leesfragment

MILLENNIUM deel 6 – ‘Zij die moet sterven’ van David Lagercrantz

Ik ben de jager, niet de prooi.

In Zij die moet sterven, het zesde deel in de Millennium-reeks, maakt Lisbeth Salander zich op voor de finalestrijd met haar zus…

Kan je niet wachten om te beginnen in het nieuwste boek van David Lagercrantz? Ontdek hieronder dan alvast het eerste hoofdstuk!


Deel 1 DE ONBEKENDEN

Veel doden krijgen nooit een naam en sommigen niet eens een graf.
Anderen krijgen een wit kruis te midden van duizenden andere, zoals op het Amerikaanse oorlogskerkhof in Normandië.
Aan sommigen wordt een heel monument gewijd, zoals het Graf van de Onbekende Soldaat onder de Arc de Triomphe in Parijs of in de Alexandertuin in Moskou.

1. 15 AUGUSTUS

De eerste die zich naar de boom waagde en begreep dat de man dood was, was de schrijfster Ingela Dufva. Het was toen halftwaalf in de ochtend. Het stonk er en het gonsde er van de vliegen en de muggen, en Ingela Dufva was niet helemaal eerlijk toen ze later verklaarde dat de figuur die daar zat iets ontroerends had. De man had overgegeven en had zware diarree gehad. Ze was niet zozeer vervuld van ontzag als wel van afkeer en van angst voor haar eigen dood. Ook de agenten Sandra Lindevall en Samir Eman, die een kwartier later ter plaatse waren, beschouwden hun werk daar puur als een straf.

Ze namen foto’s van de man en doorzochten de nabije omgeving, al kwamen ze niet helemaal tot onder aan de helling bij de Zinkensväg, waar een halve fles drank lag, met een dun laagje drab onderin, en hoewel ze geen van beiden vonden dat ‘het duidelijk op misdaad wees’, onderzochten ze zijn hoofd en borst nauwkeurig. Er waren geen sporen van geweld en ook geen andere tekenen die op een verdachte doodsoorzaak wezen, afgezien van een dikke sliert kwijl die uit zijn mond liep, dus nadat ze de kwestie met hun meerderen hadden besproken, besloten ze de plek niet af te zetten.

In afwachting van een ambulance die het lichaam moest afvoeren, doorzochten ze de zakken van de vormeloze gewatteerde jas. Ze vonden een heleboel doorschijnende papiertjes van worst kraampjes, wat muntjes, een biljet van twintig kronen en een bonnetje van een kantoorartikelenwinkel aan de Hornsgata, maar geen legitimatie of identiteitsbewijs.

Toch dachten ze dat het gemakkelijk zou zijn om de man te identificeren.
Toch dachten ze dat het gemakkelijk zou zijn om de man te identificeren. Het ontbrak hem niet aan opvallende kenmerken. Maar dat was, zoals meer wat ze dachten, een verkeerde hypothese.

Bij het forensisch instituut in Solna, waar sectie op het lichaam werd gepleegd, werden röntgenfoto’s van het gebit gemaakt. Die gaven geen match in het register, evenmin als de vingerafdrukken, en nadat ze diverse monsters naar het NFC, het Nationaal Forensisch Centrum, had gestuurd, checkte forensisch arts Fredrika Nyman – hoewel dat helemaal niet tot haar taken behoorde – een paar telefoonnummers, die op een verkreukeld papiertje stonden dat in de broekzak van de man was gevonden.

Eén ervan was van Mikael Blomkvist van het tijdschrift Millennium, en een paar uur schonk ze er geen aandacht meer aan. Maar later die avond, na een splijtende ruzie met een van haar tienerdochters, herinnerde ze zich dat ze alleen al het afgelopen jaar drie lichamen had geobduceerd die een naamloos graf hadden gekregen. Ze vloekte – daarover en over het leven in het algemeen.

Ze was negenenveertig, alleenstaande moeder met twee kinderen, leed aan rugpijnen, slapeloosheid en gevoelens van zinloosheid, en zonder dat ze goed en wel begreep waarom, belde ze Mikael Blomkvist.

 

De telefoon zoemde. Het was een onbekend nummer en Mikael reageerde er niet op. Hij had net zijn appartement verlaten en liep via de Hornsgata naar Slussen en de oude stad, zonder dat hij ook maar enig idee had waar hij naartoe ging. Hij droeg een grijze linnen broek en een ongestreken jeansbloes en hij dwaalde een hele tijd gewoon maar wat door de steegjes, totdat hij uiteindelijk op een terras aan de Österlånggata ging zitten en een Guinness bestelde.

Het was halfzeven in de avond. Maar het was nog warm en uit de richting van Skeppsholmen klonk gelach en applaus. Hij keek naar de blauwe lucht, voelde een zacht briesje vanaf het water en probeerde zichzelf ervan te overtuigen dat het leven zo slecht nog niet was. Dat lukte niet erg en een paar biertjes hielpen ook al niet, dus uiteindelijk mopperde hij wat, betaalde en ging weer naar huis om door te werken of zich domweg te verliezen in een tv-serie of een thriller.

Maar hij veranderde meteen weer van gedachten en liep in een opwelling naar de Fiskargata.
Maar hij veranderde meteen weer van gedachten en liep in een opwelling naar de Fiskargata. Op nummer 9 woonde Lisbeth Salander, maar hij had weinig hoop dat ze thuis zou zijn. Na de begrafenis van haar oude voogd Holger Palmgren had ze door Europa gereisd en Mikaels mailtjes en sms’jes slechts sporadisch beantwoord. Toch besloot hij op goed geluk aan te bellen, dus hij liep vanaf het plein de trappen op en keek verbaasd naar het huis. De hele muur was bedekt door een grote nieuwe graffititekening. Daar had hij geen tijd voor, hoewel het wel een tekening was om goed te bekijken, vol surrealistische details, onder meer van een grappig mannetje in een Schots geruite broek, die op blote voeten op een groene metrowagon stond.

Hij toetste de voordeurcode in, stapte in de lift en keek nors in de spiegel die daar hing. Je kon niet aan hem zien dat het een warme, zonnige zomer was geweest. Hij was bleek, had holle ogen en dacht terug aan de beurskrach waar hij de hele maand juli druk mee bezig was geweest. Het was een belangrijk verhaal, dat stond buiten kijf, over een crash die niet alleen door hoge taxaties en overspannen verwachtingen, maar ook door hackeraanvallen en desinformatiecampagnes was veroorzaakt. Maar tegenwoordig verdiepte iedere zichzelf respecterende onderzoeksjournalist zich daarin en hoewel hij wel het een en ander had gevonden – en onder meer wist welke trollenfabriek in Rusland de grootste leugens verspreidde – had hij het gevoel dat de wereld het heel goed kon stellen zonder zijn inspanningen. Waarschijnlijk moest hij gewoon vrij nemen en wat meer gaan bewegen en misschien moest hij ook meer aandacht schenken aan Erika, die in scheiding lag met haar Greger.

De lift stopte, hij schoof het hek open en stapte uit op de verdieping, in de steeds sterkere overtuiging dat dit bezoek zinloos was. Lisbeth was ongetwijfeld op reis, en hij kon haar niets schelen. Het volgende moment werd hij ongerust. De deur naar haar appartement stond wagenwijd open, en plotseling drong het tot hem door hoe bang hij de hele zomer was geweest dat haar vijanden zich op haar zouden storten. Hij stormde over de drempel, riep ‘Hallo, hallo’ en werd begroet door de geur van verf en schoonmaakmiddelen.

Verder kwam hij echter niet. Hij hoorde voetstappen. Op de trap achter hem hijgde iemand als een briesende stier. Mikael draaide zich om en keek in de ogen van twee grote kerels in blauwe overalls. Ze droegen iets groots, en Mikael was zo over zijn toeren dat hij niet in staat was het alledaagse of normale van het tafereel in te zien.

‘Wat zijn jullie aan het doen?’ vroeg hij.

‘Waar lijkt het op?’

Maar dat was natuurlijk wensdenken. De stem leek niet eens op die van Lisbeth.
Het leek op twee verhuizers die een blauwe bank naar boven zeulden, een nieuw, hip designmeubel, en Lisbeth – dat wist hij als geen ander – was niet het type voor designspullen en binnenhuisarchitectuur. Hij wilde er net iets over zeggen toen hij binnen een stem hoorde. Even dacht hij dat het die van Lisbeth was, en hij fleurde op. Maar dat was natuurlijk wensdenken. De stem leek niet eens op die van Lisbeth.

‘Dat is nog eens leuk bezoek. Wat verschaft me de eer?’

Hij draaide zich weer om. Op de drempel stond een lange, zwarte vrouw van een jaar of veertig, die hem spottend aankeek. De vrouw had een spijkerbroek en een elegante grijze blouse aan. Haar lange haar was gevlochten. Haar ogen keken hem schuin en fonkelend aan, en zijn verwarring werd nog groter. Kende hij haar niet ergens van?

‘Nee, nee,’ mompelde hij.
‘Ik ben gewoon…’
‘Je bent gewoon…’
‘Op de verkeerde verdieping.’
‘Of wist je niet dat de jongedame haar huis had verkocht?’

Dat wist hij niet en daar baalde hij van, vooral omdat de vrouw maar bleef lachen. Hij was haast opgelucht dat ze haar aandacht weer op de verhuizers richtte, erop toezag dat de bank niet tegen de deurkozijnen stootte en het appartement weer binnenging. Hij wilde daar weg om deze informatie te verwerken. Hij wilde nog een Guinness. Maar hij bleef als aan de grond genageld staan en keek tersluiks naar de brievenbus. Daar stond niet meer V.K. Bont, maar Linder. Wie was Linder in vredesnaam? Hij zocht de naam op op zijn mobiel en kreeg de vrouw op zijn schermpje.

Het was Kadi Linder, de psycholoog en beroepsbestuurder. Hij dacht even over haar na – over het weinige wat hij van haar wist – maar hij dacht vooral aan Lisbeth, en had zich nog maar nauwelijks een beetje hersteld toen Kadi Linder weer in de deuropening verscheen, ditmaal met een blik die het midden hield tussen spottend en vragend. Ze keek om zich heen. Ze geurde vaag naar parfum, was slank, had smalle polsen en geprononceerde sleutelbeenderen.

‘Nou, vertel. Had je je echt vergist in de verdieping?’

‘Die vraag sla ik over,’ antwoordde hij, en dat was geen goed antwoord, besefte hij onmiddellijk.

‘Dat maakt me nou niet bepaald minder nieuwsgierig,’ zei ze.
Hij begreep uit haar lachje dat ze die schijnbeweging doorzag en snapte dat hij er zo gemakkelijk mogelijk van af wilde komen. Niets zou hem er echter toe kunnen brengen om te verklappen dat Lisbeth hier onder een fictieve identiteit had gewoond, ongeacht wat Kadi Linder wist of niet wist.

‘Dat maakt me nou niet bepaald minder nieuwsgierig,’ zei ze.

Hij lachte – alsof het maar een grappige privézaak was.

‘Dus je bent hier niet om onderzoek te doen naar mij?’ vervolgde ze. ‘Het was geen koopje, dit huis.’

‘Als je geen paardenhoofd hebt afgehakt en dat in iemands bed hebt gelegd, zal ik je met rust laten.’

‘Ik herinner me niet alle details van de onderhandelingen, maar ik geloof dat dat er niet in voorkwam.’

‘Mooi. Dan wens ik je succes,’ antwoordde hij met gespeelde luchthartigheid, en hij wilde weglopen, tegelijk met de verhuizers die de flat weer uit kwamen.

Maar Kadi Linder wilde blijkbaar nog doorpraten. Ze friemelde nerveus aan haar blouse en haar vlechten, en het viel hem op dat dat wat hij aanvankelijk voor irritante zelfverzekerdheid had aangezien in feite iets heel anders maskeerde.

‘Ken je haar?’ vroeg ze.
‘Wie?’
‘De vrouw die hier woonde.’
Hij kaatste de vraag terug.
‘Jij?’
‘Nee,’ zei ze.
‘Ik weet niet eens hoe ze heet. Maar ik mag haar toch wel.’
‘Hoezo?’

‘Ondanks die hele chaos op de beurs werd er als een gek op dit huis geboden, en daar kon ik niet in meegaan, dus ik gaf het op. Maar ik kreeg het toch omdat “de jongedame”, zoals de advocaat haar noemde, wilde dat ik het zou krijgen.’

‘Grappig.’

‘In de media kennen ze me vooral omdat ik altijd ruziemaak met de mannen in de besturen.’
‘Ja, hè?’
‘Misschien had je iets gedaan wat de jongedame aanstond?’
‘In de media kennen ze me vooral omdat ik altijd ruziemaak met de mannen in de besturen.’
‘Het is niet onmogelijk dat die dingen haar aanstaan.’
‘Zou kunnen. Mag ik je uitnodigen voor een inwijdingsbiertje, zodat je er iets meer over kunt vertellen? Ik moet zeggen…’
Ze aarzelde weer.
‘… dat ik je reportage over die tweeling geweldig vond. Heel aangrijpend.’
‘Dank je,’ zei hij.

‘Heel vriendelijk. Maar ik moet gaan.’ Ze knikte, en hij wist nog een ‘dag’ uit te brengen. Verder wist hij nauwelijks hoe hij er wegging, alleen dat hij weer buiten kwam in de zomeravond. Het viel hem totaal niet op dat er twee nieuwe bewakingscamera’s bij de voordeur hingen en zelfs niet dat er pal boven hem een luchtballon zweefde. Hij beende door Mosebacke naar de Urvädersgränd en ging pas langzamer lopen toen hij in de Götgata kwam en merkte dat hij helemaal de kluts kwijt was – terwijl er niet meer was gebeurd dan dat Lisbeth was verhuisd, en daar had hij eigenlijk heel blij om moeten zijn. Ze was nu veiliger. Maar hij was niet blij, hij had eerder het gevoel dat hij een draai om zijn oren had gehad, en dat was natuurlijk idioot.

Ze was Lisbeth Salander. Ze was zoals ze was. En toch voelde hij zich gekwetst. Ze had hem toch op zijn minst een hint kunnen geven. Hij pakte zijn mobiel om haar een sms’je te sturen, een vraag, maar nee, toch maar niet. Hij liep over de Hornsgata, zag dat de jongste kinderen hun rondje van de Middernachtloop al renden en keek verbaasd naar al die ouders die hen aan de rand van het trottoir stonden toe te schreeuwen en aan te moedigen. Hun vrolijkheid kwam hem onbegrijpelijk voor en hij moest moeite doen om een gaatje tussen de lopers te vinden om over te steken. Ook toen hij in de Bellmansgata was, bleven zijn gedachten rondtollen. Hij dacht terug aan de laatste keer dat hij Lisbeth had gezien.

Dat was in restaurant Kvarnen op de avond na de begrafenis van Holger. Ze zochten allebei naar woorden, wat natuurlijk niet zo vreemd was, en het enige wat hem van die ontmoeting was bijgebleven was haar antwoord op zijn vraag ‘Wat ga je nu doen?’.

‘Ik moet zorgen dat ik de jager ben en niet de prooi.’
‘Ik moet zorgen dat ik de jager ben en niet de prooi.’

De jager en niet de prooi.

Hij probeerde het haar te laten uitleggen. Dat lukte niet, en hij herinnerde zich dat ze daarna wegliep over de Medborgarplats, gekleed in een zwart maatpak waarin ze leek op een boze jongen die zich tegen zijn zin netjes had gekleed voor een feest. Dat was nog niet zo lang geleden: begin juli. Maar het leek al ver weg, en hij dacht onder meer daaraan terwijl hij doorliep naar huis. Toen hij eindelijk terug was in zijn flat en met een Pilsner Urquell op de bank zat, ging zijn telefoon weer.

Het was een forensisch arts, een zekere Fredrika Nyman.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief