leesfragment

Het boek van de kleine dieren (en de wat grotere)

0

Voor mooie of interessante dieren hoef je niet naar de andere kant van de wereld, ze zijn ook hier overal te vinden, als je maar goed kijkt. Zelfs het nietigste groenstrookje kan al grappige soorten opleveren. Wat te denken van ons zevenstippelig lieveheersbeestje of de tuinslak? In Het boek van de kleine dieren (en de wat grotere) gaat Kirsten Dorrestijn op pad met verschillende experts om te ontdekken hoe het met de Nederlandse fauna gesteld is. Hoe gaat het met onze egels, waar kun je boomkikkers vinden en hoe zorgen we ervoor dat hommels vrolijk blijven rondvliegen? In 25 reportages neemt Kirsten ons vol enthousiasme mee door het schitterende Nederlandse dierenrijk en laat ze zien hoe we dat zo lang mogelijk kunnen behouden.

Hoeveel weet jij bijvoorbeeld over zweefvliegen? Hieronder kan je al een fragment uit Het boek van de kleine dieren lezen!

Als ik iemand vertel dat ik schrijf over zweefvliegen, word ik meestal raar aangekeken. De meeste mensen denken met- een aan dat lichtgewicht vliegtuigje. Nee, over de zweefvlieg, het diertje dus. Een paar jaar geleden raakte ik verzot op de beestjes, die vaak lang om je heen blijven zweven, om je dan vanaf een vaste plek eens goed te bekijken. Eerst van links, dan – zoef– van rechts en dan weer recht voor je neus. Met hun harige vachtje zien sommige er bijna net zo wollig uit als hommels en ze maken dezelfde, liefdevolle gevoelens in me los. Tijdens mijn interview met Sander Bot, die een veld- gids over zweefvliegen maakte, hield hij het beestje vast aan zijn pootjes, zodat ik hem goed kon bekijken. Nog mooier werd het toen hij hem even later tussen zijn lippen stopte om ondertussen in de gids te kunnen bladeren.

‘De stadsreus’ is een soort die ik in Amsterdam steeds tegenkwam, een joekel van een zweefvlieg, zoals z’n naam al doet vermoeden. De eerste keer dat ik hem zag, had ik ’s ochtends toevallig in de nieuwsbrief van Vroege Vogels een plaatje van het dier zien langskomen en even later zag ik hem op een vlinderstruik in een geveltuintje in onze straat. Een prachtig beest, die stadsreus.

In rap tempo slaat bioloog Sander Bot (1980) een netje langs een Amerikaanse vogelkers. Hij graait met zijn hand in het net en haalt er een geel-met-zwart-gestreept insect uit. Tussen duim en wijsvinger houdt hij hem vast. Met zijn vleugels maakt het beestje een zoemend geluid. Het is de gele veenzweefvlieg, weet de kenner me te vertellen.

Sander werkte de afgelopen vijf jaar aan de Veldgids Zweefvliegen, het eerste serieuze naslagwerk voor zweefvliegen in Nederland. Hiervóór moesten liefhebbers het doen met een getypt boekwerkje van Aat Barendregt met veel tekst en hier en daar een zwarte pentekening. Samen met de Vlaamse zweefvliegenkenner Frank Van de Meutter (1977) maakte Sander een bijna vierhonderd pagina’s tellend boek met foto’s van alle 384 zweefvliegen die in Nederland en België voorkomen.

De Drentsche Aa, waar we op ‘zweefvliegenjacht’ zijn, is een van Sanders favoriete vanglocaties. Bijzondere exemplaren neemt hij mee naar huis om ze goed te kunnen determineren. Hij heeft er een vergunning voor, want officieel mag er niets – ook geen zweefvlieg – worden meegenomen uit een natuurgebied.

De foto’s van de 384 zweefvliegen in het boek maakte Sander zelf, opgeprikte exemplaren uit zijn eigen collectie aangevuld met die van vrienden en van Naturalis. De zeldzaamste soorten werden per post opgestuurd door kenners uit Denemarken, Zweden en Oost-Rusland. Van elke afgebeelde zweefvlieg in het boek maakte hij zo’n zestig tot tachtig foto’s, om steeds een ander deel van het lijfje scherp te krijgen.

Sander was een groot deel van zijn leven fanatiek vogelaar. Als klein jochie wisten leeftijdsgenoten al dat ze bij hem moesten zijn als het om vogels ging. Hij kwam bij de jeugdbond jnm – Jongeren in de Natuur terecht, waar hij nog steeds het grootste deel van zijn vriendenkring aan te danken heeft. ‘Op een gegeven moment had ik alle vogels wel gezien. Tijdens een excursie wees iemand me op zweefvliegen. Om mezelf uit te dagen, begon ik me daarin te verdiepen. Dat is inmiddels veertien jaar geleden.’

Zweefvliegen zijn een aparte familie binnen de vliegen. De soorten lijken qua uiterlijk vaak sprekend op wespen, hommels of bijen: zo schrikken ze vijanden af. Maar zweefvliegen hebben – anders dan de genoemde insecten – geen angel. Ook hebben ze maar twee vleugels in plaats van vier. Ze hebben namen als ‘gevlekt roetneusje’, ‘tengere korsetzweefvlieg’, ‘spichtige spitsbek’, ‘bosglimmer’ of ‘bescheiden-piemelkrieltje’. (Die laatste naam gaven Sander en Frank zelf, omdat ze hem wilden opnemen in hun boek. Er bestond al een ‘piemelkrieltje’, waarop de soort veel lijkt. Beide ‘krieltjes’ hebben – zoals de naam al doet vermoeden – een opvallend groot geslachtsdeel.)

Het idee om een gedegen zweefvliegengids te maken, komt van Sander. ‘Dat was zeven jaar geleden. Het moest dé zweefvliegen-bijbel worden, de hoogste kwaliteit veldgids. Ik was zelf al begonnen, maar kon wel wat hulp gebruiken. Van verschillende mensen hoorde ik dat ik bij Frank moest zijn. Ik ben bij hem langsgegaan in België. We zijn van dezelfde leeftijd en konden het gelijk goed met elkaar vinden.’ Er volgde een intensieve samenwerking waarin duizenden mails over en weer gingen, soms wel honderd per dag – allemaal over zweefvliegen.

In de Drentsche Aa wijst Sander op een ‘ideale zweefvliegenlocatie’: in de luwte van een stukje bos, aan de rand van een uitgestrekt veld, bloeit uitbundig fluitenkruid. Het gonst er van de hommels, bijen, wespen, libellen en zweefvliegen. Tijdens het praten blijft hij vanuit zijn ooghoek gefocust op wat hij ziet vliegen. Plotseling zwiept hij zijn netje over de ruigte en haalt er geconcentreerd een zweefvlieg uit. Aan zijn pootjes pakt Sander hem vast – op die manier raakt het diertje niet beschadigd – en hij bekijkt hem met het loepje dat om zijn nek hangt. Het lijfje is zwart-geel getekend, het borststuk heeft donzige haartjes. ‘Een bosbijvlieg,’ weet hij. ‘Die heeft een donkere vlek in de vleugel en over het gele gezicht loopt een zwarte streep. Zo onderscheidt hij zich van de soorten waar hij op lijkt.’

Om dat aan te tonen, pakt hij de Veldgids uit zijn tas. De zweefvlieg stopt hij zolang tussen zijn lippen. ‘Dat doe ik wel vaker om mijn handen vrij te hebben,’ vertelt hij zodra hij de zweefvlieg heeft bevrijd.

De ‘zweefvliegenwereld’ is klein: nog geen twintig mensen in Nederland houden zich actief bezig met deze insecten. Sander en Frank hopen met hun gids meer mensen enthousiast te krijgen. ‘Er zijn zoveel duizenden vogelaars in Nederland. Veel daarvan willen op een gegeven moment iets anders, zij gaan zich dan vaak verdiepen in vlinders, nachtvlinders of libellen. Het zou leuk zijn als wat meer mensen zich gaan bezighouden met zweefvliegen.’

Ze merken daadwerkelijk een toename aan belangstelling sinds hun gids is verschenen. Ze worden naar eigen zeggen ‘platgemaild’ door mensen met bijzondere waarnemingen. Ook zagen de auteurs spontaan Facebook- groepjes ontstaan rondom de zweefvlieg en is het aantal zweefvliegenwaarnemingen op de website Waarneming.nl verdubbeld ten aanzien van vorig jaar. ‘Voorheen hadden mensen weinig houvast bij het determineren van soorten,’ verklaart Sander. ‘Zo’n gids helpt daarbij.’

Ook om een andere reden vinden Sander en Frank dat de zweefvlieg wel wat meer waardering verdient: zweefvliegen zorgen – net als bijen – voor bestuiving van planten. Dat de bijen alle eer krijgen, vinden ze oneerlijk. Net als bijen, hommels en vlinders doen de zweefvliegen het in Nederland en België over het algemeen niet goed. Toch kun je in bossen juist steeds meer soorten zweefvliegen tegenkomen. Dat zijn soorten waarvan de larven leven op (dood) hout. Zij profiteren van de bomen die in Neder- landse bossen ouder worden en het dode hout dat beheerders tegenwoordig vaak laten liggen. Maar andere soorten doen het slecht, waaronder opvallend veel soorten die van bladluizen leven. Net als andere insecten lijdt de zweefvlieg waarschijnlijk ook onder de schaalvergroting van de landbouw.

Sander heeft de bosfluweelzweefvlieg gevangen – die heeft een borststuk met fluweelachtige banen. ‘Een fraai dingetje,’ zegt hij. Vandaag zijn het geen soorten die hij de moeite van het meenemen waard vindt. Hij laat zijn vingers los. Het insect spreidt zijn vleugels uit, loopt rustig naar de vingertop en vliegt soepel weg.

 

Hoe maak je een zweefvlieg blij?

Zweefvliegen houden van schermbloemen: fluitenkruid, berenklauw, zevenblad. Als je het hele seizoen schermbloemigen in je tuin hebt staan, kun je dagelijks van zweefvliegen genieten. Een vijver kan ook zweefvliegen aantrekken: daar kunnen ze uit drinken en sommige larven groeien op aan de randen van vijvers. Larven van bollenzweefvliegen en narcisvliegen zitten in plantbollen.

Mooie zweefvliegen-plekken

  • Sint-Pietersberg en Elzetterbos in Zuid-Limburg (het heuvellandschap levert veel soorten op die niet elders in Nederland voorkomen)
  • Weerribben-Wieden (lekker nat, goed voor veel soorten)
  • Veluwezoom (net wat minder droog dan de rest van de Veluwe, met veel randen met bloemen en overgangen naar vochtiger gebieden)

 

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief