leesfragment

Lees hier het eerste hoofdstuk van ‘De laatste stap’!

0

Heb je de thriller De laatste stap van Paul De Bruyn al gelezen? 

Wanneer het lichaam van een man wordt gevonden in de Hobokense Polder beseffen commissaris Eric Michiels en zijn team meteen dat dit geen gewone moord is. De manier waarop hij is toegetakeld doet vermoeden dat het om extreme haat of een rituele moord gaat. De vermoorde man was een vereenzaamde en verbitterde leraar die een conflict had met een leerling, maar al snel blijkt dat hij vroeger journalist was en dat hij op zoek was naar een grote zaak. Een ex-collega had hem verteld dat zij gedwongen was tot een schijnhuwelijk, maar nog voor de politie haar kan ondervragen, wordt ook zij vermoord teruggevonden. Michiels en zijn team staan voor de moeilijkste zaak waar ze ooit mee te maken hebben gehad.   Rassenhaat, extreemrechtse groepen, verbittering en afgunst, maar ook liefde, schoonheid en humor: wervelend geschreven whodunit waarin je de gonzende hartslag van een stad voelt.

Lees hier al het eerste hoofdstuk!

 

1

De hitte sloeg Eric Michiels al in zijn gezicht toen hij het portier opende. Als de damp die in de badkamer blijft hangen na een hete douche in de winter, vond hij. Jens Sanders zette de motor uit. Tien over vijf, registreerde Michiels instinctief. De niet meer uit te wissen routine van een politieman die zich alle details van een moordonderzoek in het hoofd wil prenten.

De heetste dag van het jaar was aangebroken. Meer dan veertig graden, had het KMI voorspeld, mogelijk drieënveertig in de Kempen. Dan zou dinsdag 1 augustus er een voor de geschiedenisboeken zijn. De heetste dag ooit opgemeten in België.

Achter Michiels stapte Julie Winters uit. ‘Wat een sauna’, blies ze.

‘Vijfentwintig graden, zeg. Nu al.’ Sanders wrikte de mouw van zijn polo los vanonder zijn linkeroksel.

Alle drie schoven ze hun rode politiearmband om hun linkerarm.

Twee agenten in uniform salueerden toen ze passeerden. ‘Goedemorgen, commissaris’, zei de oudste. ‘Het is boven rechtdoor.’

Nog voor Michiels de twee keer twaalf treden van de trap naar boven was geklommen, plakte zijn hemd al aan zijn rug. De plensbui van de vorige avond had niet meer dan tijdelijke verkoeling gebracht. Het verdampende regenwater maakte de hitte pas echt onontkoombaar.

Op het wandelpad hielden nog twee agenten de wacht, kwestie van eventuele nachtelijke avonturiers op afstand te houden. Naast de houten bank kwam een smalle doorgang tussen de bomen uit op een open plek en daar had het team van het Laboratorium van de Technische en Wetenschappelijke Politie, zoals de forensische recherche in België officieel heet, zijn lampen opgesteld. In de felle gloed zagen de drie in hun witte Tyvek-pakken gehulde figuren er een beetje uit als personages uit een fantasyfilm. De laatste slierten damp die tussen bomen en struiken optrokken, versterkten nog dat onwezenlijke gevoel.

De plaats-delictmanager van de Zone Zuid had de rechercheurs zien aankomen en kwam op hen af. David De Clerck heette hij, Michiels kende hem alleen van naam.

‘Morgen, samen’, groette hij. Michiels schudde hem de hand, in dezelfde oogopslag al meteen turend naar waar het lichaam lag. Naakt en wit, onder het half openstaande rode tentje. Patholoog-anatoom Wilfried Joris van het UZ Antwerpen zat er op zijn hurken naast.

‘Je ziet het’, wees De Clerck. ‘Professor Joris is bezig met zijn eerste vaststellingen.’

‘Wat kun je ons al vertellen?’ vroeg Michiels.

‘Blanke man, rond de vijftig, denken we. Misschien zestig. Moeilijk precies te zeggen. Onherkenbaar. Vreselijk toegetakeld.’ Hij zweeg een seconde of twee. ‘Het ergste wat ik ooit gezien heb. Een van de agenten die hier het eerst waren, heeft moeten overgeven.’

Sanders blies als een paard.

‘Het lichaam is naakt’, ging De Clerck verder. ‘Ogen uitgestoken. Oren en neus afgesneden. Keel bijna helemaal doorgesneden. Botweg gecastreerd. En pal in het hoofd geschoten. Van dichtbij, met een zwaar kaliber.’ Hij wiste het zweet van zijn voorhoofd. ‘Misschien heeft die arme drommel nog gesmeekt om er snel een einde aan te maken.’

Sanders blies nu hardop lucht tussen zijn tanden uit. ‘Als ik dit hoor, zou ik meteen denken aan een wraakactie.’ Hij zocht bevestiging bij Michiels, maar die had alleen oog voor wat Wilfried Joris aan het doen was. De prof haalde een thermometer uit zijn tas.

‘Dat lijkt wel een rituele moord’, meende Julie Winters. ‘Of extreme haat. Dit is echt om iemand totaal te vernietigen als mens.’

‘Dat is ook mijn eerste inschatting’, zei De Clerck. ‘Ofwel is dit gedaan in een vlaag van totale razernij, of uit extreem sadisme.’

Michiels repliceerde er niet op. Kan een vlaag van razernij zo lang duren, vroeg hij zich af. Kun je het aan iemand zo lang zo verschrikkelijk te folteren zonder dat je tot het besef komt wat je aan het doen bent? Hij had er geen antwoord op.

De flits van een fototoestel verlichtte de bomen aan de rechterkant van de open plek. Twee van de drie mensen van de technische recherche knielden neer bij iets en plaatsten er een geel plastic driehoekje met een cijfer op. Weer een flash. Te ver voor Michiels om iets te kunnen onderscheiden. Hij en zijn twee collega’s moesten nog wachten. Pas als het forensisch team en de wetsdokter hun vaststellingen hadden gedaan en nadat De Clerck een looppad had laten afbakenen, mochten zij een eerste kijkje nemen.

De Clerck was nog niet klaar met zijn relaas. ‘De uitgebrande auto staat bij Zandkamp. De brandexpert zit daar nu. We gaan er straks naartoe. Naast de auto lagen zijn kleren. Waarschijnlijk hebben ze hem daar gedwongen zich uit te kleden om hem te vernederen.’

De naam zei Michiels niets. Sanders stond te knikken. Hij kende de buurt wel. Hij was van Hoboken, zoals hij steevast graag liet horen.

‘Dat is die kant op, Eric.’ Hij wees naar links. ‘Een dikke halve kilometer van hier.’

Michiels keek in het rond. In het oosten was de hemel al bijna helemaal rood. In enkele huizen achter de bomen brandde licht.

‘De Jan van de Wervelaan’, zei Sanders voor Michiels het kon vragen.

‘Een van de buurtbewoners heeft de politie gebeld’, verduidelijkte De Clerck. ‘Ze kon niet slapen. Zij en haar man hadden een luide knal gehoord, bijna zeker het schot. Donder kon het niet meer zijn, want het onweer was allang voorbij. Ze dacht dat het een voetzoeker was. Ze meende ook geroep en gekerm te hebben gehoord.’

‘Wanneer was dat?’

‘Onze meldkamer heeft haar telefoontje gekregen om zes voor halfdrie. Het interventieteam van onze zone was twaalf minuten later hier. Ondertussen hadden we de melding gekregen dat er een auto in brand stond. Onze mensen zijn eerst daarnaartoe gegaan. Ik heb nog twee patrouilles ge- stuurd. Pas meer dan een uur later zagen ze de man liggen, toen ze de omgeving aan het uitkammen waren.’

Michiels maakte volop mentale notities.

‘De mensen in de buurt zijn alert omdat ze nogal eens te maken hebben gehad met vandalisme’, ging De Clerck verder. ‘Bij de Ruitersplas, dat is de grootste vijver, is een tijd geleden een observatiehut voor vogelliefhebbers in brand gestoken. Soms komen hier joyriders met gestolen motoren. Er is al eens een auto uitgebrand. Dat soort dingen. Dit is een ideale schuilplaats voor die gasten.’

Sanders knikte nog wat nadrukkelijker. Het voorhoofd van De Clerck glom van het zweet.

‘Ginder bij Zandkamp zijn bandensporen van drie auto’s. Misschien hebben ze hem klemgereden en uit zijn auto gesleurd. Maar eerst laat ik een looppad maken. Als Joris klaar is, kunnen jullie gaan kijken.’

Alsof hij het had gehoord, kwam Joris aangelopen. Hij schudde Michiels, Sanders en Winters de hand.

‘Ik kan kort zijn’, zei hij. ‘De officiële doodsoorzaak is natuurlijk bijna zeker het schot in het voorhoofd, zoals de arts van de mobiele urgentiegroep al heeft vastgesteld. Maar ook het doorsnijden van zijn keel zou fataal zijn geweest. Zelfs al is hij niet volledig onthoofd, zoiets overleef je nooit. En die man daar heeft zoveel verwondingen dat hij wellicht sowieso zou zijn doodgebloed. Maar om helemaal zeker te zijn, hebben de daders hem van dichtbij ook nog in het gezicht geschoten. Of misschien vonden ze het gewoon prettig. Wat ik gezien heb, getuigt van een sadisme dat ik niet eerder heb meegemaakt. Het zou me niet verwonderen dat ze zijn keel opzettelijk niet helemaal hebben doorgesneden om zijn doodsstrijd te rekken.’

Hij zweeg even en keek naar De Clerck. ‘Wat mij betreft, mogen zij nu gaan kijken. Ik ben hier klaar.’ Hij richtte zich opnieuw tot Michiels. ‘Ik denk morgennamiddag… deze namiddag…’ Hij corrigeerde zichzelf. ‘…de autopsie te kunnen doen. Wanneer precies laat ik straks weten.’

‘Oké, Wilfried’, zei Michiels. ‘Ik zal er zijn.’

Het gezicht van Sanders klaarde onmiddellijk op. Als de chef ging, hoefde hij er niet bij te zijn.

‘Enig idee van het tijdstip van overlijden, Wilfried?’ vroeg Michiels.

‘De eerste onvermijdelijke vraag van alle speurders’, grijnsde Joris. ‘Je weet dat dat alleen in Amerikaanse tv-series bijna tot op de minuut na kan, hè, Eric. Wij hier in Europa kunnen in het beste geval een marge van een uur of twee geven. Wel, dus de rigor mortis was nog niet ingezet, behalve een paar kleine verstrakkingen rond de slapen. Er is nog geen verstijving van de gewrichten. De lichaamstemperatuur was nog normaal, 36,8 graden, maar dat heeft te maken met de hitte. In een nacht als deze koelt een lichaam nauwelijks af. Rekening houdend met dat alles zou ik nu zeggen dat de man tussen middernacht en twee uur gestorven is. Misschien kan ik het tijdens de autopsie nog wat scherper bepalen, maar reken er niet te veel op.’

Dat stemde overeen met wat een van de buurtbewoners had gehoord. Een knal kort voor halfdrie. Was toen het genadeschot gevallen?

De Clerck onderbrak de gedachtegang van Michiels. ‘Jullie looppad is klaar.’

In zijn spoor en gevolgd door Jens Sanders en Julie Winters stapte Michiels langs het lint naar de plaats waar de man lag. Zwermen muggen dansten om hen heen. Zelfs toen hij nog zeker tien meter van hem verwijderd was, besefte Michiels al dat hij nooit meer zou vergeten wat hij te zien zou krijgen.

Het lichaam was opvallend bleek. Maar Michiels’ blik werd onontkoombaar getrokken naar waar de ogen hadden gezeten. Het was alsof de dubbele holte die er nu was een soort tunnels naar het binnenste van het hoofd vormde, twee griezelig uitgehouwen kokers. De oogbollen lagen aan weerszijden van het lichaam in het gras. De technische recherche had er driehoekjes geplaatst, zoals ze dat ook hadden gedaan bij de afgesneden oren en neus.

Achter zich hoorde hij Sanders kokhalzen. Michiels draai- de zich om. Julie Winters hield haar hand voor haar mond. Ze stond met gesloten ogen en schudde haar hoofd.

Michiels hurkte neer. De forensische experts zouden niets over het hoofd zien, maar hij moest zelf alles in zich opnemen. ‘Elk detail telt’ is niet voor niets een van de oudste waarheden in een moordonderzoek. De doden spreken tot ons, had hij in zijn opleiding geleerd. Als je goed kijkt, vertellen ze dingen over de manier waarop ze aan hun einde zijn gekomen, want elk contact laat een spoor achter.

Het enige wat dit lichaam zou kunnen vertellen, was hoe het had geleden. Michiels had de man nooit eerder gezien. Hij schatte hem rond de vijftig, maar hij kon er evengoed jaren naast zitten. Met alle verminkingen die het had ondergaan was van het gezicht niet meer dan een grotesk masker overgebleven. De kogel had nog eens bijna zijn halve rechterslaap weggeblazen. Het donkere haar krulde wat en was vooraan dun.

Zich met zijn rechterhand opdrukkend viel het Michiels opnieuw op hoe bleek de man was, bijna doorschijnend wit. Iemand die weinig in de buitenlucht verbleef. Hij was mager, maar had een uitpuilende buik. Zeker geen sportief type, mogelijk iemand die veel dronk, vermoedde hij.

‘Oké David. Genoeg gezien.’

‘Ik stel voor dat we naar Zandkamp rijden. Te voet is het een dikke tien minuten over al die stenen.’

Ze liepen langs de trap naar beneden. Een zwarte VW Transporter was gestopt naast de politiewagens. Die zou het lichaam overbrengen naar het mortuarium van het UZ Antwerpen. De Clerck reed met het team mee, maar ze moesten hem daarna wel terugbrengen naar de plaats delict.

Sanders ging rechtdoor en dan naar rechts. Boombekelaan, las Michiels op een straatnaambord. Links en rechts zag hij kleine bedrijfspanden. Ze kruisten een wegrijdende brandweerwagen. De straat versmalde op het einde en klom dan lichtjes naar boven, naar een klein, cirkelvormig par- keerterrein. Schuin rechts voor hen lagen enkele zeiljachten op het droge. ‘Yachting Club Hoboken’ stond op een bord. Een rood-witte slagboom sloot het met ruwe kasseien bedekte pad af.

Het wrak lag aan de zijkant in het gras. Een man was bezig foto’s te maken van de zwartgeblakerde achterkant. Michiels kende genoeg van auto’s om te zien dat het om een Nissan stationwagen ging.

‘John Smits, de brandexpert’, zei De Clerck terwijl hij de man wenkte. Michiels kende hem niet persoonlijk, maar had al veel over hem gehoord.

‘De auto is een Nissan Primera Estate. Het model wordt niet meer gemaakt sinds 2008. Waarschijnlijk is dit de laatste versie’, zei Smits. ‘Er zijn geen brandversnellers gebruikt, dat kan ik al bevestigen. Dat zou je meteen ruiken en dan zou het vuur sneller om zich heen hebben gegrepen. Vermoedelijk hebben ze vodden in benzine gedrenkt en in de auto gegooid. Aan de voorkant kan ik meer tonen.’

De grille van een Nissan met in het midden een cirkel was duidelijk herkenbaar. Maar veel belangrijker was dat daar de nog leesbare nummerplaat hing.

‘In tegenstelling tot wat de meeste mensen denken, brandt een auto niet overal even hard’, legde Smits uit. ‘Het vuur was het felst links achteraan, waar de tank zit, zoals bij alle Japanse auto’s, maar zoals je ziet, is de voorkant veel minder beschadigd. Zeker hier rechts. We hebben al boordpapieren kunnen recupereren. De auto staat op naam van ene Gilbert Van Loock.’

‘En die woont in de Bikschotelaan in Borgerhout’, vulde De Clerck aan. ‘Momentje.’ Hij kreeg een oproep op zijn telefoon. ‘Ah, oké.’

‘Dan gaan wij daar nu naartoe’, zei Michiels tegen San- ders en Winters. ‘Goed David, Paul Van den Bergh, onze vaste plaats-delictmanager, zal hier elk moment met zijn team aankomen om het van jou over te nemen.’

‘Ze zijn er net.’ Hij wees naar zijn telefoon.

‘Prima. Het parket heeft Guy Bogaerts ondertussen gevorderd als onderzoeksrechter. Hij zal hier waarschijnlijk ook elk moment arriveren. Ik vraag hem ondertussen of hij de technische recherche naar Borgerhout stuurt als ze hier klaar zijn.’

‘Oké.’

‘Nog iets wat we nu al moeten weten?’

‘Hier in het gras lagen zijn kleren. Een broek, een T-shirt, een onderbroek en schoenen en kousen. De technische recherche heeft ze al meegenomen. Er lag ook een aan gruzelementen gestampte smartphone. De simkaart zat er nog in. Wel bijna in tweeën gebroken.’

‘Laten we hopen dat we geluk hebben en die kunnen lezen.

Dat hoor ik dan wel van Van den Bergh.’

De Clerck gaf Sanders aanwijzingen waar hij gedropt wilde worden. In een doodlopende straat naar rechts nam hij afscheid van het team. Achter de ramen van een paar huizen brandde licht. Hier en daar waren schaduwen zichtbaar. Op de tweede verdieping van het laatste huis leunde iemand uit een raam naar buiten. Twee buren stonden op het trottoir met elkaar te praten, gewekt door de drukte.

Sanders had zijn raampje naar beneden gedaan. ‘De Wissenboslaan’, legde hij nog eens ongevraagd uit. ‘De straat die het dichtst tegen de Schelde ligt.’

Michiels had de rivier allang geroken. Die was dichtbij en rook na de regen anders dan anders. Naar afval. Smeriger. Vuiler. Donkerder.

Overal begonnen vogels te fluiten in een prachtig, ongerept stuk groen. Antwerpen ontwaakte voor de warmste dag van het jaar.

 

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief