leesfragment

‘Staat van terreur’ van Hillary Rodham Clinton & Louise Penny

0

De nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, Ellen Adams, wordt geconfronteerd met terroristische dreigingen en een verzwakte natie, na vier jaar leiderschap van een president die de positie van Amerika op het politieke wereldtoneel ernstige schade toebracht.

Komen de minister en haar tijd op tijd te weten wie er achter de dodelijke samenzwering zit?

Lees hier het eerste hoofdstuk van Staat van terreur van Hillary Rodham Clinton & Louise Penny!

1

‘Mevrouw de minister,’ zei Charles Boynton, die snel met zijn baas meeliep terwijl ze zich door de Mahogany Row naar haar kantoor op het ministerie van Buitenlandse Zaken haastte. ‘U hebt acht minuten om bij het Capitool te komen.’

‘Dat is tien minuten rijden,’ zei Ellen Adams en ze begon te rennen. ‘En ik moet nog douchen en me omkleden. ‘Of…’ Ze bleef staan en draaide zich om naar haar stafchef. ‘Kan ik zo gaan?’

Ze hield haar armen opzij zodat hij haar eens goed kon bekijken. Er viel niet te ontkomen aan de smekende blik in haar ogen, de zenuwen in haar stem en het feit dat ze eruitzag alsof ze zojuist achter een roestige landbouwmachine aan was gesleurd.

Hij vertrok zijn gezicht tot een glimlach die hem pijn leek te doen.

Ellen Adams was achter in de vijftig, had een gemiddelde lengte en was slank en elegant. Een goede kledingsmaak en corrigerend ondergoed verhulden haar voorliefde voor eclairs. Haar make-up was subtiel en deed haar intelligente blauwe ogen goed uitkomen zonder dat ze haar leeftijd probeerde te verhullen. Ze had er geen behoefte aan om jonger te lijken dan ze werkelijk was, maar ze wilde er ook niet ouder uitzien.

Haar kapper noemde haar, als hij haar speciale kleurformule aanbracht, een ‘Eminence Blonde’.

‘Met alle respect, mevrouw de minister, maar u ziet eruit als een zwerver.’

‘Goh, fijn dat hij zoveel respect voor je heeft,’ fluisterde Betsy Jameson, Ellens beste vriendin en adviseur.

Na een dag van tweeëntwintig uur die was begonnen met een diplomatiek ontbijt op de Amerikaanse ambassade in Seoul, waar minister Adams de gastvrouw was en waarin op hoog niveau werd gesproken over de regionale veiligheid en pogingen werden gedaan om een uiterst belangrijke handelsdeal te redden die onverwachts dreigde te worden afgebroken, was de eindeloze dag afgesloten met een rondleiding op een kunstmestfabriek in de provincie Gangwon, al was dat een dekmantel geweest voor een snel tripje naar de DMZ, de gedemilitariseerde zone.

Daarna was Ellen Adams op de terugvlucht gestapt. Eenmaal in de lucht was het eerste wat ze gedaan had haar corrigerende ondergoed losmaken en zichzelf een groot glas chardonnay inschenken. Vervolgens was ze een paar uur bezig geweest om rapportages naar haar afgevaardigden en de president te sturen en de inkomende memo’s te lezen. Dat had ze tenminste geprobeerd. Ze was in slaap gevallen met haar neus op een rapport van Buitenlandse Zaken over personeel op de ambassade in IJsland.

Ze schrok wakker toen haar assistent haar schouder aanraakte.

‘Mevrouw de minister, we gaan zo landen.’

‘Waar?’

‘Washington.’

‘State?’ Ze ging rechtop zitten en haalde haar handen door haar haar, waardoor het rechtovereind ging staan, alsof ze was geschrokken, of een heel goed idee had.

Ze had gehoopt dat het Seattle was. Om te tanken, eten te halen of misschien vanwege een onvoorziene noodsituatie aan boord. Die was er wel, wist ze, maar die was noch onvoorzien, noch technisch.

De noodsituatie was dat ze in slaap was gevallen en nog moest douchen en…

‘D.C.’

‘O god, Ginny. Had je me niet eerder wakker kunnen maken?’

‘Dat heb ik geprobeerd, maar u mompelde alleen iets en sliep toen weer verder.’

Daar had Ellen een vage herinnering aan, maar ze had gedacht dat het een droom was. ‘Bedankt dat je het geprobeerd hebt. Heb ik nog tijd om mijn tanden te poetsen?’

Er klonk een pingeltje toen de gezagvoerder het ‘riemen vast’-signaal aanzette.

‘Ik ben bang van niet.’

Ellen keek uit het raam van haar regeringsvliegtuig, dat ze schertsend Air Force Three noemde. Ze zag de koepel van het Capitool, waar ze straks zou zitten.

Ze zag haar weerspiegeling in het raam. Haar haar in de war. Mascara uitgelopen. Kleren verfrommeld. Ogen bloeddoorlopen en branderig door haar contactlenzen. Ze had rimpeltjes van zorgen, van stress, die er nog maar een paar weken eerder tijdens de inauguratie nog niet geweest waren. Die heldere, zonnige dag toen de wereld nieuw was en alles mogelijk leek.

Wat hield ze van dit land. Dit grandioze, beschadigde baken.

Nadat ze tientallen jaren een internationaal media-imperium had opgebouwd en geleid, dat nu verspreid was over televisienetwerken, een nieuwszender, websites en kranten, had ze het overgedragen aan de volgende generatie. Haar dochter, Katherine.

Nadat ze de afgelopen vier jaar had toegekeken terwijl het land waar ze zo van hield zichzelf naar de knoppen had geholpen, was ze nu in een positie om het weer gezond te laten worden.

Sinds de dood van haar geliefde Quinn had Ellen haar leven niet alleen leeg gevonden, maar ook kaal. En dat gevoel was niet gesleten met de tijd, maar juist gegroeid; de kloof werd dieper. Ze had steeds vaker het idee dat ze meer moest doen. Meer moest helpen. Niet over de pijn praten, maar iets doen om die te verlichten. Iets terugdoen.

De kans was uit de meest onwaarschijnlijke hoek gekomen: de pas gekozen president Douglas Williams. Wat kon het leven toch snel veranderen. Ten kwade, ja. Maar ook ten goede.

En nu zat Ellen Adams dan aan boord van Air Force Three. Als minister van Buitenlandse Zaken voor de nieuwe president.

Ze bevond zich in een positie om de banden met bondgenoten weer op te bouwen na de bijna misdadige incompetentie van de vorige regering. Ze kon cruciale relaties herstellen of waarschuwingen afgeven aan onvriendelijke naties. De landen die schade wilden toebrengen en in staat waren om dat ook daadwerkelijk te doen.

Ellen Adams bevond zich in een positie waarin ze niet langer alleen over verandering kon praten, maar die ook teweeg kon brengen. Om vijanden te veranderen in vrienden, en chaos en terreur op afstand te houden.

Maar toch…

Het gezicht dat nu naar haar terugkeek, zag er niet meer zo zelfverzekerd uit. Ze keek naar een vreemde. Een vermoeide, verfomfaaide, uitgebluste vrouw. Ouder dan ze eigenlijk was. En misschien een beetje wijzer. Of was het cynischer? Ze hoopte van niet en vroeg zich af waarom het ineens zo moeilijk was om die twee uit elkaar te houden.

Ze pakte een tissue, likte eraan en veegde de mascara weg. Daarna streek ze haar haar glad en glimlachte naar haar spiegelbeeld.

Dit was het gezicht dat ze paraat hield. Het gezicht dat het publiek kende. De pers, haar collega’s, buitenlandse leiders. De zelfverzekerde, gracieuze, zelfbewuste minister van Buitenlandse Zaken die het machtigste land op aarde vertegenwoordigde.

Maar het was een façade. Ellen Adams zag iets anders in haar spookachtige gezicht. Iets vreselijks wat ze zelfs voor zichzelf uit alle macht probeerde te verbergen. Maar door de uitputting had het zich door haar afweermechanisme heen weten te werken.

Ze zag angst. En de naaste verwant daarvan: twijfel.

Was het echt of nep? Een verborgen vijand die fluisterde dat ze niet goed genoeg was. Dat ze haar werk niet aankon. Dat ze het zou verpesten en er duizenden, misschien wel miljoenen levens in gevaar zouden komen.

Ze duwde die onruststoker weg, want ze zag wel in dat hij niet bepaald behulpzaam was. Maar terwijl hij zich terugtrok, fluisterde hij nog dat ze daarmee nog niet zijn ongelijk bewees.

Nadat het vliegtuig op Andrew Air Force Base was geland, was Ellen snel in een gepantserde auto gezet, waarin ze nog meer memo’s, rapporten en e-mails las. D.C. gleed voorbij, nu ongezien, terwijl ze zich inlas.

Eenmaal in de keldergarage van het monolithische Harry S. Truman-gebouw, dat door oude getrouwe stadsbewoners nog steeds – misschien wel liefkozend – Foggy Bottom werd genoemd, werd er een formatie gevormd om haar zo snel mogelijk naar haar privékantoor op de zesde verdieping te brengen.

Haar stafchef, Charles Boynton, stond bij de lift op haar te wachten. Hij was een van de mensen die aan de minister van Buitenlandse Zaken was toegewezen door de stafchef van de president zelf. Hij was lang en slungelig, en zijn slanke figuur was eerder te danken aan een overschot aan nerveuze energie dan aan training of goede eetgewoonten. Zijn haar en spierspanning leken een wedstrijdje te doen om wie er als eerste zou bezwijken.

Boynton had er zesentwintig jaar over gedaan om op te klimmen in de politieke gelederen, waarna hij uiteindelijk in een topbaan was beland als strateeg van de succesvolle presidentscampagne van Douglas Williams. Een campagne die harder was gebleken dan de meeste andere.

Charles Boynton had eindelijk het heilige der heiligen bereikt en was vastberaden om daar te blijven. Dit was zijn beloning omdat hij orders had opgevolgd. En geluk had gehad bij zijn kandidaatskeuze.

Boynton was nu regels aan het opstellen om onhandelbare ministers in het gareel te houden. In zijn ogen waren dat tijdelijke politieke afspraken. Om zijn structuur te etaleren.

Samen haastten Ellen en haar stafchef zich door de gelambriseerde gang van de Mahogany Row naar het kantoor van de minister van Buitenlandse Zaken, op de voet gevolgd door medewerkers en assistenten en haar agenten van de Diplomatieke Beveiliging.

‘Maak je niet druk,’ zei Betsy, die moest rennen om hen bij te houden. ‘Ze wachten wel even op je met de State of the Union. Ontspan.’

‘Nee, nee,’ zei Boynton en zijn stem werd een octaaf hoger. ‘U kunt niet ontspannen. De president is pislink. En trouwens, het is officieel geen State of the Union.’

‘O, alsjeblieft, Charles. Doe niet zo pedant.’ Ellen bleef abrupt staan, waardoor ze bijna tegen haar opbotsten. Ze schopte haar met modder besmeurde hoge hakken uit en rende op kousenvoeten over het hoogpolige tapijt. Ze verhoogde haar tempo.

‘En de president is altijd link,’ riep Betsy hen na. ‘O, bedoel je boos? Nou ja, hij is altijd boos op Ellen.’

Boynton wierp haar een waarschuwende blik toe.

Hij mocht Elizabeth Jameson niet. Betsy. Een buitenstaander die hier alleen maar was omdat ze al haar hele leven de vriendin van de minister was. Boynton wist dat de minister het recht had om een vertrouweling te kiezen, een adviseur die voor haar werkte. Maar hij vond het maar niks. De buitenstaander bracht een element van onvoorspelbaarheid in elke situatie.

En hij mocht haar niet. Inwendig noemde hij haar Mrs Cleaver, omdat ze op Barbara Billingsley leek, moeder Beaver in de tv-serie Leave it to Beaver. Het toonbeeld van een huisvrouw uit de jaren vijftig.

Veilig. Stabiel. Volgzaam.

Alleen bleek deze Mrs Cleaver niet zo zwart-wit te zijn. Het leek wel of ze Bette Midler met haar ‘fuck ze als ze niet tegen een geintje kunnen’-mentaliteit had ingeslikt. En hoewel hij de goddelijke Miss M heel leuk vond, dacht hij toch dat ze misschien niet zo geschikt was als de adviseur van de minister van Buitenlandse Zaken.

Hoewel Charles Boynton moest toegeven dat het waar was wat Betsy zei. Douglas Williams koesterde geen liefde voor zijn minister van Buitenlandse Zaken. En het was een understatement om te zeggen dat dat wederzijds was.

Het was een geweldige schok geweest toen de pas gekozen president een politieke vijand – een vrouw die haar enorme middelen had aangewend om zijn rivaal te steunen voor de partijnominatie – had gekozen voor zo’n machtige en prestigieuze positie.

Het was een nog grotere schok geweest toen Ellen Adams haar media-imperium aan haar volwassen dochter had overgedragen en de functie geaccepteerd had.

Het nieuws was gretig opgepikt door politici, deskundigen en collega’s, en uitgespuwd als roddel. De politieke talkshows hadden er wekenlang bol van gestaan.

De aanstelling van Ellen Adams was hét gesprek tijdens de dinertjes in D.C. In Off the Record, de bar in het souterrain van het HayAdams, werd nergens anders meer over gesproken.

Waarom had ze die functie aangenomen?

Maar verreweg de grotere, interessantere vraag was waarom de gekozen president Williams zijn meest uitgesproken, felste tegenstander een plek in zijn kabinet had gegeven. En dan nog wel op Buitenlandse Zaken.

De heersende theorie was dat Douglas Williams misschien in de voetsporen van Abraham Lincoln trad en een Team van Rivalen samenstelde. Of, waarschijnlijker, dat hij in de voetsporen van Sun Tzu trad, de eeuwenoude militaire strateeg, en zijn vrienden dicht bij zich hield, maar zijn vijanden nog dichterbij.

Maar beide theorieën bleken niet te kloppen.

Het kon Charles Boynton – zijn vrienden noemden hem Charles – niet schelen wat zijn baas deed, behalve dan dat Ellen Adams’ mislukkingen hem een slechte reputatie bezorgden, en hij was niet van plan aan haar rokken te blijven hangen als ze ten onder ging.

Na dit reisje naar Zuid-Korea was haar geluk – en dus ook het zijne – scherp naar beneden toe afgebogen. En nu hielden ze verdomme die hele kloterige dit-is-geen-State-of-the-Union op.

‘Kom nou toch. Schiet op.’

‘Nu is het afgelopen.’ Ellen kwam slippend tot stilstand. ‘Ik laat me niet opjagen en op de huid zitten. Als ik zo moet gaan, dan moet dat maar.’

‘Dat kan niet,’ zei Boynton met grote paniekogen. ‘U ziet eruit als…’

‘Ja, dat zei je al.’ Ze draaide zich om naar haar vriendin. ‘Betsy?’

Er viel een stilte waarin ze alleen Boynton hoorden snuiven van ongenoegen.

‘Je ziet er prima uit,’ zei Betsy zacht. ‘Misschien wat lippenstift.’ Ze gaf Ellen er een uit haar eigen tas, en ook een haarborstel en een doosje compactpoeder.

‘Kom op, kom op,’ piepte Boynton zo’n beetje.

Betsy keek strak in Ellens bloeddoorlopen ogen en fluisterde: ‘Komt een oxymoron de bar binnen…’

Ellen dacht na en lachte. ‘En de stilte is oorverdovend.’

Betsy straalde. ‘Precies.’

Ze zag dat haar vriendin diep ademhaalde, haar grote reistas aan haar assistent gaf en zich tot Boynton wendde.

‘Zullen we?’

Hoewel ze uiterlijk beheerst leek, bonkte Adams hart in haar keel toen ze op haar kousenvoeten, met in elke hand een bungelende vieze schoen, door de Mahogany Row naar de lift liep. En omlaagging.

‘Schiet op, schiet op.’ Amir gebaarde naar zijn vrouw. ‘Ze zijn bij het huis.’

Ze hoorden het gebons achter hen, de mannen die schreeuwden, bevelen riepen. Ze hadden een zwaar accent, maar de betekenis van hun woorden was duidelijk: ‘Dr. Bukhari, kom naar buiten. Nu.’

‘Wegwezen.’ Amir duwde Nasrin door het steegje. ‘Rennen.’

‘En jij?’ vroeg ze, met haar tas tegen haar borst geklemd.

Ze hoorden versplinterend hout toen de deur van hun huis in Kahuta, net buiten Islamabad, werd ingebeukt.

‘Ze willen mij niet. Jij bent degene die ze moeten tegenhouden. Ik leid ze af. Wegwezen nu.’

Maar toen ze zich omdraaide, greep hij haar arm, trok haar naar zich toe en klemde haar tegen zijn borst. ‘Ik hou van je. Ik ben zo trots op je.’

Hij kuste haar zo hard dat hun tanden tegen elkaar aan ketsten en ze proefde bloed van haar gebarsten lip. Toch bleef ze hem vasthouden. En hij haar. Toen er nog meer geschreeuw klonk, dichterbij nu, lieten ze elkaar los.

Hij had haar bijna gevraagd om het hem te laten weten als ze veilig op de plaats van bestemming was. Maar hij deed het niet. Hij wist dat ze geen contact met hem kon opnemen.

Hij wist ook dat ze, als ze dat toch zou doen, de nacht niet zou overleven.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief