende bedreiging voor haar pols vormde. ‘Geloof mij,’ zei ze. ‘Die klootzak zou de baas kunnen worden over dit bedrijf, en wat gebeurt er dan met ons?’

‘Die klootzak zou de baas kunnen worden over dit bedrijf, en wat gebeurt er dan met ons?’
Het ging niet alleen om de geruchten waarbij een stagiaire betrokken zou zijn. Of om wat er twee jaar geleden op het Byron Nelson-golftoernooi was gebeurd met zijn directiesecretaresse, waarna raad eens wie er werd ontslagen? Spoileralert: niet Ames. Het ging niet eens om het idee dat de bedrijfscultuur begon bij de top en dat een Truviv met Ames aan het roer erop neer zou komen dat het jachtseizoen geopend was.

Het ging erom dat Ames Garrett een hekel had aan Ardie.

‘Ik weet niet,’ zei Grace. ‘Tegen mij is hij altijd aardig geweest.’

Ardie liet het onderwerp rusten. Grace was een paar jaar jonger dan Ardie en Sloane, en hield zich nog steeds vast aan het idee dat iemand een ‘goede persoon’ kon zijn ondanks zijn of haar handelingen, alsof handelingen niet bij uitstek de aanwijzing vormden voor iemands persoon. En Ardie had Ames Garrett zien handelen.

Maar ja, er waren nou eenmaal dingen waar je het niet over had, zelfs niet onder vrienden: religie, geld, en misschien Ames.

Grace draaide aan de knop op haar kolfapparaat om de intensiteit te verhogen. Een van de slangetjes kwam met een plop los en kronkelde op de vloer. Er viel een witte druppel op Grace’ rok. Ze deed haar ogen dicht en legde haar hoofd in haar nek, en haar neusvleugels bogen naar binnen. Toen ze haar ogen weer opendeed, glansden ze. Ze wreef met haar pols over haar neus en raapte het verdwaalde slangetje met doelbewuste kalmte op. Ze miste het gat twee keer toen ze probeerde de onderdelen weer aan elkaar vast te maken. Bij de derde poging had ze succes. Ze liet zich voorzichtig weer op de bank zakken. ‘Maar dat van Bankole is wel deprimerend.’ Ze richtte haar glazige blik op het tv-scherm. ‘Is het verkeerd dat we niet verdrietiger zijn?’

Ardie gaf geen antwoord, want Grace leek eigenlijk wel heel verdrietig.

Ardie keek weer op haar telefoon. Eén enkel streepje.

Waar was Sloane, verdomme?

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief