leesfragment

‘Molly en het kattencafé’ van Melissa Daley

Na het verliezen van haar baasje, komt de jonge cyperse kat Molly in een huis vol katten-hatende honden terecht. Ze besluit het heft in eigen poot te nemen en gaat op zoek naar een nieuw thuis. Dit vindt ze bij café-eigenaresse Debbie, die moeite heeft haar café draaiende te houden. Samen proberen ze het tij te keren. Zal het Debbie en Molly lukken het eerste kattencafé in de Cotswolds te openen?

Lees hier alvast de eerste pagina’s van Molly en het kattencafé, de meest aaibare feelgoodroman van het jaar!

1

Ik herinner me niet veel van mijn vroegste jeugd, maar als ik mijn ogen dichtdoe zie ik de blijdschap op Margery’s gezicht op het moment dat ik, als een pluizig miauwend bolletje, voor het eerst op haar schoot werd gezet weer levendig voor me.

‘Kijk nou eens, wie hebben we hier?’ zei ze zacht, terwijl ik naar haar opkeek met mijn nog maar pas geopende oogjes.

‘Dit is Molly,’ antwoordde iemand. ‘Haar moeder is een zwerfkat en alle andere jongen uit haar nest hebben al een goed thuis, Molly is de laatste. Ze is acht weken.’

Een glimlach die me het gevoel gaf dat ik het allerbelangrijkste op de wereld was voor haar
Ik keek met kleine oogjes vanaf haar schoot naar haar op. Margery’s gezicht was zacht en donzig, met diepe rimpels en lieve ogen. Ze had kort zilvergrijs haar dat haar gezicht in zorgvuldig gekapte lokken omlijstte. Maar wat ik me het best herinner van de Margery van toen, was haar glimlach. Een glimlach die me het gevoel gaf dat ik het allerbelangrijkste op de wereld was voor haar… Of zoals Margery het zelf zou zeggen: ‘de beste uitvinding sinds gesneden brood’. ‘Ik dacht dat je wel wat gezelschap kon gebruiken,’ vervolgde de vrouw die mij had meegebracht. ‘Ik weet dat je je eenzaam voelt sinds Malcolm er niet meer is. En een lief poesje is misschien precies wat je nodig hebt!’

‘Nou, ik vind Molly in elk geval… poeslief!’ reageerde Margery zacht en ik hoorde dat ze oprecht blij met me was. En daarmee was het geregeld: Margery was mijn nieuwe baasje. Ze kriebelde me onder mijn kin en ik begon te spinnen, eerst voorzichtig en aarzelend, maar dat veranderde algauw in een luid, stevig geronk. Margery begon te lachen om de herrie die ‘zo’n klein mormeltje’ als ik kon maken.

Wat Margery ook klaarmaakte, ze hield altijd een portie voor mij apart.
In de maanden daarna, waarin ik van kitten uitgroeide tot jongvolwassene, ontstond er een hechte band tussen ons die gebaseerd was op wederzijdse adoratie. Margery vond het fijn iemand te hebben om voor te zorgen en tegen te praten en ik genoot van haar liefdevolle aandacht. Als actieve, opgroeiende puber had ik een onbedaarlijke honger en Margery leek het heerlijk te vinden om die te stillen. Ze kocht niet alleen het lekkerste kattenvoer dat er te krijgen was, maar bewaarde ook altijd wat van haar eigen eten voor me: kip, lamskarbonaadjes, een lekker mootje zalm – wat Margery ook klaarmaakte, ze hield altijd een portie voor mij apart.

Margery’s huis werd algauw mijn domein: ik kon slapen waar ik maar wilde en doen wat er in me opkwam. Het was zo’n comfortabel leventje dat ik nooit de behoefte voelde om de wereld buiten te gaan verkennen. Van achter haar slaapkamerraam kon ik de daken van de huizen in het dorp en de glooiende heuvels erachter zien en dat vond ik voldoende. Af en toe kuierde ik ons doodlopende straatje in, maar om eerlijk te zijn had het dorpje waarin we woonden weinig aantrekkingskracht voor me. Er was niet veel te zien buiten een rijtje winkels, een kerk en wat cafés. Ik wist dat andere katten uit het dorp graag op het kerkplein op jacht gingen, maar ik was zo weldoorvoed dat ik weinig behoefte had aan dat soort vertier.

Ik had geluk met mijn baasje, het leven met Margery was alles waar een kat op kan hopen en ik vond het heerlijk.
Ik had geluk met mijn baasje, het leven met Margery was alles waar een kat op kan hopen en ik vond het heerlijk. Maar dat was voordat Margery’s droefheid begon.

‘Alsjeblieft, Molly,’ fluisterde Margery op een dag. Met één hand op het aanrecht steunend boog ze voorover en zette mijn etensbakje voorzichtig op het keukenzeil. Ik begon te spinnen, ik had honger en had geduldig zitten wachten terwijl Margery langzaam door de keuken scharrelde en de huishoudelijke karweitjes verrichtte die altijd voorafgingen aan mijn avondeten.

Ik sprong van de keukentafel, maar een snelle blik in mijn bakje bevestigde mijn diepste angsten. Ik rook moedeloos aan de inhoud, in de hoop dat er onder de beige smurrie iets katvriendelijks zou liggen, maar die hoop ging meteen in rook op.

Niet voor het eerst in de afgelopen weken besefte ik dat ik weer een jachtexpeditie zou moeten ondernemen om mijn honger te stillen.
‘Het is aardappelpuree, Molly, je lievelingskostje!’ zei Margery, die mijn aarzeling opmerkte. Omdat ik een sterk vermoeden had dat dit het enige eten was dat ik zou krijgen, likte ik voorzichtig aan de onaantrekkelijke, grauwe brij. Toen nam ik argwanend een hapje. De smurrie smaakte nergens naar en zat vol klonten, en toen ik mijn hap probeerde door te slikken bleef er een grote brok in mijn keel steken. Mijn lijf spande zich onmiddellijk en braakte de walgelijke derrie meteen weer uit. Het bleek een niet-gepureerde aardappel te zijn, ongaar en grijzig van kleur. Niet voor het eerst in de afgelopen weken besefte ik dat ik weer een jachtexpeditie zou moeten ondernemen om mijn honger te stillen.

Terwijl ik het gerommel in mijn maag probeerde te negeren keek ik op naar Margery, die nu weer bezig was aan de gootsteen. Ze mompelde in zichzelf, wat ik een beetje onrustbarend vond. Ik was gewend geraakt aan haar huishoudelijke routine (zolang ik me kon herinneren deed ze elke dag hetzelfde), maar ik voelde dat ze nu onzeker en nerveus was. Ze waste een steelpan af, die ze daarna langzaam en grondig afdroogde. Toen keek ze met de pan tegen 12 haar borst geklemd weifelachtig om zich heen. Ze deed de koelkast open en zette de pan daarin, maar schudde haar hoofd en haalde hem er weer uit. Daarna maakte ze een paar keukenkastjes open, ontmoedigd dat er glazen of servies in bleken te staan. Ik wist dat dit niet haar normale gedrag was, of in elk geval was dat tot voor kort zo, maar het viel niet te ontkennen dat dit soort dingen de laatste tijd steeds vaker gebeurden.

Ik keerde mijn bakje klonterige puree de rug toe en trippelde door de keuken naar het enige kastje dat ze niet had opengemaakt. Trots en met mijn staart kaarsrecht omhoog begon ik luid te miauwen.

Margery keek nog steeds zoekend de keuken rond en ik moest nog een paar keer miauwen voordat ze haar aandacht op mij richtte.

‘Wat is er, Molly?’ vroeg ze een beetje geïrriteerd.

Ik wreef mijn hoofd uitgebreid tegen het kastdeurtje aan in een poging het haar duidelijk te maken.

Ik snorde, geraakt door haar dankbaarheid, maar diep vanbinnen maakte ik me zorgen.
Margery keek me even niet-begrijpend aan en bukte zich toen om het kastdeurtje open te maken. ‘O, Molly, wat ben je toch een slimme meid!’ riep ze uit toen ze er een keurige stapel pannen in zag staan. Ze zette de pan terug op de plaats waar hij hoorde en aaide me achter mijn oren. Ik snorde, geraakt door haar dankbaarheid, maar diep vanbinnen maakte ik me zorgen.

Margery en ik hadden dit traject de laatste paar maanden vele malen doorlopen. Ik was er bedreven in geworden haar nauwkeurig in de gaten te houden en het op te merken als ze iets anders dan anders deed, zoals haar leesbril in de koelkast leggen of haar huissleutels in het badkamerkastje. Als ze van streek raakte, wat onvermijdelijk gebeurde na zoiets, hielp ik haar terug te vinden wat ze kwijt was door op de goede plek te gaan zitten miauwen. Eerst dacht ik dat het een nieuw spelletje was dat we samen deden en feliciteerde ik mezelf met mijn opmerkzaamheid en goede geheugen. Maar na een tijdje begon het me op te vallen dat Margery lang niet zo van het spel genoot als ik. Ze was zelfs vaak nerveus en van slag of boos op zichzelf om haar stommiteit.

Voor buitenstaanders leek ons leventje hetzelfde als altijd: Margery redderde in het huis, ruimde op en stofte af terwijl ik op de bank lag te dutten of mijn best deed haar te helpen met de kruiswoordpuzzel door op de krant te gaan zitten en met mijn poot tegen de pen te slaan als zij de lege vakjes invulde. Maar ze glimlachte steeds minder vaak en soms zat ze zomaar wat te huilen in haar stoel terwijl ze uit het raam staarde.

Ik deed mijn best om haar te troosten en wreef mijn wang luid spinnend langs de hare, maar wist dat er iets grondig mis was, iets wat ik niet voor haar kon oplossen.

Haar geheugen liet haar soms in de steek, ze was af en toe in de war of geagiteerd omdat ze dacht dat ze haar chequeboek of haar sleutels kwijt was. Eerst gebeurde dat nog maar af en toe, maar in de loop van de tijd steeds vaker. Zelfs met mijn opmerkingsgave en hulp leek Margery haar grip op de dagelijkse dingen van haar leven te verliezen.

Van óns leven.

Nadat ze de steelpan op de juiste plek had teruggezet ging Margery naar de woonkamer om televisie te kijken. Ik overwoog even om naast haar te gaan liggen en de avond in een kameraadschappelijk zwijgen door te brengen, maar ik wist uit ervaring dat ik er niet op kon rekenen dat Margery eraan zou denken me nog iets te eten te geven die avond. Dus rook ik nog even aan de koude aardappelpuree die nu begon te stollen in mijn bakje en verdween door het kattenluik om naar een klein knaagdier op jacht te gaan om mijn maag te vullen.

Tevreden dat alles in orde was sprong ik op de bank, krulde me op en viel in slaap.
Toen ik later die avond terugkwam was Margery al naar bed. Ik deed mijn dagelijkse avondpatrouille door het huis en controleerde of alle ramen dicht waren, de voordeur op slot was en de oven uit stond. Tevreden dat alles in orde was sprong ik op de bank, krulde me op en viel in slaap.

De ochtend daarop zat ik me te wassen op de vensterbank in de woonkamer toen ik Margery boven langzaam hoorde rondscharrelen in haar slaapkamer, waar ze zich aankleedde en haar haar borstelde. Ik hoopte dat het vandaag een goede dag zou worden, dat ze niet huilerig zou zijn en eraan zou denken me mijn ontbijt te geven. Toen ik haar voorzichtig de trap af hoorde komen sprong ik van de vensterbank en trippelde de woonkamer uit om te kijken of ze de verraderlijke bocht onder aan de trap veilig redde. Met mijn staart rechtop als begroeting miauwde ik ‘Hallo’ en wreef met mijn lijf langs haar enkels.

‘O!’ riep ze uit.

Ik spinde als antwoord.

‘Wie ben jij?’ vroeg ze.

Ik keek naar haar op en zag haar gefronste wenkbrauwen en de bekende blik van verwarring in haar ogen.

Ik miauwde nog een keer. ‘Ik ben Molly,’ wilde ik zeggen. ‘Ik ben je kat!’

Ze hield haar hoofd scheef en keek me vragend aan. Ik wenste met heel mijn hart dat ze weer wist wie ik was, mijn naam zei en me lachend verzekerde dat ze natuurlijk nooit zou vergeten dat ik haar kat was.

‘Ben je zomaar vanaf de straat hier binnen komen lopen, poesje? Je moet naar huis, je baasje is natuurlijk ongerust waar je blijft!’

Ze liep langs me heen naar de voordeur en pakte de sleutels, die, dat had ik de avond ervoor gecheckt, op hun vaste plaats op het plankje lagen. Ze draaide de deur langzaam van het slot en had even moeite met de ketting maar trok hem toen open. Toen glimlachte ze naar me, duidelijk in de verwachting dat ik blij was dat ik werd vrijgelaten en naar huis kon. Ik stond met trillende staart op de vloerbedekking in de hal.

‘Nou, ga maar! Je hebt vast zin in een ontbijtje!’

De pijn van een vreemde zijn in mijn eigen huis.
Mijn ogen begonnen te prikken. Margery’s desoriëntatie was vaak verwarrend voor me en haar verdriet op momenten dat ze leek te begrijpen wat er met haar gebeurde vond ik hartverscheurend. Maar haar gedrag had me nog nooit zo diep geraakt als nu. Dit was anders. Dit was de pijn van geen liefde in de ogen van mijn baasje zien, alleen maar leegheid en verwarring. De pijn van een vreemde zijn in mijn eigen huis.

Maar ik wilde niet dat Margery aan me zag dat ik verdrietig was en dus boog ik mijn hoofd en glipte langs haar heen de voordeur uit.

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief