leesfragment

‘Lava’ van Yrsa Sigurdardóttir

Op een lavaveld net buiten Reykjavik staat de Gallow Rock: een plek waar ooit misdadigers werden geëxecuteerd. Nu is het een toeristische bezienswaardigheid. Tot het moment dat er opnieuw een lichaam wordt gevonden. Wanneer de politie het appartement van de man bezoekt, wacht hun nog een raadsel: een jongetje is er alleen achtergelaten.
Terwijl Huldar op de moordenaar jaagt en Freyja op zoek gaat naar de ouders van de jongen, ontvouwt zich een verhaal van geweld en wraak.

Lees hier alvast het eerste hoofdstuk van Lava, de nieuwste thriller van Yrsa Sigurdardóttir!

Hoofdstuk 1

Er klonk geknars in de donkere auto, alsof ze over steenslag reden. Daarna stopte hij nogal abrupt en hield het geluid op. Helgi rolde naar voren over de achterbank en voelde een steek in zijn wang toen deze over de stinkende, grove bekleding schuurde. Het was niet zijn auto. Hij opende een oog en bekeek de rotzooi op de vloer: een paar gedeukte blikjes, een gekreukte chipszak en gebruikte servetjes, twee geknakte sigaretten en een hotdogzakje. Wat waren taxi’s tegenwoordig smerig. Of was dit geen taxi? Was hij bij iemand ingestapt? Gewoon in de Lækjargata in een auto gesprongen? Het zou niet de eerste keer zijn dat een dronken Helgi precies dat deed wat een nuchtere Helgi zich nooit in zijn hoofd zou halen.

Het lukte hem niet meer om na te denken. Hij had een barstende koppijn en zijn maag kwam vanzelf in opstand. Hij was niet in staat om overeind te komen; de zure gal zou op de stoel terechtkomen als hij overgaf. Aan de stank te oordelen was het niet de eerste keer dat zoiets gebeurde in deze onbekende auto. Wat had hij in godsnaam gedronken? Meestal hield hij zich verre van rotzooi die dergelijke gevolgen had. Het was duidelijk dat er alcohol in het spel was. Hij kende het heel goed, de gevoelloosheid en de onmogelijkheid om je omstandigheden te herkennen. Het was alleen wel een paar jaar geleden dat het hem was overkomen.

Toen hij het niet meer kon tegenhouden, slaagde Helgi er met een uiterste krachtsinspanning in zijn hoofd over de rand van de stoel te brengen, zodat zijn zure maaginhoud op de vloer belandde. Door die toevoeging werd de rommel die daar lag zo weerzinwekkend dat Helgi zijn ogen sloot. Vanaf de voorbank hoorde hij iemand kreunen en hardop vloeken. Hij had er geen heldere geest voor nodig om te begrijpen wat dat betekende. Niemand wilde dat er in zijn auto werd gekotst.

Het vloeken stopte, de voordeur van de auto ging met een metalige klik open en werd toen weer dichtgegooid. Het knarste weer op het grind, nu zachter dan eerst. Toen ging de deur bij Helgi’s hoofd open en stroomde er frisse, koude lucht naar binnen. De misselijkheid werd minder en de hoofdpijn nam ook iets af. Het beste gevoel ter wereld. Hij kon er alleen niet lang van genieten. De greep om zijn schouders was muurvast en er werd hard aan hem getrokken. Helgi wilde schreeuwen dat je zoiets niet met hem kon doen, maar er kwam geen geluid. Het was alsof de spieren tussen zijn spraakcentrum en zijn tong waren doorgeknipt. Zijn gedachten werden weer verward en raakten in de knoop.

Een boze stem gebood Helgi uit te stappen.
Een boze stem gebood Helgi uit te stappen. Waarschijnlijk wilde de chauffeur hem kwijt na het overgeven. Tot zijn eigen grote verbazing gehoorzaamde Helgi. Hij was helemaal niet van plan geweest om overeind te komen, maar zijn ledematen en spieren namen het over en hun gemeenschappelijke inspanning eindigde ermee dat hij naast de auto stond. Hij ademde diep in en de frisse buitenlucht smaakte nog beter dan toen hij door de geopende deur de auto was binnengestroomd. De maan was vol, de hemel helder en het vroor dat het kraakte. Het was goed om te leven. Hij boog zijn hoofd achterover en wilde de nachtelijke hemel bewonderen, maar verloor zijn evenwicht en vond dat niet meer terug. Dezelfde handen die aan hem hadden getrokken grepen hem vast toen hij begon te vallen. Helgi kon die hulp wel waarderen, want het grind waarnaar hij nu draaierig staarde was grof en vast niet fijn om op terecht te komen.

Toen hij niet langer wankelde en eindelijk een beetje rechtop bleef staan, werd hij geduwd en kreeg hij te horen dat hij moest lopen. Weer gehoorzaamde zijn lichaam zonder dat Helgi daar toestemming voor gegeven had. Het verbaasde hem dat de man niets over het overgeven had gezegd. Het was een bijzonder vreemde zaak, maar hij kon zich niet genoeg concentreren om uit te vinden wat er nu eigenlijk precies aan de hand was. Het lag nog het meest voor de hand dat hij vastzat in zo’n droom waarin je in een afgrond viel en waaruit je schreeuwend wakker werd. In een droomwereld kon van alles gebeuren.

Het grove grind verdween onder zijn voeten en in plaats daarvan verschenen er schapenpaadjes die over een ruw, maar begroeid lavaveld liepen. Helgi staarde naar de grond voor zich, hij was nog met zijn gedachten bij die vreselijke afgrond. Hij had de grootste moeite om op de nauwe paadjes te blijven, die net zo slingerden als hijzelf. Hij liep naar beneden en degene die hem stuurde, liep vlak achter hem. Elke keer als Helgi het lavaveld op dreigde te struikelen of stilstond om zijn evenwicht te bewaren, kreeg hij weer een zet. Helgi wilde tegen die man zeggen dat hij dat niet met opzet deed, maar hij kon niet praten. De weg ging soms een eindje omhoog en dan weer omlaag. Hij liep door begroeide dalletjes tussen lavamuren door die in de zomer rustplaatsen waren, maar nu onherbergzaam en weinig aantrekkelijk. Hij had het gevoel dat hij het hier kende en begon een beetje om zich heen te kijken. Hij zag waar de lava eindigde, bij de zee vlak voor hen; die was zwart in de nachtelijke duisternis en glinsterde onder het schijnsel van de maan. De kust riep herinneringen op aan zijn jeugd, toen hij met zijn opa naar een strand ging dat hierop leek. Vrijwel gelijk. Ze waren achter twee eiders aan gegaan, die wegvlogen toen ze hen zagen. Zijn opa was naar de plek gegaan waar de vogels hadden gezeten en had een nest gevonden. Twee grote, blauwe eieren in bruinachtig dons. Helgi had het dons aangeraakt met zijn vinger en het voelde als een zachte luchtstroom in plaats van iets tastbaars. Toen hij overeind kwam, wees zijn opa hem op de meeuwen die een grote kring om hen heen hadden gevormd terwijl hij het nest bewonderde. Ze waren zo ver weg dat hun omsingeling nog niet dreigend was, maar ze kwamen geleidelijk aan dichterbij. De een na de ander. Toen Helgi’s opa hem vertelde waarom ze dat deden, wilde hij ze het liefst met stenen doodgooien.

Het was een afschuwelijke patstelling en hij was jammer genoeg net oud genoeg om het te begrijpen.
Het was een afschuwelijke patstelling en hij was jammer genoeg net oud genoeg om het te begrijpen. Als ze stil bleven staan, zouden de meeuwen niet bij de eieren kunnen komen. De eiders echter ook niet. De eieren zouden afkoelen en de jongen zouden doodgaan. Als ze weggingen, zouden de eiders terugkomen, maar het nest zou lang genoeg onbewaakt zijn om de meeuwen te kunnen laten toeslaan. Uiteindelijk zei Helgi’s opa dat hij moest doorlopen, maar hij ging zelf nog even terug in de hoop dat de eiders terug zouden komen om de eieren te redden. Ze waren nergens te bekennen. In ieder geval niet voordat ze de plek uit het oog verloren. Hij zou dus nooit weten hoe het met de eieren was afgelopen.

Nu was het winter en er waren geen eieren in nesten, op vrijwel geen enkel strand. Of dons. Dat was allemaal verzameld, schoongemaakt, in dekbedden gestopt en aan rijke buitenlanders verkocht. Helgi kreeg een harde duw en hij besefte dat hij niet langer over de zee uitkeek. Hij kwam weer in beweging en volgde de bochtige paadjes. Het pad voerde weer omhoog en even later kreeg hij de opdracht stil te staan, wat hij ook deed. Goh, wat was hij opeens braaf, zeg.

Hij keek weer omhoog en staarde verwonderd naar twee hoge zwarte kliffen die nog het meest deden denken aan de set van The Lord of the Rings. Tussen twee lavazuilen in lag een dikke, zware plank, als een loopbrug. Had zijn droom hem naar Mordor geleid? Voordat hij tot een sluitende conclusie kon komen, werd hij opnieuw geduwd, nu in de richting van de klif. Deze was overdekt met verdord gras van de afgelopen zomer. Een week geleden was het nog gemakkelijk geweest om hem te beklimmen en Helgi deed wat hem werd opgedragen. Hij stopte ook weer toen dat werd gezegd en hij bij een richel was gekomen die uit de smalle doorgang tussen de kliffen uitkraagde, vlak onder de top. Hij stond daar en keek uit over de prachtige zee, die er onschuldig en goed bedoelend bij lag. Het was een volmaakte illusie.

Helgi wankelde op zijn voeten en was zich ervan bewust dat hij uiteindelijk zou vallen. Om de een of andere reden wekte dat geen enkele angst bij hem op. Het was ook niet zo verschrikkelijk hoog en bovendien was het toch maar een droom. Of niet? Afgronden waren in zijn dromen bodemloos. Je keek niet neer op dorre grasbanken en lavarotsen, zoals hier.

Helgi werd omgedraaid zodat hij wist wie hem had voortgeduwd. Hij zag een man, maar kon zijn gezicht niet onderscheiden, omdat hij een doek voor zijn mond en neus had gebonden. Je zag wel zijn grijze ogen die helemaal niet vriendelijk keken. Daarom sloeg Helgi snel zijn ogen neer en staarde naar de handen van de man. Naar het zwart-gele stuk gereedschap dat hij in zijn rechterhand hield. Met zijn linker greep hij Helgi bij zijn dichtgeknoopte jasje en trok hem naar zich toe. Toen maakte hij de bovenste knoopjes los, haalde een wit, beschreven blad uit zijn zak en legde dat op Helgi’s borst. Hij keek omlaag en probeerde te lezen wat er stond, maar de letters dansten. Onder betere omstandigheden had hij het misschien kunnen lezen. Maar nu niet. Niet nu zijn hoofd zo tolde. Zijn inspanningen om de letters te ontcijferen hadden echter wel tot gevolg dat de mist in zijn hoofd even optrok. Hij herinnerde zich opeens weer het papier dat hem was toegestoken en dat hij had moeten ondertekenen. Dat had hij wel kunnen lezen en hij herinnerde zich dat de inhoud schokkend was. Schokkend in positieve zin? Of negatief? De mist werd weer dikker, maar hij wist het niet meer.

Het geel-zwarte werktuig verscheen voor zijn ogen. Het werd tegen het papier op zijn borst gehouden. Helgi fronste zijn voorhoofd en wachtte op wat komen ging. Hij voelde geen angst, alleen maar nieuwsgierigheid. Hij bezat zelf geen gereedschap en hoewel hij er wel enkele kende, was dit apparaat hem vreemd. Waartoe zou het dienen?

Helgi zag de vingers om de schacht zich spannen en er klonk een luide knal die in de stilte om hem heen echode.
Helgi zag de vingers om de schacht zich spannen en er klonk een luide knal die in de stilte om hem heen echode. Daarop volgde een snijdende pijn in zijn borst en werd hem de adem benomen. Het scheelde weinig of hij was achterovergevallen en van de richel gerold. Hij werd echter weer stevig vastgepakt. Ondanks de afschuwelijke pijn voelde hij opluchting. Die man wilde hem kennelijk geen kwaad doen, anders had hij hem niet gered. In ieder geval wenste hij hem niets ergs toe, niet écht.

Er werd iets over zijn hoofd getrokken en hij zag een dik touw over zijn gehavende borst liggen, als een enorme halsketting. Hij begreep dat zijn metgezel nu bezig was met veiligheidsmaatregelen rond hun wonderbaarlijke wandeling. Hij zou niet naar beneden vallen als hij aan de rots vastzat. Maar dat touw zat wel strak om zijn hals. Weer kon Helgi geen woord uitbrengen toen hij hem erop wilde wijzen dat het zo niet goed zou aflopen. Het zou beter zijn om het touw om zijn middel te bevestigen. Hij kreeg haast geen lucht vanwege de pijn in zijn borst. Hij kon niet praten.

Ach, het maakte toch niet veel uit. Het was een droom. Het kon bijna niet anders. Als hij zou vallen, zou hij vliegen. Straks zou hij wakker worden en dan zou de pijn weg zijn, net als dat onwerkelijke gevoel dat met de mist in zijn hoofd te maken had.

Terwijl hij luisterde naar het vloeken van zijn reisgezel ergens achter hem, staarde Helgi over de zee die nu wat onrustiger was geworden. Aan de andere kant van de baai zag hij een bekend wit huis met een rood dak. Bessastadir. Het moest wel een droom zijn. Zijn trage geest ging terug naar een gebeurtenis die samenhing met ditzelfde strand. Hij duwde de herinnering weg zodat hij niet opnieuw zou overgeven en richtte zich op het hier en nu, de prachtige omgeving en zijn vloekende metgezel.

Helgi hoorde niets anders dan het vloeken en tieren van de man. Het uitzicht was zo betoverend dat zelfs de pijn in zijn borst leek af te nemen als hij zich goed concentreerde. Hij keek naar de presidentswoning en naar de baai zelf. Hypnotiserende golven op het zwarte wateroppervlak namen zijn aandacht volledig in beslag. Ver weg aan de horizon hing een zwarte mistbank die met de hemel streed om wie het donkerst was. Helgi voelde dat zijn krachten afnamen. En dat was raar, aangezien hij in een diepe slaap verkeerde.

Weer schrok Helgi op toen hij een duw kreeg. Deze keer in zijn onderrug en voor de laatste keer. Helgi viel van de richel, zweefde een fractie van een seconde, tot het touw met een ruk strak stond en zijn val brak. Nu het erop aankwam had hij toch niet kunnen vliegen. Uiteindelijk was het toch geen droom.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief