leesfragment

Leesfragment ‘Rateiland’ – Jo Nesbø

0

In Rateiland richt Jo Nesbø zijn blik op een wereld die in de greep is van een pandemie waar geen vaccin tegen bestand is. Aan de westkust van de Verenigde Staten probeert een groep wetenschappers een veilige haven in zee te creëren terwijl op straat een dodelijke strijd heerst om simpelweg te kunnen overleven. De zoon van de rijkste techgoeroe ter wereld heeft zich aangesloten bij een van de vele gangs die dood en verderf zaaien, en op een avond overvallen en vermoorden zij een jonge vrouw. Haar vader zint op wraak, en hij heeft meer middelen tot zijn beschikking dan de gang ooit had kunnen vermoeden. De vijf ijzersterke verhalen in Rateiland laten een meedogenloos en griezelig beeld zien van een wereld die verdacht veel lijkt op de onze. Jo Nesbø weet met zijn kenmerkende vakmanschap de spanning zo ver op te voeren dat de lezer zal moeten concluderen dat de wereld in deze verhalen best weleens realiteit zou kunnen worden.

Lees hier alvast de eerste hoofdstukken!

 

1

Het vlaggentouw klapt in de wind sloom tegen de mast. Ik kijk uit over de stad, die er merkwaardig vredig uitziet. Dat is logisch, vanaf het dak van een wolkenkrabber van negentig verdiepingen zie je de menselijke mierenhoop niet die vlucht of jaagt door de straten. Hoor je niet de kreten van personen die in elkaar worden geslagen, de smeekbedes om genade en het geluid van de trekker die wordt overgehaald. Maar de schoten hoor je wel. Het gebrul van een enkele motorfiets. Nu de schemering invalt zie je de branden.

Hoewel de meeste vanaf deze hoogte klein lijken. De brandende auto’s zien eruit als sfeervolle lantaarns die de stad, waar de straatlantaarns een jaar geleden waren gestopt met licht geven, een beetje verlichten.

Ik hoor een salvo van een machinegeweer, het duurt maar even. Het zijn jonge jongens, ze weten wanneer ze moeten stoppen zodat de wapens niet oververhit raken. Ze hebben geleerd wat er nodig is om te overleven. Of beter gezegd: om langer te leven dan degene die hetzelfde nodig heeft als hij: eten, wapens, onderdak, benzine, kleding, drugs en een of meer vrouwen om je genen door te kunnen geven. Het is – om een cliché te gebruiken – een jungle daarbeneden. Die jungle wordt niet met de dag erger, maar met het uur. Ik gok dat dit gebouw waarop we nu staan bij het ochtendgloren een deel van de jungle is geworden.

De mensen die hier aanwezig zijn, worden geëvacueerd. De elite, de rijkste van de rijksten, die genoeg geld heeft om een ticket te kopen. Ik sta naar ze te kijken, de allerlaatste groep van veertien man die ongeduldig in de richting kijkt waaruit de legerhelikopter, die een pendeldienst onderhoudt naar het hangarschip de New Frontier, zal komen. Het schip heeft plaats voor vijfendertighonderd personen en voedsel, medicijnen en alles wat er verder nog nodig is om vier jaar te overleven zonder een haven aan te doen. Het zal naar open zee varen en daar voor onbepaalde tijd blijven. Ik weet niet wat een ticket kost. Alleen dat die waarschijnlijk iets goedkoper is voor vrouwen aangezien er is bepaald dat er evenveel mannen als vrouwen aan boord moeten zijn. Niemand heeft het hardop gezegd, maar dit is de ark van Noach voor de elite.

Voor me staat mijn jeugdvriend Colin Lowe. Zijn vrouw Liza en dochter Beth staan dichter bij de heliport de lucht af te speuren. Colin is een van de rijkste ondernemers van het land. Hij bezit websites en over de hele wereld onroerend goed, inclusief de wolkenkrabber waar we op staan. Toch kostte het hem minder dan dertig minuten om alles in te pakken wat ze mee willen hebben, heeft hij me zojuist verteld.

‘Alles wat jullie nodig hebben is daar,’ verzeker ik hem.

Er hangt een nerveuze, hectische, maar ook een merkwaardig opgewekte stemming. Rond de heliport en bij de deur naar het dak staat een zwaarbewaakte, geüniformeerde privémilitie, die wordt betaald door Colin en Lowe Inc. Beneden op straat en bij de liften staan nog meer mannen. Hun werk is de mensen tegen te houden die het gebouw bestormen in de hoop te kunnen ontsnappen aan de gangs, of beter: aan boord te kunnen komen van de New Frontier. Je kunt de mensen die dat proberen moeilijk iets kwalijk nemen en ook degenen die ze tegenhouden niet. We vechten allemaal voor onszelf en onze naasten, zo zitten we in elkaar.

Toen ik tegen de middag bij het gebouw aankwam roken de straten naar angst en wanhoop. Ik zag een man in een duur maatpak een van de bewakers bij de ingang een aktetas vol bankbiljetten aanbieden, maar de bewaker sloeg het aanbod af. Misschien omdat er getuigen waren, maar misschien ook omdat niemand weet wat geld morgen waard is. Vlak na hem kwam een knappe vrouw van middelbare leeftijd die ik meende te herkennen. Ze bood zich aan de sergeant van de bewakers aan terwijl ze hem eraan herinnerde in welke films ze had gespeeld.

‘We zijn op weg naar een entropie,’ zegt Colin.

‘Je weet heel goed dat ik geen idee heb wat dergelijke termen betekenen,’ antwoord ik.

‘De tweede wet van de thermodynamica.’ ‘Zegt me niets.’

‘Weten jullie juristen dan helemaal niets?’

‘Alleen hoe we achter ingenieurs aan de boel moeten opruimen.’

Colin lacht. Ik had zojuist ons vijftienjarig symbiotisch partnership binnen Lowe Inc. samengevat.

‘Entropie,’ zegt Colin terwijl hij uitkijkt over de skyline van de stad die zich als een stekelig silhouet aftekent tegen de ondergaande zon. ‘Entropie wil zeggen dat in een geïsoleerd systeem alles in de loop van de tijd kapotgaat. Wanneer je een zandkasteel bouwt en ’s avonds naar huis gaat dan zal het de volgende dag door de elementen zijn veranderd. Niet mooier geworden, maar plat en nietszeggend. Levenloos, zonder ziel. Niets. Dat is een entropie, Will. En het is de universeelste natuurwet van alle.’

‘De wet van de wetteloosheid,’ zeg ik. ‘Zo praat de jurist.’

‘Zo praten de filosofen. Hobbes meende dat we zonder wetten, zonder sociaal contract overgeleverd zijn aan een chaos die erger is dan de ergste dictatuur. En ik zeg je dat het erop lijkt dat hij gelijk heeft gekregen.’

‘Leviathan is gekomen,’ zegt Colin.

‘Wat is Leviathan?’ vraagt Colins dochter Beth die zonder dat we het gemerkt hebben bij ons is komen staan. Ze is zeventien jaar, drie jaar jonger dan haar broer Brad die ergens in de stad zwerft. Ze lijkt zo op Amy, mijn eigen dochter, maar dat is niet de enige reden dat ik tranen voel opkomen als ik naar Beth kijk.

‘Dat is het verhaal van een niet-bestaand zeemonster,’ zeg ik als Colin geen antwoord geeft.

‘Hoe kan het dan hier zijn?’

‘Het is slechts een beeld, lieverd.’ Colin trekt zijn dochter naar zich toe. ‘Daarmee beschreef een bekende filosoof een samenleving zonder wetten en orde.’

‘Zoals hier?’ vraagt Beth.

Een man in een velduniform is onderweg naar ons toe. Colin kucht. ‘Ga maar even naar je moeder, Beth, ik kom zo.’

Gehoorzaam loopt ze weg. ‘Luitenant?’ zegt Colin.

‘Meneer Lowe,’ zegt de man in uniform. Hij heeft dik, kort, grijs haar, en een opgewonden stem in een krakende walkietalkie probeert contact met hem te maken. ‘Mijn sergeant op de begane grond meldt dat ze problemen beginnen te krijgen met het tegenhouden van mensen. Mag er met scherp geschoten worden als…?’

‘Gaat het om gangs?’ vraagt Colin.

‘Het zijn vooral gewone mensen die hopen mee te kunnen met de helikopter, meneer Lowe.’

‘Arme stakkers. Niet schieten tenzij het niet anders kan.’ ‘In orde, sir.’

‘Hoelang duurt het nog voor de helikopter er is?’

‘De piloot zegt dat ze er over twintig minuten zijn, sir.’

‘Oké, houd ons op de hoogte wanneer die gaat landen zodat iedereen klaarstaat om snel aan boord te gaan.’

‘In orde, meneer Lowe.’

Terwijl de luitenant wegloopt, hoor ik dat hij antwoord geeft via de walkietalkie. ‘Ik begrijp het, sergeant, maar het bevel is om niet te schieten tenzij het niet anders kan. Begrepen? Ja, houd stand en…’

De woorden sterven weg en weer is alleen het zachte getik van het vlaggenmasttouw te horen en de sirene van een politieauto die opstijgt uit de donkere straten. Zowel Colin als ik weet dat het de politie niet is, het is meer dan een jaar geleden dat agenten na zonsondergang in de straten durfden te patrouilleren. Waarschijnlijk gaat het om jongemannen die rondrijden met automatische wapens en de juiste hoeveelheid drugs in hun lichaam die hun zintuigen alert houden en het liefst ook nog scherpstellen terwijl hun angsten worden verdoofd. Hoewel, de angsten zijn niet verdoofd, ze zijn weggeslepen, niet alleen bij deze roofdieren, maar bij de hele bevolking. De uitdrukking ‘grensoverschrijdend gedrag’ heeft geen betekenis meer als grenzen zijn verdwenen.

Misschien is dat mijn enige excuus voor wat ik heb gedaan.

Ik hoor nog steeds de motorfiets, er moet een gat in de knalpijp zitten, of hoe dat ding ook mag heten.

Ik geef gas op de verlaten avenue, rij in zuidelijke richting door de stad op weg naar de slachterij. De motor maakt lawaai vanwege een gat in de uitlaat, ik moet dat repareren. En ik moet tanken. De wijzer van de benzinemeter staat in het rood en het is verdomme niet eens zeker of ik mijn einddoel bereik. Je wilt absoluut niet midden in de nacht zonder je eigen gang stranden in het centrum want dan ben je een prooi. Maar oké, zolang ik benzine heb, zolang de motor loopt, sta ik toch een treetje hoger in de voedselketen. Want ik heb gevonden wat ik zocht in de berghelling achter me. De opening. Het gat in de vesting. Misschien dat iedereen die in de villa woont over een paar uur dood is, misschien ook niet. Ik zal het oordeel niet vellen, ik ben slechts de boodschapper. Het geluid van de motor weerkaatst tussen de lege, hoge kantoorgebouwen. Als ik te veel gas geef, is de kans groter dat ik zonder benzine kom te zitten, maar hoe verder ik in het centrum kom, hoe groter de kans dat ik in de problemen raak. Kijk alleen al naar de menigte die voor het Lowe-gebouw stond toen ik voorbijreed. Terwijl ik daar iets langzamer ging rijden, trachtte een van die lui me van mijn motor te trekken. De mensen zijn beesten geworden, ze zijn wanhopig, woedend en bang. Wel verdomme, wat is er gebeurd met deze stad, met dit mooie, fijne land?

 

2

‘Nog achttien minuten voor de helikopter er is!’ roept de luitenant. ‘Duizendtachtig seconden,’ zegt Colin, die altijd sneller kon hoofdrekenen dan ik.

Het ging snel vanaf het moment dat het virus werd ontdekt tot de pandemie die de hele wereld trof en alles verwoestte.

De mensen stierven als ratten. Eerst als gevolg van de ziekte, toen als gevolg van het feit dat de economie en vervolgens de sociale en politieke instituties instortten. Uiteraard werden de armste mensen het hardst geraakt, dat is altijd het geval bij slecht nieuws. Maar pas toen er een tekort aan voedsel ontstond veranderde de maatschappij van ‘we zullen dit met ons allen oplossen’ in een gevecht om voedingsmiddelen tussen de haves and havenots. Eerst ging het om rijk en arm, later om arm en armer, toen tussen buren in alle lagen van de bevolking tot er alleen familie en vrienden overbleven die geen vijanden waren. De supermarkten raakten leeg en daarna ook de wapenwinkels, hoewel de productie van pistolen en geweren het laatste was dat stopte. Het politieapparaat dat al aan de rand van de afgrond stond stortte helemaal in. De rijkste mensen verschansten zich in landhuizen en burchten op het platteland, het liefst op hooggelegen plaatsen die beter te verdedigen waren. En enkele extreem rijken, zoals Colin Lowe, die het ineenstorten al lang voor de pandemie hadden voorzien, hadden hun voorzorgsmaatregelen genomen en onroerend goed en eilanden gekocht die zelfvoorzienend waren en verdedigd werden met de modernste wapens en eigen milities. Paradoxaal genoeg hielp het virus ze in de strijd tegen de grootste dreiging: de massa van arme en wanhopige mensen. Want het virus verspreidde zich vrijelijk onder de mensen die dicht op elkaar woonden en die geen ziektekostenverzekering hadden of geen geld om zich aan de quarantaineregels van de overheid te kunnen houden. Toen de pandemie op haar retour raakte en een minder groot risico vormde dan de plunderingen, werden de mensen die tussen wal en schip vielen het zwaarst getroffen. Degenen die iets hadden wat hun kon worden afgepakt, maar niet genoeg hadden om zich goed te kunnen verdedigen. Als zij beroofd waren van alles, werden ze zelf plunderaars. Dat was opnieuw een pandemie. Armoede, wanhoop, geweld werden besmettelijk.

Toen de pandemie uitbrak was ik chef op de juridische afdeling van het it-bedrijf van Colin. Het virus kwam uit het oosten, van de andere kant van het land, maar had ons al in zijn greep voordat wij – de meerderheid, de veilige middenklasse – tijd hadden om te kunnen reageren.

Vijf jaar eerder, toen Colin me Rateiland had laten zien, dat kleine gevangeniseiland van ongeveer duizend vierkante meter vlak bij het vliegveld, had ik hem geplaagd dat hij een doomsday prepper was, een van de paranoïde gekken die zich de hele tijd voorbereiden op het ergste, het moment dat ze helemaal op zichzelf aangewezen zullen zijn. Dat er zoveel doemdenkers in ons land waren, had vast te maken met ons vrijheidsideaal. Je bent de smid van je eigen geluk, niemand zal je tegenhouden, maar ook zal niemand je komen helpen.

‘Dit gaat puur om gezond verstand,’ had hij gezegd toen ik hem vroeg of dit niet grensde aan paranoia. ‘Ik ben ingenieur en programmeur en wij zijn niet van die hysterische typen die geloven dat het einde van de wereld nadert. We houden alleen rekening met de waarschijnlijkheid dat het onwaarschijnlijke zal gebeuren, net zoals we dat in ons werk doen. Want één ding is zeker, alles kan ons overkomen als de tijd ons maar gegeven is. Absoluut alles. De kans dat de maatschappij in elkaar stort tijdens mijn leven is niet groot, maar kan ook niet worden genegeerd. Als ik de kans vermenigvuldig met hoeveel het me zal kosten, economisch en in levenskwaliteit, dan krijg ik een prijs die ik bereid ben te betalen voor deze verzekering. Deze koop…’ hij gebaarde met zijn hand naar het kale rotseiland met de lege betonnen kolossen die ooit gebouwd waren om moordenaars binnen te houden, en niet buiten, ‘…is dan een lage prijs voor een wat betere nachtrust.’

Toentertijd wist ik niet dat hij al een kast vol wapens had. Of dat de reden dat hij en meerdere directeursvrienden hun ogen hadden laten laseren tegen bijziendheid, niet om cosmetische redenen, maar omdat ze ervan uitgingen dat het moeilijk zou zijn om aan brillen en contactlenzen te komen als de wereldorde in elkaar stort. Bovendien zou scherp zicht essentieel zijn als de strijd om te overleven ons weer een stukje dichter bij het stenen tijdperk bracht.

‘Er is geen reden om niet voorbereid te zijn, Will. Al was het alleen maar voor je gezin.’

Ik was niet voorbereid geweest.

 

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief