leesfragment

Leesfragment: Een ander leven – Rudi Meulemans

I – Gunby Hall

Veertien jaar geleden heeft Luc mij aangeklikt op een chatsite. We spraken af in een jazzcafé in het centrum van Brussel.

We rijden door een grijsgekleurde vallei geflankeerd door de lage heuvels van de Lincolnshire Wolds in de East Midlands. Ooit was dit Vikingland. Maar de Vikings zijn allang verdwenen. Luc, mijn man, zit aan het stuur van de huurauto, een donkerblauwe Chevrolet. Gisteren zijn we in Cambridge onze huwelijksreis begonnen. Veertien jaar geleden heeft Luc mij aangeklikt op een chatsite. We spraken af in een jazzcafé in het centrum van Brussel. Het was een mooie avond en we maakten een wandeling door de straten van de stad tot in het Egmontpark. Daar gingen we op een bankje zitten. Hij nam mijn hand in de zijne. Gehoopt maar toch nog onverwacht. Het voelde meteen heel vertrouwd. Nu we eindelijk ook wettelijk een koppel zijn, wil Luc dat overal laten weten. Aan de receptie van het hotel gisteravond zei hij: ‘My husband and I made a reservation.’ In het restaurant: ‘My husband would like a glass of champagne.’ Hij lijkt zich te nestelen in het leven van een getrouwde man. Ik moet toegeven dat het mij ontroert. De omgeving wordt leger. Luc concentreert zich op de weg, merkt niet dat ik naar hem kijk. Op de achtergrond glijdt het landschap voorbij in aquareltinten. William Turner is niet ver weg. Ik weet op dit moment nog niet dat deze huwelijksreis grote gevolgen zal hebben. Ze zal leiden tot een andere reis, tot een boek en tot een belangrijke verandering in mijn leven. We rijden hoger en hoger naar ons einddoel, Gunby Hall, een landhuis uit 1700.

Gunby Hall lijkt op een bescheiden Londens pand dat hier per vergissing werd neergezet. Wanneer ik voor het huis sta, twijfel ik even over waar ik ben. Dan kijk ik om mij heen. Dit is wel degelijk het platteland. De streng symmetrische gevel heeft aan de linkerkant een aanbouw uit 1873. Daarin is de muziekkamer ondergebracht. We betreden het huis via de hal en gaan onmiddellijk
naar links. Daar zie ik de vleugelpiano staan waaraan in 1902 de Britse componist Ralph Vaughan Williams voor het eerst zijn lied Linden Lea ten gehore bracht. De tekst van het lied is een gedicht van William Barnes uit zijn in 1863 verschenen bundel Poems of Rural Life. Een lieflijke melodie begeleidt het uitgesproken verlangen om te vertoeven in een boomgaard in Dorset, in de idyllische natuur. Plots wordt het pianospel woester wanneer de zanger denkt aan de stad waar de mensen hun geld moeten verdienen in donkere fabrieken. Het is een schrikbeeld van een leven dat hij niet wil leiden. Veel liever wil hij luieren onder de appelboom in Linden Lea. Gunby Hall is eigendom van The National Trust for Places of Historic Interest or National Beauty. Deze organisatie werd op 16 juli 1894 opgericht tijdens een vergadering in Grosvenor House in Londen door de sociaal activiste Octavia Hill, de advocaat en natuurliefhebber Sir Robert Hunter en de kanunnik Hardwicke Rawnsley. Hun gemeenschappelijk gedachtegoed was mede vormgegeven door de lectuur van William Wordsworth, die een halve eeuw eerder overleden was. Hij schreef over hoe het landschap waar hij zoveel van hield werd aangetast door de mens en de vooruitgang. De dichter wilde het Lake District zoals hij het kende bewaren en er een nationaal eigendom van maken. Iedereen die ogen heeft om te zien en een hart om te genieten heeft er recht op. Precies deze gedachte was de oprichters van de Trust zo dierbaar. Hill, Hunter en Rawnsley streefden ernaar een National Gallery op te richten van natuurlijke schilderijen.1 Het was hun bedoeling om toeristen in het Lake District naar welgekozen uitkijkposten te leiden. Op zo’n plek kon je op een bankje gaan zitten en kijken naar de schoonheid die zich ontvouwde. De natuur werd ingelijst. Naast een zucht naar het pittoreske en een melancholisch gevoel voor de dreigende teloorgang van de schoonheid, speelde er bij de oprichters van de National Trust in de beginjaren ook een sterke sociale reflex. Aan het einde van de negentiende eeuw ging Engeland over van een agrarische naar een industriële samenleving, waardoor een volksverhuizing van het platteland naar de stad in gang werd gezet. Octavia Hill, die zich evenzeer thuis voelde tussen de Londense armen als bij de intellectuele elite, zette zich in voor sociale huisvesting. Ook haar kompanen, Hunter en Rawnsley, waren bezorgd over de leefomstandigheden van de arbeiders in de steden. Het was hun bedoeling open natuurgebieden te beschermen zodat stedelingen ernaartoe konden ontsnappen. Daarom moest het rurale Engeland beschermd worden. Dit engagement dreef niet alleen op de romantische poëzie van Wordsworth maar ook op de nostalgie naar de agrarische mens die leefde in harmonie met de natuur. De oprichters van de Trust wilden voor de arbeiders, die de week doorbrachten in raamloze fabrieken, weidse zitkamers creëren in de openlucht.

Wanneer ik voor het huis sta, twijfel ik even over waar ik ben. Dan kijk ik om mij heen. Dit is wel degelijk het platteland.

Al snel verschoof de focus van de National Trust van het beschermen van het landschap naar het bewaren van gebouwen en meer in het bijzonder van landhuizen. Het country house werd gezien als een icoon van een periode waarin alles beter was. Meer dan het landschap kon het symbool staan voor die verloren tijd. Na de Eerste Wereldoorlog kwam het voortbestaan van de Engelse landhuizen in gevaar door de veranderde sociale structuur. Leden van de landadel waren in financiële moeilijkheden gekomen door de verhoogde taksen en erfbelastingen. Velen zagen zich genoodzaakt hun eigendom te verkopen aan rijke zakenlui of lieten hun huizen ombouwen tot scholen of hospitalen. Veel gebouwen werden vernietigd nadat eerst vloeren, schoorsteenmantels en trappen uitgebroken waren om ze te verschepen naar Amerika voor de nieuwe rijken aldaar. De National Trust wilde dit verlies tegengaan met een gewiekst plan. Dankzij een overeenkomst met de Treasury, het Engelse ministerie van Economie en Financiën, werden de eigenaars vrijgesteld van erfbelasting indien ze hun landhuis overdroegen aan de Trust. De donoren mochten in hun huis blijven wonen en in ruil daarvoor waren ze verplicht hun deuren te openen voor het publiek. Volgens de National Trust moest iedereen kunnen genieten van deze symbolen van een verloren paradijs. Om dit alles in goede banen te leiden werd het Country Houses Committee opgericht.

De National Trust institutionaliseerde op deze wijze het architectuurtoerisme dat in Engeland reeds sinds de zestiende eeuw floreerde. De zestiende eeuw was de periode van de Tudor-dynastie (die liep van 1485 tot 1603 om exact te zijn) en omvat de regeerperiode van Elizabeth i, het zogenaamde elizabethaanse tijdperk (1558-1603). In deze tijd was de meest illustere bezoeker van landhuizen de koningin zelf, wier visites deel uitmaakten van een politieke strategie. In haar kielzog kwamen gewone edellieden die puur voor hun plezier toerden langs de huizen. Er arriveerden zelfs toeristen van het Europese vasteland. Historische gebouwen veranderden zo langzaamaan van functie en werden attracties. Hun aantrekkingskracht vergrootte als ze beschikten over een belangrijke kunstcollectie of een opmerkelijke tuin. Vanaf de achttiende eeuw werd het bezoek aan landhuizen geformaliseerd. Voordien kon de toerist gewoon aankloppen en vervolgens, indien hij er waardig genoeg uitzag, een rondleiding krijgen door de huishoudster. Door de groeiende belangstelling was men genoodzaakt meer structuur aan te brengen. Vele eigenaars stelden een vaste bezoekdag in. De openingsuren konden worden geraadpleegd in de plaatselijke pub. Sommigen gingen over tot het uitgeven van tickets die op voorhand besteld dienden te worden. Een hele administratie kwam op gang. Er werden gidsen en catalogi gedrukt. De tweede helft van de negentiende eeuw kende een opbloei van toeristische bureaus die, gebruikmakend van de ontwikkeling van het spoornet, trips organiseerden voor stadslui. De maatschappelijke druk op eigenaars van landhuizen om hun bezit open te stellen voor het brede publiek groeide daardoor nog meer. Een dagje uit was niet langer exclusief weggelegd voor de happy few. Zowat iedereen nam nu deel aan de queeste naar een geïdealiseerd Engeland.

Luc en ik zijn zo goed als alleen in Gunby Hall, afgezien van de vrijwilligers van de National Trust. Het is kil in het huis. We zijn te licht gekleed. In de eetkamer kijk ik naar een olieverfschilderij dat naast de schoorsteenmantel hangt. Het is een portret van een jonge vrouw, Margareth Lushington, die in 1895 trouwde met Stephen Massingbird, een telg uit de familie die toen al bijna twee eeuwen het landhuis bewoonde. Na hun huwelijk namen zij hier hun intrek. Margareth onderhield nauwe banden met de prerafaëlieten. Deze antiacademische kunstenaars uit de tweede helft van de negentiende eeuw legden zich toe op het afbeelden van waardige, vaak romantische, soms symbolische onderwerpen. Veelal hanteerden ze een rijk kleurenpalet en schilderden ze in een beeldtaal geïnspireerd op de vroege renaissanceschilders. De werken van deze kunstenaars die Stephen en Margareth kochten zijn nog steeds in het huis te zien. Zo ook dit portret van Margareth in de tuin van Gunby Hall, geschilderd door Arthur Hughes in 1903.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief