leesfragment

‘Momentopnamen’ van Claudio Magris

Voor Momentopnamen stelde auteur en filosoof Claudio Magris een bloemlezing samen van korte persoonlijke schetsen – snapshots uit het leven. Aan bod komen uiteenlopende onderwerpen: groots en alledaags, universeel en persoonlijk, algemeen en politiek. Magris gaat in op de kleine, verborgen gebaren die een inkijkje geven in de menselijke ziel.

Momentopnamen is een uitnodiging om in deze verwarrende tijden kritisch naar onszelf en elkaar te kijken en te zoeken naar begrip en ruimhartigheid. Ontdek hieronder de eerste drie verhalen uit de bundel.

De duif en de dubbelkoppige adelaar

In het stadspark van Triëst, aan de voet van een vrouwenbeeld dat een halfnaakt Italië voorstelt met een dubbelkoppige adelaar op haar schouders – symbool van het Habsburgse Oostenrijk, in de Eerste Wereldoorlog neergehaald en een soort kostelijk wildbraad geworden voor in de pan –, ligt een dode vrouwtjesduif. Ze ligt languit, met haar pootjes in de lucht; één oog, dik van gestold bloed, hangt half uit de oogkas. Vanonder een struik komen zes of zeven duiven tevoorschijn die netjes op een rij naderbij huppen; ze bespringen haar beurtelings, de een na de ander, en terwijl de rest toekijkt bestijgen ze haar met wild klappende vleugels en snavels die voortdurend open- en dichtgaan. De necrofiele verkrachting duurt telkens maar kort, het is duidelijk dat duiven snelle minnaars zijn; ter compensatie sluit er soms weer een achter aan om na enkele seconden, als hij weer aan de beurt is, de handeling te herhalen. Er zijn duiven die, alvorens het steeds gehavender en vormelozer lichaam te verlaten, hun nek naar voren steken en fel aan de roerloze, toegetakelde kop pikken, vooral aan het kapotte oog, dat alsmaar papperiger wordt. Na enkele minuten verwijdert het groepje zich om tussen de viooltjes te verdwijnen. Eén duif treuzelt en blijft staan, wantrouwig rondkijkend met een uitpuilend oog dat net zo star is als dat van het kadaver.

17 april 1999

De kroegbaas en zijn oorlog

Zelfs in de kroegen wordt gesproken over de oorlog in Servië, en daarmee over oorlog in het algemeen. Ook de baas van een kroeg aan de voet van de San Giusto-heuvel, in Triëst, doet vanachter de toog zijn zegje. Hij heeft eveneens oorlog gevoerd, in ’44-’45, maar hij zou eigenlijk niet kunnen zeggen voor en tegen wie. Hij was gearresteerd door de Duitsers, die hem na enkele maanden gevangenschap de keuze boden tussen deportatie naar Duitsland of samenwerking. Toen hij voor de tweede oplossing had geopteerd – je kunt alleen de minst slechte kiezen, zegt hij, nooit de beste – werd hij ergens geplaatst om een spoorlijn te bewaken, samen met een paar anderen en met name een worstenmaker uit Rome, die hem had geleerd bij welke temperatuur verschillende vleeswaren bewaard moeten worden.

Langs dat spoor was niets gebeurd; alleen had hij een keer een vrouw met een loodzware koffer geholpen het spoor over te steken en het steile talud aan de andere kant te beklimmen. Maar soms werd er ’s avonds door partizanen geschoten op hun kazerne, die ook een osmiza was, zoals een huiskroeg in de Karst wordt genoemd. Gelukkig had de worstenmaker een machinegeweer waarmee hij erop los schoot; zelf gooide hij alleen een paar handgranaten uit het raam, maar blindelings, van achter uit de kamer, om geen doelwit te zijn en niet te zien waar de bommen terechtkwamen. Zodra de partizanen zich tegen de ochtend terugtrokken, gingen zij iets koken en een paar uur slapen.

Toen hij gevangengenomen was door de partizanen, die de kazerne-osmiza uiteindelijk hadden veroverd, en geboeid naar een commandopost in Slovenië werd overgebracht, was hij herkend door de vrouw die hij had geholpen het spoor over te steken; hij werd vrijgelaten en bij de partizanen ingelijfd om in de keuken te werken, waar hij ook de beginselen van zijn latere beroep als kroegbaas had geleerd.

Sterven behoort tot de onvermijdelijke risico’s van het leven.
Hij is een menslievende man, met een instinctief gevoel voor solidariteit met de ander. Bij de plechtige begrafenis van drie in Mostar vermoorde journalisten van de RAI in februari 1994, in de kathedraal van San Giusto, was de grootste krans van hem, terwijl hij hen nooit had ontmoet.

Zomaar, uit menslievendheid: ‘Ik kan hun geen glaasje aanbieden, vandaar…’ Als ik hem vraag of er tijdens de beschietingen van dat huis waar de Duitsers hen geplaatst hadden ooit iemand was gedood, antwoordt hij, verbaasd door de vraag, ‘Welnee!’ Maar hij zou ook niet verontwaardigd zijn als dat wel iemand, en misschien hemzelf, was overkomen. Sterven behoort tot de onvermijdelijke risico’s van het leven. Zoals een Poolse schrijver, Stanisław Lec, heeft gezegd – die hij niet gelezen heeft maar met wie hij het, zonder het te weten, roerend eens zou zijn –, leven is per definitie gevaarlijk, wie leeft die sterft.

5 mei 1999

Zogenaamd dood

In een overvolle zaal, in Boedapest, is een letterkundig congres aan de gang. Op een zeker moment klinken er in de menigte gealarmeerde stemmen die om een dokter roepen. Een oude man, gekleed in een blauw pak en een wit overhemd met stijve kraag, hangt lijkbleek en bewusteloos achterover in een stoel. Er worden ramen geopend, iemand belt een ambulance, de man wordt naar een aangrenzende ruimte gedragen en op een bank gelegd. Op het podium kijken organisatoren en sprekers elkaar bedremmeld aan en weten niet wat te doen, heen en weer geslingerd tussen respect voor het leven en dus de (mogelijke) dood, hun plicht jegens het publiek, de automatische impuls om iets wat eenmaal begonnen is ook tot een einde te brengen, ijdelheid om hun eigen boek te horen prijzen en, bij ieder afzonderlijk, angst om net aan het woord te zijn als misschien het ergste zou gebeuren en dan voor onheilsbrenger door te gaan. Waarschijnlijk wordt er stilletjes gehoopt dat als het echt moet gebeuren, het niet daar zal gebeuren, maar elders, in het ziekenhuis, liefst de volgende dag.

Geruststellende berichten uit de andere ruimte, eerst nog voorzichtig maar allengs positiever, geven aanleiding  om het werk te hervatten, dat na enig ongemak steeds vrijer en briljanter verloopt en met de verwachte voldoening wordt afgerond. Na afloop van het congres is er een rijkelijk voorzien buffet in een andere zaal, die binnen een paar minuten is gevuld met drommen mensen die zich onbehouwen volproppen. In dat gedrang wordt men plotseling ook de oude man gewaar die kort daarvoor nog stervende leek maar inmiddels volkomen is hersteld – waarschijnlijk van een te lage bloedsuikerspiegel – en die zich staande tegoed doet aan gevulde flensjes en stukken worst, heen en weer geduwd door de menigte met handen vol glazen en kartonnen bordjes.

De dood zou niet zo onbetrouwbaar moeten zijn.
Een van de sprekers bekijkt hem met een fronsende blik, misschien ontstemd omdat zijn lezing onderbroken is door een kwaaltje van niets; om met recht een schrijver als hij te onderbreken moet er een serieuze reden zijn, bijvoorbeeld iets wat daadwerkelijk te maken heeft met de dood of tenminste de kans daarop, niet met een onbetekenende klacht die geenszins opweegt tegen het belang en het gewicht van zijn boeken. De dood zou niet zo onbetrouwbaar moeten zijn. In elk geval kan er niet tweemaal in korte tijd medeleven worden opgebracht; als de oude man nu zou doodgaan, met dat stuk chocoladetaart in zijn hand, zou hij de gemoederen heel wat minder in beroering brengen dan twee uur geleden. Zo zou het voor een bekende persoonlijkheid ook grote pech zijn geweest om vlak na Versace en Lady Diana te overlijden, toen door de overdaad aan hartenroerselen de voorraad traanvocht voor enige tijd was uitput.

14 juni 1999

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief