leesfragment

‘Gedachten over onze tijd’ van Tommy Wieringa

0

‘Ons boerenland is morsdood. Nauwelijks meer insecten, nauwelijks meer vogels, nauwelijks meer bodemleven. Het komt nu aan op radicale dienstbaarheid aan de aarde, zonder hoop op dankbaarheid of begrip van je medemens.’ Tommy Wieringa is niet alleen bezorgd over het boerenland, hij schrijft met dezelfde urgentie over onze cultuur, onze democratie en onze intellectuele vrijheid. De actualiteit is de aanleiding om zijn pen te scherpen, maar steeds weet hij dieper te raken door kwesties in hun historische context te zien en tegelijk een moreel appel te doen.

Lees hier enkele fragmenten uit Gedachten over onze tijd.

Het schip Europa

Over zijn geliefde Curaçao schreef Boeli van Leeuwen dat het ‘permanent naar de bliksem’ ging. Vanaf zijn vroege jeugd, toen hij de lamentaties van zijn vader aanhoorde die als districtsmeester de begroting voor het gouvernement niet rondkreeg, tot en met zijn jaren als bestuurssecretaris van de Antillen, op Curaçao was het altijd vijf voor twaalf. Sinds Johan van Walbeeck in 1634 ‘met merkbare tegenzin’ voet aan wal zette was Curaçao onafgebroken bezig ten onder te gaan.

Het eiland vertoont gelijkenis met het continent aan de overzijde van de oceaan, dat ook permanent naar de bliksem gaat. Inzake Europa lijd ik intussen aan iets wat je ondergangsmoeheid zou kunnen noemen. Ook al zijn de gevaren van rechts-nationalistische rattenvangers en illiberale democratieën in de Europese familie reëel, de echte ondergang duurt wat te lang om me op het puntje van mijn stoel te houden. Als iemands dood te vaak wordt aangekondigd, ga je er vanzelf een beetje naar verlangen.

Het verenigde Europa hompelt van meet af aan van crisis naar crisis. De kredietcrisis werd opgevolgd door de Griekse staatsschuldencrisis, waar de vluchtelingencrisis overheen kwam, die weer uitmondde in de Brexit en de archaïschregressieve tendensen in Polen en Hongarije – ik werd er gaandeweg een wat vermoeide Europeaan van, die snakte naar een uitkomst, om het even welke.

In de zomer reisden mijn geliefde en ik met onze dochters (zeven en acht jaar oud) per trein door Europa. Wat de founding fathers van de EU en hun opvolgers nalieten, besloot ik mijn dochters bij te brengen: liefde voor het oude continent. Ik wilde hartstochtelijke Europeanen van ze maken, maar realiseerde me dat de reis vooral langs landen voerde waar een agressieve afkeer van de Europese Unie heerst. In Oostenrijk walste de minister van Buitenlandse Zaken op haar bruiloft met eregast Poetin, in Hongarije werden pers en rechtsspraak verder afgeknepen, en terwijl de EU een artikel 7-procedure tegen Hongarije opstartte ging Orbán brutaalweg op bezoek in Moskou. Italië dreigde de afdracht aan Brussel te staken als er niet een gezamenlijke oplossing kwam voor bootmigranten en lapte kort daarop de Europese begrotingsdiscipline aan zijn laars, opgeluisterd met lichtzinnige dreigementen over een exit.

Het Europese stichtingsverhaal ‘nooit meer oorlog, nooit meer Auschwitz’ houdt helaas niet langer stand in een wereld die per definitie vergeetachtig is. Maar wat bindt ons dan wel in Europa, als Holocaust en economie niet meer voldoen? Die vraag kan alleen beantwoord worden met en door de cultuur. Maar, schrijft Robert Menasse in zijn pamflet De Europese koerier, zijn nu juist niet alle ‘pogingen een cultuurbegrip over het economische project heen te spannen mislukt, ja zelfs belachelijk mislukt’? Juist de cultuurafdeling van de Europese Commissie, die de liefde voor een verbindend cultureel narratief zou moeten voeden, is volgens Menasse een Brussels stiefkind. Een dienst met nauwelijks bevoegdheden en zonder budget, zonder betekenis derhalve: geen wonder dat er in de grote eu-landen geen commissaris te vinden is die met cultuur wil worden belast. Toen er eens een Oostenrijkse commissaris voor die post werd genoemd, kopte de grootste krant van het land: ‘WE WORDEN MET CULTUUR AFGESCHEEPT!’

‘Dat was grappig,’ schrijft Menasse. ‘En treurig.’

Waar de EU uit negatie is geboren (‘nooit meer oorlog, nooit meer Auschwitz’), leek het mij zinvol om mijn dochters te laten zien dat ze leven in een continent als een schatkamer, waar geweldig veel is om van te houden, wat betreft zowel ideeën als verhalen en bouwwerken. In Pompeï wilde ik ze La casa della Nave Europa laten zien, waar iemand tweeduizend jaar geleden een schip op de muur tekende en daar huropa boven schreef. Maar het Huis van het Schip Europa was dicht voor restauratie – zoveel symboliek was bijna niet te verdragen.

Het schip Europa (2)

Ik nam voor vier dagen mijn intrek in een Gents hotel en kwam mijn kamer al die tijd nauwelijks uit. Ik had een rolkoffer met boeken bij me en die moesten allemaal gelezen. Elke avond sprak ik met schrijvers, journalisten en politici over literatuur – ik gedroeg me kortom als volwaardig lid van een ontwortelde internationale kliek van mensen die nergens een plek hebben waar ze zijn opgegroeid, maar die vandaag in Berlijn wonen, morgen desnoods in Brussel, overmorgen in Parijs, in Praag of in Wenen of Londen en die zich overal thuis voelen.

De oplettende lezer merkte al op dat de laatste veertig woorden niet van mij afkomstig zijn – ze werden in 1933 door Adolf Hitler uitgesproken tijdens een rede in de Siemens-fabriek in Berlijn. Na zijn opsomming van Europese hoofdsteden roept iemand in het publiek luid en duidelijk ‘Juden!’ Hitler reageert niet, zoals op het beeldmateriaal op YouTube is te zien, en vervolgt zijn tirade tegen de verfoeide klasse van kosmopolitische parasieten.

Het is deze toespraak die Alexander Gauland, fractievoorzitter van de Alternative für Deutschland, voor ogen moet hebben gehad toen hij in de Frankfurter Allgemeine Zeitung de ‘gemondialiseerde kliek’ de maat nam die cultureel en politiek de lakens uitdeelt – ‘en als ze van Berlijn naar Lon- 15 [maand] 2018 den of Singapore verhuizen om van werk te veranderen, den of Singapore verhuizen om van werk te veranderen, vinden ze overal dezelfde appartementen, huizen, restaurants, winkels en privéscholen’.

Historici wezen op de overeenkomst tussen Gaulands essay en Hitlers toespraak. Gauland ontkende. Ook fascisten worden liever niet voor fascist uitgemaakt.

.

Waar veel geschiedenis is, klinkt veel echo. Het echoot luid in Duitsland, het is goed te verstaan allemaal. Het klinkt ook in België, waar tijdens mijn verblijf lokale en provinciale verkiezingen werden gehouden. In het Vlaamse gewest wonnen niet alleen de groenen en het Vlaams-nationalistische N-VA van Bart de Wever terrein, maar ook het Vlaams Belang. In Ninove kreeg het onder de naam Forza Ninove veertig procent van de stemmen. Op een plein vierden aanhangers de overwinning met de Hitlergroet, anderen in de menigte droegen Wehrmacht- en nazi-insignes. Omdat moderne rechtsradicalen er steeds vaker uitzien als makelaars, was het een beetje een opluchting dat deze knokploeg er ook traditioneel rechtsradicaal uitzag, met uitgelopen tatoeages en zichtbaar tandbederf.

Misschien moeten we het fascisme intussen beschouwen als een courante Europese politieke stroming, die nu eens hier en dan weer daar opduikt. Soms in pure vorm, soms verdund; in eigen land kruidt Thierry Baudet zijn gedachtegoed met snufjes fascisme – theelepeltje boreaal Europa erbij, mespuntje homeopathische verdunning niet vergeten.

In mijn hotelkamer intussen las ik Joseph Roth, voor wie het hotelwezen het model van goed leven was, een vrijplaats waar een verlicht soort kosmopolitisme heerste en eng nationalisme geen plaats had. ‘Bevrijd van de beperktheid van hun liefde voor hun geboorteland,’ schreef hij over de hotelpopulatie, ‘verlost van de mufheid van hun patriottische gevoelens, voor een poos verlost van hun nationale hoogmoed, komen de mensen hier bij elkaar en schijnen tenminste wat zij altijd zouden moeten zijn: wereldburgers.’

Een weerklank daarvan vond ik weer in De Europese koerier, het pro-Europese pamflet waarin de Oostenrijker Robert Menasse een verrassend portret schetst van Brusselse ambtenaren.

               Vaak zijn ze in hun werk, hun levensontwerp al iets wat bepaald aantrekkelijk genoemd mag worden, namelijk echte Europeanen: meertalig, hooggekwalificeerd, verlicht, geworteld in de cultuur van hun herkomst, maar wel bevrijd van het irrationele van een zogeheten nationale identiteit. (Vertaling Paul Beers)

Echoput Europa.

Het liefst zou ik het oude continent beschouwen als een gastvrij hotel, maar het beeld is te lichtzinnig. Juister is om Europa te beschouwen als een schip, zoals het Nave Europa op de muur van een Romeinse villa in Pompeï. We kunnen er niet af. Hetzelfde schuitje, zogezegd.

Piemeltje

De cartoonvogels Fokke en Sukke bestonden 25 jaar, maar wie Fokke is en wie Sukke weet ik nog altijd niet, zoals ik ook Theodor Holman en Max Pam niet uit elkaar kan houden. In Pakhuis de Zwijger te Amsterdam werden de makers van de cartoon toegesproken door vrienden en bewonderaars. Mij was gevraagd om iets te zeggen over de grenzen van de grap, omdat ik daar nogal hardhandig mee te maken had gehad.

In de zomer van 2018 werd ik op een VNG-congres in Maastricht door Twan Huys geïnterviewd over criminaliteit in de grensstreek en de bedreigingen waarmee burgemeesters te kampen hebben, een ernstig onderwerp waar we met gepaste ernst over spraken. En nu de pers ook al, zei Huys, een verwijzing naar de aanslag op De Telegraaf die nacht. Omdat ik een beetje genoeg had van mijn eigen ernst zei ik: ‘Dat werd tijd.’

Drie woordjes, indachtig de definitie van satiricus Jean Paul: ‘Bondigheid is het lichaam en de ziel van de grap, sterker nog, is haarzelve.’ Niet eens een echte grap was het, zoals Reid, Geleijnse en Van Tol ze maken, een polemische kwinkslag eerder.

Hoe dan ook, er werd wat gelachen en voort ging het gesprek in een ritme van luim en zwaarte – een geslaagd item kortom, de drieduizend burgemeesters en wethouders hadden waar gekregen voor hun gemeenschapsgeld.

Onderweg naar huis kreeg ik een verslaggever van De Telegraaf aan de lijn: of ik had gezegd wat ik had gezegd en of de burgemeesters daarom hadden gelachen en geklapt. Geduldig stond ik hem te woord: dat het een grap was die ook beslist als grap was verstaan, meer moest hij daar niet achter zoeken, maar toen hij me die middag voor de derde keer belde, begreep ik dat het ze op de redactie ernst was met de krenking, ze gingen er echt werk van maken.

De volgende dag vond ik mezelf terug over pagina twee en drie van De Telegraaf. De minister van Binnenlandse Zaken vond het hoogst ongepast allemaal, Geert Wilders wilde alle lachende burgemeesters ontslaan.

Omdat ik om hygiënische redenen niet meer op sociale media rondneus, ging het gekrakeel in de dagen daarop grotendeels aan me voorbij, maar op een avond zei mijn echtgenote dat ze in mijn kielzog een ‘smerige linkse tyfushoer’ werd genoemd en dat er werd opgeroepen om ons huisadres op te sporen en openbaar te maken, plus nog een paar honderd tweets van mensen die me op mijn kale kankerbek wilden slaan en me een langzame, pijnlijke dood toewensten; nou ja, de gebruikelijke smeerlapperij kortom van mensen die dat verwarren met vrijheid van meningsuiting.

De Telegraaf spuwde liefst achttien keer haar gal over mijn grapje in nieuwsberichten, columns en commentaren, tegen een kleine veertig keer over de aanslag zelf; toen de verslaggever me voor de vierde keer belde, informeerde ik of ze misschien slachtoffer waren geworden van een grap in plaats van een aanslag.

Mijn kwinkslag van bamboe, papier en touw was zwaar als een aambeeld terug naar de aarde gevallen. Eerst werd de grap een karikatuur, toen stak hij de grens over van het komische naar de ernst – een onherstelbare falsificatie. Intussen deed Telegraaf-hoofdredacteur Paul Jansen uit naam van de persvrijheid een beroep op de hoofdredacteur van NRC om mij nog voor ik mijn eerste stuk geschreven had te ontslaan als columnist. Uit naam van de persvrijheid een stukjesschrijver het zwijgen willen opleggen; misschien kon iemand hem de tegenstrijdigheid uitleggen?

Paul Jansen is een willige slaaf van zijn krenking – hij beantwoordt de grap met een beroepsverbod, het bagatel met een vendetta.

Nu goed, dat het misschien niet zo’n heel goede grap was, begreep ik toen Youp van ’t Hek de zaterdag erop schreef hij ’m graag had gemaakt.

.

Het zijn de tijden niet voor dubbelzinnigheid en ironie. De stijlmiddelen worden niet meer verstaan. Om ons in onze digitale communicatie te behoeden voor het misverstand, zetten we smileys in. Smileys zijn de disclaimer van de grap. Op een podium hebben we die disclaimer niet, maar in mijn eerste dagen als vijand van de persvrijheid was ik liever een eend of een kanarie geweest, veilig begrensd door de omtrek en de context van een cartoon. Het kleine piemeltje had ik graag op de koop toe genomen.

Auteursfoto (c) Stephan Vanfleteren

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief