leesfragment

‘Meisje’ van Edna O’Brien

Nadat ze wordt gevangen, ontvoerd en uitgehuwelijkt aan een lid van Boko Haram, is de jonge hoofdpersoon onderdeel van een gemeente die wordt geregeerd door bruut geweld. Ze is zelf nog niet eens volwassen, maar wordt gedwongen om voor zichzelf en haar pasgeboren kind op te komen. Te midden van deze chaos biedt zich opeens een mogelijkheid tot ontsnappen aan. Deze tocht leidt haar echter naar nieuw gevaar en meer ontberingen, door de bossen en de onvergeeflijke wildernis van noordoostelijk Nigeria, om te eindigen bij een samenleving die weigert de realiteit onder ogen te zien. Hoe kunnen we liefhebben in een wereld die op losse schroeven staat?

Lees hier alvast de eerste pagina’s van Meisje, een hartverscheurend portret van een jonge, sterke vrouw die op verbijsterende wijze weet te overleven in een gruwelijke omgeving.

Ooit was ik een meisje, maar nu niet meer. Ik stink. Zit onder het opgedroogde, aangekoekte bloed, mijn wrapper aan flarden gescheurd. Vanbinnen ben ik een zomp. Meegesleurd werd ik door dit bos dat ik zag, die eerste afschuwelijke nacht, toen ik met mijn vriendinnen werd ontvoerd van school.

Het plotselinge pang pang van geweerschoten in onze slaapzaal en mannen met bedekt gezicht en fonkelende ogen, die beweren legersoldaten te zijn die ons komen beschermen omdat er een opstand is uitgebroken in de stad. We zijn bang, maar geloven ze. Meisjes wankelden slaapdronken hun bed uit, andere kwamen van de veranda, waar ze waren gaan liggen omdat het een warme, klamme nacht was.

Het plotselinge pang pang van geweerschoten in onze slaapzaal en mannen met bedekt gezicht en fonkelende ogen.
Zodra we Allahu Akbar, Allahu Akbar hoorden, wisten we het. Ze hadden de uniformen van onze soldaten gestolen om langs de bewakers te komen. Ze bestookten ons met vragen: ‘Waar is de jongensschool,’ ‘Waar wordt het cement bewaard,’ ‘Waar zijn de opslagruimtes.’ Toen we zeiden dat we het niet wisten, werden ze kwaad. Er kwamen anderen binnengestormd om te melden dat ze in de schuren geen reserveonderdelen of brandstof hadden aangetroffen, en daar kwam ruzie van.

Ze konden niet met lege handen terugkeren, hun commandant zou woest zijn. Toen zei er eentje met een grijns boven het rumoer uit: ‘Dan maar de meisjes,’ en we hoorden een bevel om meer vrachtwagens te laten aanrukken. Een meisje haalde haar mobieltje tevoorschijn om haar moeder te bellen, maar dat werd meteen afgepakt. Ze begon te huilen, anderen begonnen te huilen, ze smeekten om naar huis te mogen. Een van hen zakte op haar knieën en zei ‘Mister, Mister,’ waarop de man in woede ontstak en ons begon te vervloeken en uit te schelden, ons uitmaakte voor slet en hoer en zei dat we getrouwd hoorden te zijn en dat dat ook snel zou gebeuren.

We werden opgedeeld in groepjes van twintig en moesten wachten, praatten allemaal tegelijk en klampten ons aan elkaar vast tot het bevel kwam om onmiddellijk de slaapzaal te verlaten zonder verder iets mee te nemen.

De bestuurder van de vrachtwagen die als eerste de schoolpoort passeerde, werd onder schot gehouden en reed daarom als een wildeman door het stadje. Er was niemand op de been die aangifte zou kunnen doen van een met jonge meisjes volgepropte vrachtwagen die op dat onchristelijke tijdstip langsdenderde.

Al snel waren we bij een grensdorp, waarachter een dicht junglelandschap begon. De chauffeur kreeg opdracht te stoppen. Enkele minuten nadat hij had moeten uitstappen, hoorden we een spervuur van geweerschoten.

Andere bestuurders zijn gearriveerd en er klinkt opgewonden gepraat en druk overleg over hoe ze de meisjes over de vrachtwagens moeten verdelen. We zijn verlamd van angst. De maan die we een tijdlang kwijt waren geweest, verscheen weer hoog aan de hemel en bescheen met kille stralen de donkere bomen die zich eindeloos ver uitstrekten tot voorbij het duistere hart van onze bestemming. Deze maan is anders dan die die op onze slaapzaalvloer scheen, toen we onze kleren bij elkaar raapten, maar onze schriften, schooltassen en andere bezittingen lieten liggen, zoals ze ons opdroegen. Ik had mijn dagboek verstopt, want het was het enige wat me nog met mijn leven verbond.

Toch hadden we de hoop niet verloren.
Toch hadden we de hoop niet verloren. We wisten dat er inmiddels naar ons gezocht zou worden, dat onze ouders, onze dorpsoudsten, onze leraren allemaal de achtervolging al zouden hebben ingezet. Door de open zijkanten van de vrachtwagen gooien we dingen naar buiten, zodat ze ons spoor kunnen volgen – een kam, een riem, een zakdoek, papiertjes waar we onze naam op hebben gekrabbeld – Vind ons, vind ons. We praten fluisterend en proberen elkaar moed in te spreken.

We rijden de dichte jungle binnen, een hecht vlechtwerk van verschillende bomen ontvangt ons in zijn onzalige omhelzing. De natuur was hier op hol geslagen. Het terrein is zo ruw dat zelfs de bestuurders van de bromfietsen die meerijden om onze ontsnapping te verhinderen, steeds weer slippen en de hoge taluds op worden geslingerd. Rebeka zegt tegen me: ‘Kom, we springen.’ Maar ik aarzel. Ze zegt: ‘Liever dood dan aan hen overgeleverd.’ Vanaf het moment dat we de school achter ons hebben gelaten, heeft ze tot God gebeden en God heeft haar gezegd dat dit slechte mannen zijn en dat we moeten vluchten. Enkele seconden verstreken en ik zie het nog voor me, als een droombeeld, dat gat tussen twee vrachtwagens, Rebeka die een overhangende tak grijpt, heen en weer schommelt en dan springt. Ik dacht: ze ligt daar ergens op de grond, dood, of misschien niet dood. Mijn moed liet me in de steek en bovendien buldert een van de leiders: ‘Wie springt wordt doodgeschoten.’ Ze zullen hebben gedacht dat ze dood was.

De vrachtwagens rijden hotsend en botsend verder en we worden door elkaar geschud. Aisha, die even weggedoezeld was, wordt roepend om haar moeder wakker. Ze is uit een droom gerukt en begint te huilen. Iemand legt een hand op haar mond, anders worden we allemaal geslagen. We zijn doodsbang. We hebben niets meer om naar buiten te gooien. We waren inmiddels te ver om nog opgespoord te kunnen worden. Dit keer zijn het alleen Babby en ik. Haar gehuil komt uit de diepte van haar lege maagje, hese wilde uithalen. Ik zeg tegen haar: ‘Je hebt geen naam en geen vader.’ Ik snauw tegen haar. Soms wil ik haar vermoorden. Mijn borsten zijn zo klein als eierdopjes en ze trekt aan mijn tepels alsof zij mij ook wil vermoorden. We zoeken een put, want het water in de greppels is bruin en modderig. Het smaakt goor. We drinken het heldere water in de holtes van de grote stenen. Ik schep het met mijn handen op en ze slobbert het gretig naar binnen, slikt het door, verslikt zich er bijna in. Dat zijn onze genadevolle momenten, vers water, kort respijt van dorst en hopeloosheid. Ik heb geen idee welke dag het is, welke maand of welk jaar. Ik weet alleen dat er zand door de lucht wervelt, zand dat wordt aangevoerd uit de Sahel, dat in onze ogen schuurt en ons half verblindt.

Waar geen bomen staan is de aarde okergeel en doorgroefd met diepe zigzaglijnen, prachtig om te zien.
Waar geen bomen staan is de aarde okergeel en doorgroefd met diepe zigzaglijnen, prachtig om te zien. Aan de uiteinden van de takken ontspruiten de eerste jonge opgerolde blaadjes. Als ik ’s nachts wakker lig, zie ik lucht. Een violetblauwe lucht zover het oog reikt, een land vol schoonheid dat is veranderd in een oord vol verdriet. Zoveel dode meisjes. Het huilend suizelen van de bomen.

Ik leg haar neer met haar hoofd op een graspol als kussen. Pas dan valt ze in slaap. Zelf dommel ik steeds maar kort weg, uit angst om wat ons zou kunnen overkomen. Soms word ik midden in een droom wakker met natte oogleden, een droom over iemand die ik moet hebben gekend of zelfs liefgehad. Maar dit is niet het moment voor herinneringen of zelfmedelijden. Af en toe klinkt in de verte hondengeblaf. Ik heb al dagen geen mens gezien en vrees dat als dat wel gebeurt, we zullen worden teruggesleurd voor het bloedigste einde.

Het lukt me niet om in mijn oude taal te bidden, want ze hebben ons gebombardeerd met hun gebeden, hun geboden, hun ideologie, hun haat, hun vroomheid.

 

Het was een groot, drassig terrein vol rommel. Emmers, schoppen, kratten, kruiwagens, stoeptegels, cement en bromfietsen, het zand vuilgeel van de regen. Je hoorde het gestage gezoem van generatoren.

Achter de hoge kleiwallen met bovenop grote rollen prikkeldraad de zich eindeloos uitstrekkende bossen. Ze waren donker en eng, een veelheid aan bomen die meer bomen voortbrachten, meer duisternis, definitieve verbanning. De kleine moskee had een glimmende aluminium minaret en iets verderop wapperde een zwarte vlag aan een stok. Akra, een meisje uit een klas boven mij, kwam uit de slaapzaal waar ze ons hadden achtergelaten, bleef roerloos staan en nam onze grimmige omgeving in zich op. Van onze school waren er hier maar vijftien. De rest was afgevoerd naar andere kampen in het bos. We waren ruw een slaapzaal in geduwd waar andere meisjes nog lagen te slapen en waren dicht tegen elkaar aan gekropen.

Het middenterrein werd gedomineerd door een grote boom waarvan één stevige tak ver uitstak. Hij was vochtig bruin met een groenige zweem en ik vroeg me af of onze boom thuis net zo’n glinsterend, groenig waas had. Ik wist het nog niet, maar die boom was ons toekomstige klaslokaal. We zouden er elke dag vijf keer onder staan en zitten en knielen om te bidden. We zouden soera’s ingeprent krijgen en uit het hoofd moeten leren in een taal die ons vreemd was en een god moeten aanbidden die niet de onze was. We zouden zo nu en dan worden gefotografeerd, zodat de groepsfoto’s van ons in onze grauwe gewaden en met onze afgestompte gezichten konden worden opgestuurd naar onze radeloze ouders die er ingespannen naar zouden turen op zoek naar hun eigen bloed tussen al die gezichten die er nu allemaal hetzelfde en even erbarmelijk uitzagen.

Uit de diverse ronde hutten kwamen mannen naar buiten die haastig naar de moskee liepen. Ze waren wisselend gekleed, sommige in spijkerbroek en t-shirt, andere in slobberkleren en weer andere in legerjacks. Sommigen namen ons van top tot teen op terwijl ze langs ons snelden, keurden onze malsheid.

Ze had geen tong meer. Welk misdrijf had ze begaan.
Terwijl het monotone gedreun van het gebed naar buiten drong tot waar wij stonden, kwam een jong meisje over het erf gestrompeld en bleef voor ons staan. Ze beefde onbedaarlijk. Op haar onderlip zat een dikke prop verbandgaas die met bloed doordrenkt was. Ze kon niet praten, al probeerde ze dat wel. Ze wees steeds naar haar mond, uiteindelijk lukte het haar die een stukje open te krijgen. Ze had geen tong meer. Welk misdrijf had ze begaan.

We stonden daar nog steeds toen een vrouw in groene kaplaarzen met in haar hand een doornige stok naar ons toe kwam. De doorns waren rood als rijpe bessen en vlijmscherp. We krijgen opdracht terug te keren naar de slaapzaal. Zo begon onze initiatie.

Ieder meisje kreeg een uniform, dat er precies zo uitzag als wat de meisjes droegen die daar al veel langer waren. We moesten ze aantrekken. Ze waren van een mistroostig blauwe stof met hidjabs die nog donkerder waren, en hoewel ik mezelf niet zag, er waren tenslotte geen spiegels, zag ik mijn vriendinnen wel, getransformeerd, in één klap oud, net nonnen in de rouw. Ik zag Teresa en Fatim en Regina en Aida en Kiki, allemaal sprakeloos en vechtend tegen de tranen. We moesten onze oude kleren oprapen, mochten helemaal niets achterlaten. In alle drukte wist ik mijn opschrijfboekje te verstoppen. Het was een piepklein opschrijfboekje dat meer bedoeld was voor sommetjes dan voor letters, maar ik propte in elk ruitje woorden. Ik hamsterde ze. Dat waren nu mijn enige vrienden. Het opschrijfboekje had ik samen met een stuk lekker ruikend papier gewonnen met mijn opstel over de natuur. Op de rand van het papier stond Woods of Windsor. Ik wist niet waar Windsor lag.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief