leesfragment

‘Het Grote Niets’ van Nadav Vissel

0

Op zijn zevende wordt Naff verteld dat hij niet zomaar een losstaand iemand is, maar tot een volk behoort. Een volk dat recent een oorlog heeft overleefd. Dat ‘Ding’, die oorlog, krijgt iets mythisch voor Naff en hij gaat aan de haal met de verhalen die hij erover hoort. Maar dat wordt niet altijd goed ontvangen. In tegendeel. Wanneer Naff op zijn zeventiende voor een cursus ‘Schrijven over de Shoah’ naar Tel Aviv gaat, leert hij wat die geschiedenis voor hem betekent.

Lees hier het eerste hoofdstuk van Het Grote Niets, een tragikomische roman van Nadav Vissel.

Mijn zevende verjaardag

Het begon allemaal op mijn zevende verjaardag. Of eigenlijk was het al eerder. Zolang ik me kan herinneren, hing er een ‘Ding’ bij ons in de kamer. Dat het te maken had met het volk waarvan mijn ouders vonden dat we ertoe behoorden, wist ik niet, ook niet dat het specifiek hen volgde, waar ze ook heen gingen, als een zwerfhond die je ooit uit compassie een plakje worst had gegeven en die daarna nooit meer wegging.

Ik voelde al van jongs af aan dat het er was, alleen hing er een waas van geheimzinnigheid omheen. Mij werd niets verteld of uitgelegd. Dat deden ze om mij en mijn broer en kinderen in het algemeen er niet mee te belasten. Ironisch genoeg zorgde dat er juist voor dat ik ontdekte wat dat Ding was.

Het begon met een fotoboek.

Het was drie uur ’s middags. Het feestje was nog niet echt begonnen. Ik zat in de achterkamer aan het hoofdeinde van de eettafel te tekenen.

Ik was een gewone jongen, die met zijn tekenschrift rondliep, naar school ging, in de speeltuin bij ons huis speelde, die aan moeders en vaders vroeg of ze van appelmoes hielden, die vroeg of ze vaak met hun kinderen speelden of dat ze veel op hun werk waren, of ze hun weleens een klap hadden gegeven, of ze koekjes voor me hadden, hoewel ik dat eigenlijk niet mocht vragen, of hun kinderen alles zelf mochten beslissen, of alle oma’s en opa’s van hun kinderen nog wel leefden, of ze hielden van verhalen, of ik er een mocht vertellen.

Pas de volgende nacht in Parijs zou ik erachter komen wat Híj gedaan had. Dat door Hem in die tijd mensen vrij willekeurig in ovens verdwenen: tante Saar en haar huilende baby van zeven maanden, maar niet Stien van achtennegentig in die bloemenjurk van haar, die was na de oorlog vrolijk weer op komen dagen, net als mijn oma, trouwens. Ik zou te weten komen hoe ze nietsvermoedend zo’n ‘kamer’ in gedreven werden, dat iedereen met de deur gesloten tevergeefs voor zijn leven vocht, voeten op hoofden, in de ijle hoop boven nog een zuchtje lucht te vinden. En ik wist dat sommigen familie van me waren en dat het daarom al helemaal niet mocht wat ik onder de dekens deed voor het slapengaan (nee, niet dát, ik was zeven): mijn ogen sluiten en hém voor me zien.

De voorkamer was intussen al aardig vol.
De voorkamer was intussen al aardig vol. Mensen bleven komen, terwijl ik probeerde te tekenen. Mijn oren deden pijn als de bel weer ging. Die had zo’n schelle tring die je hoofd binnendrong. Mijn vader opende de voordeur in de gang boven aan de trap met een drukkertje dat net zo’n agressief geluid had als de deurbel. Er klonk dan gestommel op de treden, gestamp in de gang en ten slotte klonken er voetstappen in de kamer. De gasten riepen ‘Gefeliciteerd!’ en ‘Tot zo!’ Ik keek dan even op, knikte en probeerde me weer op mijn tekening te concentreren.

De laatste twee die binnenkwamen, waren meneer en mevrouw Cohen. Meneer Cohen kwam naar me toe en keek over mijn schouder naar mijn tekening. De man rook vreemd. Mevrouw Cohen was wat schichtig en nerveus en bleef aan de andere kant van de tafel staan. Ze aaide met haar hand over een fotoboek. Als mijn moeder toen ze de kamer in kwam niet had gezien hoe mevrouw Cohen het boek streelde en ze er niet zo spastisch over had gedaan dat het daar had gelegen, was het me waarschijnlijk nooit opgevallen. Maar dat deed ze wel. Het boek lag er en ze had het gezien en ze ging tekeer tegen de mensen in de voorkamer: wie het daar had neergelegd, of ze niet wisten dat ik daar te jong voor was, of ze dachten dat het goed voor een kind was dat soort foto’s te zien, of het bij een verjaardag paste om zo’n boek te bekijken, altijd maar weer die oorlog. Ik wist niet of het de eerste keer was dat ze vergeten waren het boek voor me te verstoppen of dat het de eerste keer was dat mijn moeder er zo over tekeerging, maar het had mijn aandacht getrokken.

Op de voorkant stond een foto van mannen in zwarte pakken die in een kuil stonden. Soldaten keken vanaf de rand op ze neer. Van soldaten wist ik op die leeftijd wel wat het waren. Van de mannen in de zwarte pakken in de kuil had ik tot dat moment niets geweten, en waarom ze in een kuil hadden gestaan ook niet.

Half op tafel liggend sloeg ik het boek open. Mijn moeder stoof ernaartoe, duwde in haar haast mevrouw Cohen opzij en gaf mij een kribbig ‘Niet dat boek!’ te horen.

Soms kon ze door de kleinste dingen geïrriteerd raken. Ik wist nooit helemaal waar het vandaan kwam en ik wist ook niet hoe het kwam dat het zo’n effect op me had. Het boek schoof ze vlug in een stapel boeken die tegen de muur was gegroeid. Mijn lievelingstante, wier bijnaam Velletje was, van Vellah, kwam nietsvermoedend vanuit de gang de kamer binnen met een kaarsje, dat ze op een kastje zette in de ruimte tussen de voor- en achterkamer.

‘Jetje, Mams, Siempje,’ zei ze. Dat ‘Jetje’ zei ze in mijn moeders richting. Mams en Siempje waren mijn oma Boma en mijn andere tante.

‘Indrukwekkende tante heb je.’
Meneer Cohen boog zich nog verder over me heen, wees naar mijn tante Velletje en fluisterde: ‘Indrukwekkende tante heb je.’

‘Wat is er dan met haar?’ Vanwege zijn geur schoof ik iets opzij, hoewel ik al wist dat dat onbeleefd was.

‘Weet je wel dat je tante bij Het Nationaal Ballet gedanst heeft?’

‘Nee. Ik ben zeven.’

‘Ze was de prima donna van Rudi van Dantzig.’ Met zijn hand maakte hij een beweging die sierlijk moest lijken, alsof hij zelf een ballerina was.

‘Rudi van Dansig? Wat een toepasselijke naam,’ zei ik.

‘Jaja.’ Hij liep langs mijn tante naar de voorkamer. Oma Boma en tantje Siempje hadden zich bij mijn tante gevoegd in het middengedeelte. Mijn moeder, die bij de eettafel nog wat na had staan pruttelen, sloot zich uiteindelijk bij hen aan. Zo stonden ze beschermend om mijn lievelingstante heen, zoals een kudde olifanten met zijn jongen doet.

Het kaarsje was voor de overleden vader van mijn moeder. Dat wist ik. Die was omgekomen toen ze nog maar acht jaar oud was.

‘Waarom is opa eigenlijk dood?’ vroeg ik. ‘Eigenlijk’ vond ik het mooiste woord dat er was. Dat vind ik nog steeds, eigenlijk.

‘Naff!’ vermaande mijn moeder me.

‘Ik wil het weten. Ik ben nu zeven!’

Mijn lievelingstante gaf me antwoord terwijl ze het kaarsje aanstak.

‘Opa is in 1942 vermoord toen we op de rubberplantage woonden. De Indiërs kwamen in opstand tegen het gezag. Jouw opa dacht dat hij op moest treden in het dorp, waar van alles gaande was.’

Wat ze zei bevatte zoveel begrippen waar ik geen beeld bij had.
Wat ze zei bevatte zoveel begrippen waar ik geen beeld bij had, dat ik nog steeds niets wist. Ze glimlachte naar me, danste als een ballerina de voorkamer in en ging uit het zicht bij het verjaarsbezoek zitten. Mijn andere tante en oma Boma volgden haar, nog een beetje in zichzelf gekeerd. Ik nam aan dat dat door de herinnering aan hun vroeg gestorven vader en echtgenoot kwam. Mijn andere tante ging voor het raam op een verhuisdoos zitten. Er stonden overal dozen voor de verhuizing op maandag, als we terug waren uit Parijs.

Het was mijn eerste verhuizing. Mijn vader had me daarom een boekje gegeven met de titel Naff gaat naar Zaandam verhuizen. Mijn naam was met de hand in een wit vierkantje ingevuld dat daarvoor bedoeld was. In het boekje zaten foto’s van verhuiswagens, van molens en groene houten huisjes. Op de achterkant stond een hele lijst met boekjes over plaatsen waar mensen nog meer naartoe konden verhuizen.

Naast de tafel stonden tegen de muur een paar nog opgevouwen verhuisdozen, ongetwijfeld voor de stapel boeken waar mijn moeder ook dat ene boek in had geschoven. Het lag op ongeveer een derde van de stapel vanaf het bovenste boek. De foto op de voorkant liep door over de rug. Een zwarte mouw was zichtbaar.

‘Naff, waar staar je naar?’

Mijn moeder kwam mijn kant op.

‘Niets,’ zei ik. ‘Gewoon.’

‘Je bent zo dromerig. Let eens op wat er in je omgeving gebeurt. Tante Saskia roept je.’

Als ik wilde nadenken, of wilde ontdekken hoe alles in elkaar stak, ging ik altijd vanzelf staren. Ik dacht altijd dat ze me dingen niet vertelden, dat ze me over het hoofd zagen, ik gewoon vergaten te vertellen wat er speelde nadat ze het aan hem verteld hadden, maar nu denk ik dat ik misschien niet altijd even goed oplette. Vaker dan ik wilde, kwamen dingen als een verrassing voor me.

‘Ga even bij de gasten zitten,’ zei mijn moeder.

Een familiefotoalbum dat ze in haar hand hield, legde ze boven op de stapel waar ze eerder het fotoboek ingestoken had.

‘Ik ga even thee maken,’ zei ze toen.

Het geelwitte wollige tafelkleed voelde als een kriebeltrui aan mijn hand. Ik probeerde te bepalen wat het beste moment zou zijn om het boek met de foto’s van die mannen in de kuil uit de stapel te trekken en in mijn tas voor Parijs te stoppen.

‘Wat zit je daar op je eigen verjaardag in je eentje voor je uit te staren, Naffie?’
‘Wat zit je daar op je eigen verjaardag in je eentje voor je uit te staren, Naffie?’ riep tante Saskia vanuit de voorkamer naar me.

Ik haalde mijn schouders op.

‘De beste gedachten komen in je op als je alleen bent,’ gilde ik terug.

Daar moest ze om lachen.

‘Kleine wijsneus. Kom hier.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief