leesfragment

‘Lazarus’ van Lars Kepler

In Lazarus wordt Joona Linna’s grootste angst waarheid: Jurek Walter is terug. Lees hier het eerste hoofdstuk van de nieuwste Lars Kepler!

1

Een vieze politieauto rijdt vanuit de centrale delen van Oslo naar de buitenste ring. Het onkruid onder de vangrail trilt in de wind en een plastic zak vol lucht rolt zwevend de berm in.

Karen Stange en Mats Lystad hebben op de oproep van de meldkamer gereageerd
Karen Stange en Mats Lystad hebben op de oproep van de meldkamer gereageerd, ook al zat hun dienst er eigenlijk al op, en zijn op weg naar de wijk Tveita.

Een tiental flatbewoners heeft geklaagd over vreselijke stank. De beheerder was er al naartoe gegaan om de afvalcontainers te controleren, maar die waren schoon. De lucht bleek uit een appartement op de elfde verdieping te komen. In de woning klonk zacht gezang, maar de eigenaar, Vidar Hovland, weigerde de deur open te doen.

De politieauto rijdt langs lage industriegebouwen.

Achter het prikkeldraad zijn vuilcontainers te zien, vrachtauto’s en zoutdepots voor de winter.

De flats in de Nåkkves vei zien eruit alsof een enorme betonnen trap op zijn kant is gevallen en in drie stukken is gebroken.

Voor een bestelwagen met de tekst MORTENS SLEUTELSERVICE BV staat een man in een grijze overall naar hen te zwaaien. Hun koplampen verlichten hem en de schaduw van zijn opgestoken hand reikt tot enkele verdiepingen hoog op de gevel achter hem.

Karen stuurt naar de kant van de weg, komt langzaam tot stilstand, trekt de handrem aan, schakelt de motor uit en verlaat de auto samen met Mats.

De hemel is al bezig zich te sluiten voor de nacht. De lucht is koud. Er hangt sneeuw in de lucht.

De beide agenten geven de slotenmaker een hand. Hij is gladgeschoren, maar zijn wangen zijn grijs, zijn borstkas is plat en hij beweegt zich trillend en nerveus.

‘De Zweedse politie kreeg eens een noodoproep van het kerkhof – er lagen driehonderd lijken,’ grapt hij bijna onhoorbaar en lacht dan met zijn gezicht naar de grond.

De forse beheerder zit nog in zijn pick-up te roken.

‘Waarschijnlijk heeft die man een vuilniszak met visresten in de hal laten staan,’ mompelt hij en hij zwaait het portier open.

‘Dat zullen we hopen,’ antwoordt Karen.
‘Dat zullen we hopen,’ antwoordt Karen.

‘Ik heb op de deur gebonsd en door de brievenbus geschreeuwd dat ik de politie zou bellen,’ zegt hij en hij schiet zijn sigaret weg.

‘Je hebt er goed aan gedaan met ons contact op te nemen,’ zegt Mats. In veertig jaar hebben ze hier twee keer een dode gevonden, een op het parkeerterrein en een in de flat.

De beide agenten en de slotenmaker lopen achter de beheerder aan de portiek in en de verstikkende lucht komt hun meteen tegemoet.

Ze proberen allemaal niet door hun neus te ademen als ze in de lift stappen.

‘De elfde verdieping is favoriet,’ mompelt de beheerder. ‘We hadden een lastige uitzetting vorig jaar en in 2013 is er een appartement volledig uitgebrand.’

‘Op Zweedse brandblussers staat dat ze drie dagen voor de brand moeten worden getest,’ zegt de slotenmaker zacht.

Wanneer ze uit de lift stappen, komt er zo’n vreselijke stank op hen af dat ze allemaal een wanhopige blik in hun ogen krijgen.

De slotenmaker houdt zijn hand voor zijn neus en mond.

Karen houdt een oprisping tegen. Het is een soort voorschok voordat het middenrif in paniek raakt en de maaginhoud door de keel naar buiten duwt.

De beheerder trekt zijn trui over zijn mond en neus en wijst met zijn andere hand het appartement aan.

Karen loopt erheen, legt haar oor tegen de deur en luistert. Binnen is het stil. Ze belt aan.

De zachte melodie van de bel ebt weg.

Opeens klinkt er een zachte stem in het appartement. Het is een man die iets zingt of reciteert.
Opeens klinkt er een zachte stem in het appartement. Het is een man die iets zingt of reciteert.

Karen bonst op de deur en de man zwijgt, maar begint dan opnieuw, heel voorzichtig.

‘We gaan naar binnen,’ zegt Mats.

De slotenmaker loopt naar de deur, zet zijn zware tas neer en trekt de rits open.

‘Horen jullie dat?’ vraagt hij.

‘Ja,’ antwoordt Karen.

De deur van een ander appartement wordt geopend door een klein meisje met licht, klitterig haar en wallen onder de ogen.

‘Gauw weer naar binnen jij,’ zegt Karen.

‘Ik wil kijken,’ zegt het meisje met een glimlach.

‘Zijn je papa en mama thuis?’

‘Dat weet ik niet,’ zegt ze en ze doet snel de deur dicht.

De slotenmaker gebruikt geen slotpistool, maar boort het hele slot eruit. Glanzend metaalslijpsel valt dwarrelend op de grond. Hij haalt de verwarmde delen van de cilinder eruit en stopt ze in zijn tas, hij wurmt de slotkast eruit en doet dan een stap naar achteren.

‘Wacht hier,’ zegt Mats tegen de beheerder en de slotenmaker.

‘Politie. We komen binnen!’
Karen trekt haar wapen, terwijl Mats de deur openzwaait en roept: ‘Politie. We komen binnen!’

Karen kijkt naar het pistool in haar bleke hand. Een paar seconden lang is het zwarte metaal vreemd voor haar, de samengevoegde delen, de loop, het sluittoestel, de kolf.

‘Karen?’

Ze kijkt Mats aan, gaat met haar gezicht naar de deur staan, brengt het pistool omhoog en loopt met haar hand voor haar mond naar binnen.

Ze ziet geen vuilniszakken in de hal.

De stank moet uit de badkamer komen, of uit de keuken.

Het enige wat ze hoort, is het geluid van haar schoenen over de kunststof vloerbedekking en haar eigen ademhaling.

Ze loopt langs een smalle halspiegel de woonkamer in, ze scant snel de hoeken en kijkt uit over de chaos. Het televisietoestel is op de grond gesmeten, bloempotten met varens zijn aan diggelen gevallen, de bedbank met grote dekens staat schuin, een van de zitkussens is opengesneden en de vloerlamp ligt op zijn kant.

Ze richt het wapen naar de gang, die naar de badkamer en de keuken leidt, laat Mats passeren en loopt dan achter hem aan.

Het kapotte glas knarst onder hun schoenen.

Er brandt een wandlamp, kleine stofdeeltjes zweven in het schijnsel.

Ze blijft staan en luistert.

Mats opent de deur van de badkamer en laat even later zijn pistool zakken. Karen probeert naar binnen te kijken, maar de deur houdt het licht tegen. Het enige wat ze kan onderscheiden is een smoezelig douchegordijn. Ze zet een stap, leunt naar voren en duwt tegen de deur, zodat er een streepje licht over het badkamerbehang glijdt.

De wastafel is bebloed.

Karen huivert en meteen daarna hoort ze een stem achter zich.
Karen huivert en meteen daarna hoort ze een stem achter zich. Het is een oude man die gedempt spreekt. Ze wordt zo bang dat ze kreunt terwijl ze zich snel omdraait en het pistool door de gang richt.

Er is niemand.

Vol adrenaline keert ze terug naar de woonkamer, ze hoort een lach en richt het wapen op de bank.

Daar kan iemand zich gemakkelijk achter verstoppen.

Karen begrijpt dat Mats iets tegen haar probeert te zeggen, maar zijn woorden dringen niet tot haar door.

Haar hartslag dreunt door haar hoofd.

Ze loopt langzaam naar voren, houdt haar vinger op de trekker, voelt dat ze trilt en geeft steun met haar andere hand.

Wanneer de oude man begint te zingen, begrijpt ze dat de stem uit de muziekinstallatie komt.

Karen loopt achter haar collega aan de gang op, wankelt, zet de hand met het pistool erin tegen de muur.
Karen loopt om de bank heen, laat het wapen zakken en kijkt naar de stoffige snoeren en een lege chipszak.

‘Oké,’ fluistert ze tegen zichzelf.

Op de klep van de stereo ligt een cd-doosje van het Instituut voor Taal en Volksverhalen. Een korte sequentie is in een loop gevangen en wordt telkens afgespeeld. Een oude man vertelt iets in een moeilijk verstaanbaar dialect, schiet in de lach en zingt dan iets – Het is bruiloft op onze boerderij, met lege borden en gebarsten schalen – waarna hij zwijgt.

Mats staat in de deuropening, hij wenkt dat ze moet komen, hij wil dat ze doorlopen naar de keuken.

Het is nu bijna donker buiten, de gordijnen trillen een beetje in de warmte van de radiator.

Karen loopt achter haar collega aan de gang op, wankelt, zet de hand met het pistool erin tegen de muur.

De lucht is een walm van latrine en kadaver, zo verzadigd dat ze er tranen van in haar ogen krijgt.

Ze hoort dat Mats in korte, oppervlakkige stootjes ademt en ze concentreert zich om niet door de misselijkheid te worden overweldigd.

Ze loopt achter hem aan de keuken in en blijft staan.

Op het linoleum ligt een naakte persoon met een te groot hoofd en een bolle buik.

Een zwangere vrouw met een opgezwollen, blauwgrijze penis.

De vloer schommelt onder haar voeten en haar gezichtsveld krimpt.

Ze voelt dat haar handen trillen als ze het wapen in de holster steekt.
Mats jammert zachtjes en zoekt steun bij de vrieskist.

Karen herhaalt bij zichzelf dat het van de schok komt. Ze begrijpt dat de dode een man is, maar de bolle buik en de gespreide bovenbenen deden haar denken aan een barende vrouw.

Ze voelt dat haar handen trillen als ze het wapen in de holster steekt.

Het lichaam bevindt zich in een vergevorderd stadium van ontbinding, grote delen zien er los en vochtig uit.

Mats loopt de keuken door en geeft over in de gootsteen, zodat er braaksel op het koffiezetapparaat spat.

Het hoofd van de dode lijkt wel een zwart geworden pompoen die rechtstreeks op de schouders is vastgedrukt, de kaak hangt los en het slokdarmhoofd en de adamsappel zijn door gassen van binnenuit door de vervormde mond naar buiten geduwd.

Er is een vechtpartij geweest, denkt Karen. Hij is gewond geraakt, heeft zijn kaak gebroken, is met zijn hoofd op de vloer terechtgekomen en overleden.

Mats geeft nog eens over en spuugt slijm uit.

In de woonkamer begint het lied opnieuw.

Karens blik gaat weer naar de buik, de gespreide benen en het geslachtsorgaan van de man.

Mats’ gezicht is wit en bezweet. Ze wil hem gaan helpen, maar dan pakt iemand haar bij de benen vast, ze gilt van schrik en tast naar haar pistool, als ze ziet dat het het meisje uit het buurappartement is, dat is binnengekomen.

‘Kind, je mag hier niet komen,’ zegt ze buiten adem.

‘Dat vind ik leuk,’ zegt het meisje en ze kijkt haar met donkere ogen aan.

Karen voelt haar benen trillen als ze met het kind door het appartement loopt, de deur uit en het trappenhuis weer in.

‘Dat vind ik leuk,’ zegt het meisje en ze kijkt haar met donkere ogen aan.
‘Niemand mag hier naar binnen,’ zegt ze tegen de beheerder.

‘Ik heb alleen even een raam opengezet,’ antwoordt hij.

Karen wil eigenlijk niet terug naar het appartement, ze weet al dat ze hiervan zal dromen, dat ze ’s nachts wakker zal worden en de wijdbeens liggende man voor zich zal zien.

Zodra ze de keuken binnenkomt, draait Mats de kraan boven de gootsteen dicht en hij kijkt haar met glimmende ogen aan.

‘Zijn we klaar?’ vraagt ze.

‘Ja, ik wil alleen nog even in de vrieskist kijken,’ zegt hij en hij wijst naar de bloederige handafdrukken rond de beugel.

Hij veegt zijn mond af, opent het deksel en buigt naar voren.

Karen ziet zijn hoofd terugveren en zijn mond gaat open zonder geluid.

Hij wankelt naar achteren en het deksel valt met zo’n klap dicht dat een koffiekopje op de keukentafel ervan rinkelt.

‘Wat is er?’ vraagt ze en ze loopt dichter naar de vrieskist toe.

Mats houdt zich aan de rand van het aanrecht vast, stoot een plastic plantenspuit om en kijkt haar aan. Zijn vernauwde pupillen lijken kleine druppeltjes Oost-Indische inkt en zijn gezicht is eigenaardig wit.

‘Niet kijken,’ fluistert hij.

‘Ik moet weten wat er in de vrieskist zit,’ zegt ze en tegelijkertijd hoort ze de angst in haar eigen stem.

‘Godallemachtig, kijk toch niet…’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief