leesfragment

‘In het niets’ van Christian White

Een klein meisje verdween jaren geleden. Dat kind ben jij. Hoe ver zou jij gaan om de waarheid te achterhalen?

In het niets is de debuutthriller van Christian White en wordt alom geprezen als de nieuwe thrillersensatie uit Australië. White won met zijn manuscript de Victorian Premier’s Literary Award for an Unpublished Manuscript, een prijs die eerder gewonnen werd door Jane Harpers De droogte en Het Rosie project. Nu is de razend spannende thriller van White ook in het Nederlands verkrijgbaar.

Kan je niet wachten om te beginnen met lezen? Ontdek hier dan alvast de eerste pagina’s van In het niets!

Melbourne, Australië

Nu

‘Vindt u het goed als ik bij u kom zitten?’ vroeg de vreemdeling. Hij was ergens in de veertig, een verlegen, knappe man met een Amerikaans accent. Hij droeg een gladde, natte parka en felgele gympen. De schoenen waren vast nieuw, want ze piepten als zijn voeten bewogen. Zonder een antwoord af te wachten ging hij bij mij aan tafel zitten en zei: ‘U bent toch Kimberly Leamy?’

Ik zat tussen twee lessen in, op Northampton Community TAFE, waar ik drie avonden per week fotografieles gaf. Normaal gesproken gonsde de cafetaria van de studenten, maar vanavond was het er griezelig, postapocalyptisch leeg. Het had al bijna zes dagen achtereen geregend, maar de dubbele ramen sloten het geluid buiten.

Ik was altijd al een fervent lezer geweest, ik las het liefst horrorverhalen.
‘Zeg maar Kim,’ zei ik, en ik voelde me lichtelijk gefrustreerd. Mijn pauze was bijna afgelopen en ik had een beduimeld exemplaar van Stephen Kings Dodenwake gevonden – het stond tegen een tafelpoot in de personeelskamer – dat ik aan het verslinden was. Ik was altijd al een fervent lezer geweest, ik las het liefst horrorverhalen. Mijn jongere zus, Amy, kon het niet uitstaan als ik drie boeken uit had in dezelfde hoeveelheid tijd die zij voor één nodig had. Het geheim van snel lezen is een saai leven, zei ik een keer tegen haar. Amy had een verloofde en een dochtertje van drie, ik had Stephen King.

‘Mijn naam is James Finn,’ zei de man. Hij legde een manilla map tussen ons op tafel en sloot even zijn ogen, als een olympische duiker die zich mentaal voorbereidt op de sprong.

‘Bent u docent of student?’ vroeg ik.

‘Eigenlijk geen van beiden.’

Hij opende de map, haalde er een foto van twintig bij vijfentwintig centimeter uit en schoof hem over de tafel. Zijn bewegingen hadden iets mechanisch. Elk gebaar was afgemeten en doelbewust.

Op de foto stond een klein meisje op een welig groen grasveld, met donkerblauwe ogen en een wilde bos donker haar. Ze glimlachte, maar het was een plichtmatige glimlach, alsof ze het beu was om gefotografeerd te worden.

‘Komt ze u bekend voor?’ vroeg hij.

Misschien kwam ze me nu wel bekend voor.
‘Nee, ik geloof het niet. Moet dat dan?’

‘Zou u nog een keer willen kijken?’

Hij leunde in zijn stoel naar achteren en sloeg mijn reactie nauwlettend gade. Om hem een plezier te doen, keek ik nogmaals naar de foto. De blauwe ogen, het overbelichte gezicht, de glimlach die eigenlijk geen glimlach was. Misschien kwam ze me nu wel bekend voor. ‘Ik weet het niet. Sorry. Wie is ze?’

‘Ze heet Sammy Went. Deze foto is op haar verjaardag genomen. Drie dagen later was ze verdwenen.’

‘Verdwenen?’

‘Meegenomen uit haar huis in Manson, Kentucky. Zo uit haar slaapkamer op de eerste verdieping. De politie heeft geen bewijs van een indringer gevonden. Er waren geen getuigen, er was geen losgeldbriefje. Ze is gewoon verdwenen.’

‘Volgens mij moet u Edna hebben,’ zei ik. ‘Zij doceert criminologie en rechten. Ik ben maar een docente fotografie, Edna leeft echter voor dit soort true crime.’

‘Ik ben hier voor u,’ zei hij, en hij schraapte zijn keel voor hij vervolgde: ‘Sommige mensen dachten dat ze naar de bossen was afgedwaald en door een coyote of bergleeuw was gegrepen, maar hoe ver kan een tweejarig kind afdwalen? Het ligt het meest voor de hand dat Sammy ontvoerd is.’

‘… Oké. Dus u bent een detective?’

‘Eigenlijk ben ik accountant.’ Hij ademde diep uit en ik rook de vleug kruizemunt in zijn adem. ‘Maar ik ben in Manson opgegroeid en ken de familie Went heel goed.’

Mijn les zou over vijf minuten beginnen, dus keek ik nadrukkelijk op mijn horloge. ‘Wat erg van dat meisje, maar ik ben bang dat ik naar mijn les moet. Natuurlijk wil ik graag helpen. Wat voor soort donatie had u in gedachten?’

Ik geloof dat u… met dit alles in verband staat.
‘Donatie?’

‘Bent u hier dan niet om geld in te zamelen voor de familie? Daar gaat het hier toch om?’

‘Ik hoef uw geld niet,’ zei hij koeltjes. Hij staarde me met een gespannen, merkwaardige uitdrukking aan. ‘Ik ben hier omdat ik geloof dat u… met dit alles in verband staat.’

‘In verband met de ontvoering van een meisje van twee?’ Ik lachte. ‘U gaat me toch niet vertellen dat u helemaal uit de VS bent gekomen om me van kidnapping te beschuldigen?’

‘U begrijpt het verkeerd,’ zei hij. ‘Dit kleine meisje is op 3 april 1990 verdwenen. Ze wordt al achtentwintig jaar vermist. Ik denk niet dat u Sammy Went hebt ontvoerd. Ik denk dat u Sammy Went bént.’

 

Er zaten zeventien studenten in mijn fotografieklas, een mix van leeftijd, ras en geslacht. Aan de ene kant van het spectrum bevond zich Lucy Cho, kersvers van de middelbare school, die nog een hoody droeg met op de rug een embleem van het Mornington Secondary College. Aan het andere uiteinde zat Murray Palfrey, een vierenzeventigjarige gepensioneerde die de gewoonte had om zijn knokkels te laten kraken voordat hij zijn hand opstak.

Het was presentatieavond: studenten moesten voor de klas de foto’s laten zien die ze gedurende het semester hadden genomen en erover vertellen. De meeste presentaties waren niet erg spannend. Technisch was het meestal wel in orde, een teken dat ik in elk geval íéts goed deed, maar de onderwerpen waren overwegend hetzelfde als die van de presentaties van het vorige semester, en ook van het semester daarvoor. Ik zag dezelfde graffiti op dezelfde bouwvallige bakstenen muur; dezelfde met ranken overwoekerde hut in Carlton Gardens; dezelfde donkere en spookachtige hemelwaterafvoerpijp waaruit smerig bruin water de rivier de Egan in sijpelde.

Het grootste deel van de les deed ik op de automatische piloot.

Ik was van streek na de ontmoeting met de Amerikaanse accountant.
Ik was van streek na de ontmoeting met de Amerikaanse accountant, maar niet doordat ik geloofde wat hij had gezegd. Je kon een hoop van mijn moeder Carol Leamy zeggen – waaronder het feit dat ze al vier jaar dood was – maar ze was niet iemand die kinderen kidnapte. Je hoefde mijn moeder maar een minuut mee te maken om te weten dat ze niet eens kon liegen, laat staan dat ze een kind kon ontvoeren en het land uit kon smokkelen.

James Finn vergiste zich wat mij betrof, en ik wist eigenlijk wel zeker dat hij dat kleine meisje nooit zou vinden, maar hij had me een ongemakkelijke waarheid in herinnering gebracht: controle is een illusie. Sammy Wents ouders hadden dat door bittere ervaring geleerd doordat ze een kind hadden verloren. Ik had het ook door bittere ervaring geleerd, door de dood van mijn moeder. Dat was relatief gezien snel gegaan: ik was vierentwintig toen ze de diagnose kanker kreeg en zesentwintig toen ze eraan overleed.

In mijn ervaring reageren de meeste mensen op zoiets met de opmerking ‘Alles gebeurt met een reden’ of ‘De chaos regeert’. Er zijn natuurlijk variaties: ‘Gods wegen zijn ondoorgrondelijk’ en ‘Het leven is klote’. Voor mij gold het laatste. Mijn moeder heeft nooit gerookt en ook niet in een textielfabriek gewerkt. Ze at goed en deed aan lichaamsbeweging, en uiteindelijk maakte dat dus totaal nul verschil.

Ergo: controle is een illusie.

Ik besefte dat ik me al dagdromend een weg door de presentaties baande, dus ik sloeg een kop koude koffie achterover en probeerde bij de les te blijven.

Simon Daumier-Smith was aan de beurt om zijn werk te laten zien. Simon was een verlegen joch van begin twintig, dat wanneer hij praatte meestal naar zijn voeten staarde. Als hij opkeek, draaide zijn luie oog achter zijn leesbril als een vis rond.

Hij was enige tijd onhandig bezig om een serie foto’s op de schildersezel voor in de klas neer te zetten. De andere studenten begonnen rusteloos te worden, dus ik vroeg Simon om alvast over zijn foto’s te beginnen terwijl hij die nog aan het rangschikken was.

De andere studenten begonnen rusteloos te worden.
‘Eh, ja, natuurlijk, oké,’ zei hij, terwijl hij met een van de foto’s worstelde. Die wist aan zijn hand te ontsnappen en Simon joeg er over de vloer achteraan. ‘Oké, ik weet dat het de bedoeling was dat we, eh, naar een nevenschikking zochten en, eh, nou ja, eigenlijk weet ik niet of ik wel goed heb begrepen wat dat is, of whatever.’ Hij zette de laatste foto op de ezel en deed een stap achteruit zodat de klas ze kon zien. ‘Ik denk dat je zou kunnen zeggen dat deze serie een nevenschikking tussen lelijkheid en schoonheid laat zien.’

Tot mijn volslagen verrassing bleek de fotoserie van Simon Daumier-Smith… adembenemend.

Er waren in totaal zes foto’s, stuk voor stuk precies hetzelfde gekaderd. Hij moest de camera op een statief hebben gezet en om de paar uur een foto hebben genomen. De compositie was strak en simpel: een bed, een vrouw en haar kind. De vrouw was van Simons leeftijd, met een pokdalig, maar mooi gezicht. Het kind was een jaar of drie, met onnatuurlijk rode wangen en een ziek, gefronst voorhoofd.

‘Ik heb ze allemaal in één nacht genomen,’ legde Simon uit. ‘De vrouw is mijn vrouw, Joanie, en dat is onze kleine meid, Simone. Ze is trouwens niet naar mij genoemd. Veel mensen denken dat we haar naar mij hebben genoemd, maar Joanie had een oma die Simone heette.’

‘Vertel eens wat meer over de serie, Simon,’ zei ik.

‘Oké, eh, Simone was dus de hele nacht wakker vanwege een gierende hoest en ik denk dat ze zich behoorlijk druk maakte, dus toen is Joanie ’s nachts bij haar gaan liggen.’

Op de eerste foto lag de moeder als een lepeltje tegen haar kind aan. Op de tweede was het kleine meisje wakker en huilde, terwijl ze zich van haar moeder afduwde. Op de derde leek het alsof Simons vrouw er genoeg van had dat ze werd gefotografeerd. En zo ging de reeks door tot de zesde foto, waar zowel moeder als kind diep in slaap was.

‘Waar is de lelijkheid?’ vroeg ik.

‘Waar is de lelijkheid?’ vroeg ik.
‘Nou, eh, ziet u, op deze ligt de kleine Simone, ah, het jongere personage, te kwijlen. En wat je natuurlijk niet op de foto kunt zien, is dat op deze mijn vrouw als een idioot ligt te snurken.’

‘Ik zie geen lelijkheid,’ zei ik. ‘Ik zie iets… van alledag. Maar het is prachtig.’

Simon Daumier-Smith zou nooit een professioneel fotograaf worden. Dat wist ik bijna zeker. Maar met deze serie, simpel getiteld Ziek meisje, had hij iets oprechts, iets waarachtigs gecreëerd.

‘Gaat het wel, miss Leamy?’ vroeg hij.

‘Kim,’ bracht ik hem in herinnering. ‘En het gaat prima. Waarom vraag je dat?’

‘Nou, u, eh… U huilt.’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief