leesfragment

‘Het mes’ van Jo Nesbo

De briljante, onnavolgbare politieagent Harry Hole is terug en in de greep van de moordenaar die hem al zijn hele loopbaan achtervolgt.

Wanneer Harry Hole op een dag in zijn appartement ontwaakt na een nacht vol alcohol, ontdekt hij dat hij besmeurd is met bloed. Het is het begin van een nachtmerrie. Is hij nu zelf een moordenaar?

Het mes  is de nieuwste Harry Hole-thriller van Jo Nesbo, en ligt nu in de boekhandel. Lees hieronder alvast een stukje, als je durft…

Hoofdstuk 1

Een rafelige jurk danste aan een tak van een verrotte den. Het deed de oude man denken aan een liedje uit zijn jeugd, over een jurk aan een waslijn. Maar deze jurk danste niet in de zuidenwind, maar in het ijskoude smeltwater van de rivier. Op de rivierbodem was het helemaal stil en hoewel het vijf uur in de middag was, maart en de hemel boven het wateroppervlak volgens het weerbericht wolkeloos, bleef er niet veel over van het zonlicht dat gefilterd werd door de ijslaag en vier meter water. Daarom bevonden de den en de jurk zich in een wonderlijk groen schemerdonker. Het was een zomerjurk, had hij vastgesteld, vaalblauw. Misschien had de jurk ooit een heldere kleur gehad, hij wist het niet, het hing er vanaf hoelang de jurk al gevangen werd gehouden door de tak. En nu wapperde de jurk in de stroom die nooit stopte, hij werd gewassen, gestreken als het water langzaam stroomde en er werd aan gesjord als de stroming sterk was. Maar uiteindelijk zou de jurk aan stukken worden getrokken. Zo bekeken was de rafelige jurk net als hij, dacht de oude man. Ooit was de jurk iets geweest voor iemand, voor een meisje of een vrouw, voor de blik van een andere man of voor kinderarmen. Maar nu was de jurk, net als hij, verloren, zoek, zonder functie, gevangen, tegengehouden, stom. Het zou slechts een kwestie van tijd zijn voor de stroom het laatste stukje van wat ooit was geweest stukgetrokken zou hebben.

Het zou slechts een kwestie van tijd zijn voor de stroom het laatste stukje van wat ooit was geweest stukgetrokken zou hebben.
‘Waar kijkt u naar?’ hoorde hij een stem achter zijn stoel zeggen. Hij negeerde de pijn in zijn spieren, draaide zijn hoofd en keek op. En stelde vast dat het een nieuwe klant was. De oude man vergat meer dan vroeger, maar nooit het gezicht van iemand die bij Simensen Jacht & Hengelsport binnen was geweest. Deze klant wilde geen wapen of munitie. Met een beetje training kon je aan de blikken zien of ze bij dat deel van de mensheid hoorden bij wie het moordinstinct was verdwenen, de groep planteneters die niet het geheim van de andere groep deelde, namelijk dat niets een man meer het gevoel gaf intens te leven dan een kogel in een groot, warm zoogdier te jagen. De oude man gokte dat deze klant kunstaas of een van de hengels wilde kopen die boven en rondom het grote televisiescherm hingen. Of misschien een van de wildcamera’s die aan de andere kant van de winkel te vinden waren.

‘Hij kijkt naar de Haglebuelv,’ antwoordde Alf. Zijn schoonzoon was naar hen toe gekomen. Hij stond op en neer te wippen op zijn hakken terwijl zijn handen in de zakken zaten van het lange, leren jachtvest dat hij altijd droeg op zijn werk. ‘We hebben vorig jaar samen met de cameraproducent een onderwatercamera geïnstalleerd. Nu hebben we vierentwintig uur een live-uitzending van de zalmtrap bij Norafossen en op die manier kunnen we zien wanneer de vis tegen de rivier op gaat zwemmen.’

‘En wanneer is dat?’

‘In april en mei komen de eerste, maar de grootste invasie begint niet eerder dan juni. Forel schiet eerder kuit dan zalm.’

De klant glimlachte naar de oude man. ‘Dan bent u er een beetje te vroeg bij, of niet? Of hebt u al vis gezien?’

De oude man opende zijn mond, hij dacht de woorden, hij was ze niet vergeten. Maar er kwam niets. Hij sloot zijn mond weer.

‘Afasie,’ zei Alf.

‘Wat?’

‘Een beroerte, hij kan niet praten. Bent u op zoek naar visgereedschap?’

‘Een wildcamera,’ zei de klant.

‘Dus u bent een jager?’

‘Een jager? Nou nee. Ik heb vlak bij mijn zomerhuis in Sørkedalen uitwerpselen gevonden en die leken niet op wat ik eerder heb gezien. Dus ik heb er een foto van gemaakt, die op Facebook gezet en gevraagd of iemand wist van welk beest ze afkomstig waren. Ik kreeg vrijwel onmiddellijk van verscheidene wildkenners antwoord. Beer, beer! Een halfuur rijden van het centrum van Oslo en twintig minuten door het bos.’

‘Dat is geweldig.’

Ik wil dat iemand dat beest afschiet.
‘Het is maar wat je geweldig noemt. Zoals gezegd is het vlak bij mijn vakantiehuisje. Ik kom daar met mijn gezin. Ik wil dat iemand dat beest afschiet.’

‘Ik ben zelf jager dus ik begrijp wat u bedoelt, maar u weet zelf vast ook dat in de laatste honderd jaar, in de tijd dat er nog veel beren waren in Noorwegen, er zelden iemand werd aangevallen.’

Elf, dacht de oude man. Elf mensen sinds 1800. De laatste in 1906. Hij mocht dan zijn spraakvermogen zijn kwijtgeraakt en in een rolstoel zitten, maar hij kon over het algemeen nog helder nadenken. Af en toe was hij wat in de war en soms zag hij zijn schoonzoon en dochter Mette een blik wisselen en dan begreep hij dat hij ernaast zat. Nadat zij de winkel hadden overgenomen, die de oude man was begonnen en vijftig jaar had gerund, had hij flink kunnen meehelpen. Maar nu, na de laatste beroerte, zat hij hier alleen maar. Niet dat dat zo erg was. Nee, nadat Olivia was overleden stelde hij niet meer zulke hoge eisen aan het leven. Het was voor hem voldoende om in de buurt van zijn familie te zijn, elke dag een warme maaltijd te krijgen, in deze stoel in de winkel te zitten en naar het televisiescherm te kijken. Naar het eeuwigdurende programma zonder geluid en waar alles in een eigen tempo ging, waar het tijdstip waarop de eerste vis de zalmtrap op zwom om kuit te schieten het enige dramatische hoogtepunt was.

‘Aan de andere kant betekent dat niet dat het niet een keer kan gebeuren.’ De oude man hoorde de stem van Alf die de klant naar de kast met wildcamera’s had meegenomen. ‘Als dat beest er niet uit had gezien als een teddybeer dan zouden alle vleeseters hem allang hebben uitgeroeid. Dus logisch dat je een wildcamera aanschaft zodat je erachter kunt komen of de beer in de buurt van je vakantiehuisje zit of alleen toevallig voorbij is gelopen. De bruine beer komt op het moment trouwens uit zijn winterslaap en dan hebben ze honger. Dus installeer je camera in de buurt van die uitwerpselen of bij je huisje.’

‘De camera zit in dat nestkastje?’

‘Dat nestkastje, zoals jij het noemt, beschermt de camera tegen weer en wind en vernielzuchtige beesten. Dit is een simpele en vrij goede camera met een fresnellens die infrarode stralen, zoals warmte afgegeven door een beest of mens, en andere dingen registreert. Wanneer de warmte afwijkt van de omgeving, wordt het filmen automatisch gestart.’

Hij kon niet zien waardoor het kwam, maar het groene halfdonker had een lichtere kleur gekregen.
De oude man luisterde met een half oor naar het gesprek want iets op het televisiescherm had zijn aandacht gevangen. Hij kon niet zien waardoor het kwam, maar het groene halfdonker had een lichtere kleur gekregen.

‘De film wordt op de usb-stick in de camera opgeslagen, later kun je die afspelen op je pc.’

‘Dát is geweldig.’

‘Ja, maar je moet zelf naar de camera toe om te kijken of er beelden zijn. Als je voor een wat duurder model gaat, krijg je elke keer dat er is gefilmd een tekstbericht op je mobiel. En dan is er nog het topmodel dat ook een usb-stick heeft, maar bovendien de opname direct naar je mobiel of e-mailadres stuurt. Dan kun je lekker in huis blijven zitten en hoef je alleen af en toe de accu te vervangen.’

‘En wat nu als de beer ’s nachts komt?’

‘De camera’s hebben allemaal Black led Light of White. Onzichtbaar licht dat het dier niet weg zal jagen.’

Licht. De oude man zag het nu. Het was een lichtbundel die van rechts stroomopwaarts kwam en die zich door het groene water boorde, op de jurk scheen en een akelig moment dacht hij dat het meisje eindelijk tot leven was gewekt en nu danste van blijdschap.

‘Dat is toch pure sciencefiction!’

Een persoon die half zat en half stond op de bestuurdersstoel terwijl hij wanhopig tegen het dak duwde, kennelijk om lucht te happen.
De oude man opende zijn mond toen hij een ruimtevaartuig in beeld zag verschijnen. Het was van binnen verlicht en zweefde anderhalve meter boven de rivierbodem. Het stootte tegen een grote steen in de rivier en in slow motion draaide het om terwijl de koplampen over de bodem schenen en de oude man een ogenblik verblindden omdat het licht de lens trof. Toen werd het zwevende vaartuig gevangen door dikke takken en kwam het tot stilstand. De oude man voelde zijn hart in zijn borst bonzen. Het was een auto. De binnenverlichting was aan en hij kon zien dat de auto bijna tot aan het dak was gevuld met water. En er zat iemand in. Een persoon die half zat en half stond op de bestuurdersstoel terwijl hij wanhopig tegen het dak duwde, kennelijk om lucht te happen. Een van de verrotte takken die de auto tegenhield brak af en dreef weg met de stroom.

‘Je krijgt niet zulke scherpe en heldere beelden als overdag en ze zijn in zwart-wit, maar als er geen dauw op de lens zit of iets anders dan kun je de beer goed zien.’ De oude man stampte op de vloer in een poging Alfs aandacht te trekken. De persoon in de auto leek diep adem te halen en naar beneden te duiken. Het korte haar golfde en zijn wangen waren bol. Hij sloeg met beide handen tegen het zijraam waarop de camera was gericht, maar het water in de auto maakte de klappen krachteloos.

De oude man had zijn handen op de armleuningen gezet en probeerde zich op te duwen uit de stoel, maar zijn spieren wilden niet doen wat hij ze vroeg. Hij zag dat de middelvinger van de ene hand van de man grijskleurig was. De man was gestopt met slaan en stootte met zijn hoofd tegen de voorruit. Het leek wel of hij het opgaf. Er brak een tak af en de stroom rukte en trok om de auto los te krijgen, maar de den wilde nog niet loslaten. De oude man staarde naar het getekende gezicht tegen de ruit. Blauwe, uitpuilende ogen. Een litteken dat een leverkleurige boog tekende van zijn mondhoek naar het ene oor. De oude man was uit de stoel gestapt en zette twee wankele stappen in de richting van de wildcamera’s.

‘Neem me niet kwalijk,’ zei Alf zacht tegen de klant. ‘Wat is er, vader?’

De oude man gebaarde naar de televisie achter hem.

‘Echt?’ zei Alf vol ongeloof en hij liep met snelle passen langs de oude man om naar de beelden te kijken. ‘Vis?’

De oude man schudde zijn hoofd en draaide zich om naar het scherm. De auto was weg. Alles was weer zoals eerst. De rivierbodem, de dode dennenboom, de jurk, het groene licht door het ijs. Alsof er niets was gebeurd. De oude man stampte weer op de grond en wees naar het scherm.

‘Rustig maar, vader,’ zei Alf en hij klopte hem vriendelijk op zijn schouder. ‘Het is te vroeg om kuit te schieten, dat weet je.’ Hij liep terug naar de klant en de wildcamera’s.

De oude man keek naar de twee mannen die met hun rug naar hem toe stonden en hij voelde de wanhoop en razernij door hem heen spoelen.
De oude man keek naar de twee mannen die met hun rug naar hem toe stonden en hij voelde de wanhoop en razernij door hem heen spoelen. Hoe moest hij uitleggen wat hij zojuist had gezien? De dokter had gezegd dat bij schade aan het voorste en achterste deel van de linkerhersenhelft niet alleen het spraakvermogen getroffen werd, maar ook alle andere manieren van communiceren. Niet meer kunnen schrijven. Hij strompelde weer terug naar zijn stoel en ging zitten. Keek naar de rivier die onverstoorbaar, gestadig en onveranderlijk stroomde. En na een paar minuten voelde hij dat zijn hart weer rustiger werd. Wie weet, misschien was het niet gebeurd. Misschien was het slechts de volgende stap in de totale duisternis van de ouderdom geweest. Of, in dit geval, de kleurrijke wereld van hallucinaties. Hij keek naar de jurk. Een ogenblik, toen die werd verlicht door de koplampen, had het geleken of Olivia erin danste. En het gezicht dat hij in de auto achter de ruit had gezien, had hij herkend. En de enige gezichten die hij zich nog kon herinneren waren van mensen die in de winkel waren geweest. Deze man had hij hier twee keer gezien. De blauwe ogen, het leverkleurige litteken. Beide keren had hij een wildcamera gekocht. De politie was hier onlangs geweest en had vragen over hem gesteld. De oude man had aangegeven dat het een lange man was. En hij had die blik gehad. De blik dat hij het geheim kende en dat betekende dat hij geen planteneter was.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief