leesfragment

‘Stad der nevelen’ van Carlos Ruiz Zafón

0

Stad der nevelen is een uitbreiding van de literaire wereld uit ‘Het Kerkhof der Vergeten Boeken’ van Carlos Ruiz Zafón. De personages, de geschiedenis van de mythische bibliotheek en de sfeer worden er verder in uitgediept. Vervloekte schrijvers, visionaire architecten, verborgen identiteiten en spookachtige gebouwen zullen ons opnieuw naar het zafóniaans universum brengen: een fascinerende plek, gehuld in duisternis en nevel.

Lees hier alvast de eerste hoofdstukken van deze verhalenbundel.

Blanca en het afscheid

(Uit de nooit voorgevallen herinneringen van een zekere David Martín)

1

Ik ben altijd jaloers geweest op het vermogen tot vergeten van sommige mensen, voor wie het verleden is als winterkleding of oude schoenen, die je slechts hoeft te verbannen naar helemaal achter in de kledingkast om ze niet op kousenvoeten terug te laten komen. Ik daarentegen had de pech dat ik alles onthield en dat omgekeerd alles me aan mezelf deed denken. Ik herinner me mijn vroegste kindertijd van kou en eenzaamheid, van dode uren waarop ik het grijs van de dagen gadesloeg en die zwarte spiegel, die de blik van mijn vader behekste. Ik heb amper enige herinnering aan vrienden. Wel kan ik me de gezichten van de jochies uit de wijk Ribera voor de geest halen, met wie ik af en toe speelde of ruziemaakte op straat, maar van wie ik er niet een zou willen redden uit het land van de onverschilligheid. Niet een, behalve dat van Blanca.

Blanca was een paar jaar ouder dan ik. Ik zag haar op een dag in april voor ons portiek, toen ze langsliep aan de hand van een dienstmeisje dat op weg was om wat boeken op te halen bij het kleine antiquariaat, tegenover het in de steigers staande auditorium. Het toeval wilde dat de boekhandel op die dag niet voor twaalf uur opende, dat het dienstmeisje er echter al om halftwaalf was, hetgeen een zee van tijd creëerde van dertig minuten, die, zonder dat ik het vermoedde, mijn lot zouden bezegelen. Als het aan mij had gelegen, had ik het nooit gewaagd een woord tegen haar te zeggen. Haar kledij, geur en voorname verschijning van gefortuneerd meisje dat letterlijk van top tot teen in zijde en tule gehuld ging, lieten er geen enkele twijfel over bestaan dat dat wezen niet tot mijn wereld behoorde, en ik nog minder tot de hare. Tussen ons in lagen maar enkele meters straat en een hemelsbrede kloof van ongeschreven wetten. Ik beperkte me ertoe naar haar te kijken, zoals je prachtige objecten in een vitrine bekijkt of in de etalage van zo’n wonderbazaar waarvan de deuren uitnodigend openstaan, terwijl je weet dat je nooit over die drempel zult stappen. Ik heb vaak gedacht dat Blanca me nooit zou hebben opgemerkt als mijn vader niet zo strikt was geweest ten aanzien van een verzorgd uiterlijk. Mijn vader was van mening dat hij in de oorlog voldoende vuil had gezien om negen levens mee te vullen, en ofschoon we armer dan kerkratten waren, had hij me van jongs af aan geleerd te wennen aan het ijskoude water dat desgewenst uit de kraan in het washok borrelde en aan de blokken zeep die naar chloor roken en zelfs je slechte geweten schoonwasten.

Zo kwam het dat ondergetekende, David Martín, net acht jaar oud geworden, een schone schooier en toekomstig derderangs aspirant-schrijver, voldoende helderheid van geest opbracht om niet weg te kijken, toen dat mooie meisje van goeden huize haar blik op me liet rusten en schuchter glimlachte. Mijn vader had me altijd gezegd dat je anderen in het leven met gelijke munt moest terugbetalen. Hij refereerde aan oorvijgen en andere vernederingen, maar ik besloot zijn advies te volgen door haar glimlach te beantwoorden en er als extraatje een licht knikje bij te doen. Ze liep langzaam naar me toe, terwijl ze me van top tot teen bekeek, en ze bood me haar hand – een gebaar dat ik nog nooit iemand had zien maken – en zei: ‘Ik heet Blanca.’

Blanca hield haar hand zoals de juffertjes in salonkomedies.
Blanca hield haar hand zoals de juffertjes in salonkomedies: met de handpalm naar beneden en de loomheid van een jonge Parisienne. Ik had niet in de gaten dat van mij werd verwacht me naar voren te buigen en met mijn lippen haar hand te beroeren, en na een poosje liet Blanca haar arm zakken en trok ze een wenkbrauw op.

‘Ik ben David.’

‘Ben je altijd zo onbeleefd?’

Ik zon op een retorische uitweg om de indruk van onbehouwen hannes te compenseren met een ingenieus antwoord, toen het dienstmeisje met ontstelde blik naar ons toe kwam en me bekeek zoals je een loslopende rabiate hond bekijkt. Ze was jong, met een streng uiterlijk en koolzwarte ogen waarin geen enkele sympathie te lezen stond. Ze nam Blanca bij de arm en trok haar bij me vandaan.

‘Met wie praat u, juffrouw Blanca? U weet toch dat uw vader er niet van houdt als u met vreemden praat.’

‘Hij is geen vreemde, Antonia. Dit is mijn vriend David. Mijn vader kent hem.’

Ik stond als door de bliksem getroffen, terwijl het dienstmeisje me zijdelings opnam.

‘David hoe?’

‘David Martín, mevrouw. Om u te dienen.’

‘Niemand dient Antonia, David. Zij dient ons, is het niet zo, Antonia?’

Het was een vluchtig moment, een bijna onmerkbare beweging die mij alleen maar opviel, omdat ik zo aandachtig naar haar keek. Voor ze hem met een gelaten glimlachje maskeerde en de kwestie met een hoofdschudden afdeed, wierp Antonia een duistere, van haat vergiftigde blik op Blanca die me het bloed in de aderen deed stollen.

‘Kinderen,’ prevelde ze zachtjes en ze keerde terug naar de boekhandel, die op het punt stond de deuren te openen.

Blanca maakte aanstalten om op de portiekdrempel te gaan zitten. Zelfs een pummel als ik wist dat die jurk nooit in contact mocht komen met de vieze, met kolenstof bedekte materialen waarvan mijn thuis was gebouwd. Ik trok mijn vele malen verstelde jasje uit en spreidde dat als een tapijtje over de grond uit. Blanca ging met een zucht op mijn beste goed zitten en keek naar de straat en de passanten. Vanaf de winkeldeuren verloor Antonia ons geen moment uit het oog. Ik deed alsof ik het niet in de gaten had.

‘Woon je hier?’ vroeg Blanca.

Ik wees op het belendende pand en knikte.

‘En jij?’

Blanca keek me aan alsof het de domste vraag was die ze in haar korte leven had gehoord.
Blanca keek me aan alsof het de domste vraag was die ze in haar korte leven had gehoord.

‘Natuurlijk niet.’

‘Vind je het geen leuke buurt?’

‘Het stinkt hier, het is donker en koud, en de mensen zijn lelijk en lawaaierig.’

Het was nog nooit in me opgekomen om de wereld zoals ik die kende op die manier samen te vatten, maar ik vond zo snel geen solide tegenargumenten.

‘En waarom kom je hier dan?’

‘Mijn vader heeft een huis in de buurt van de Mercado del Born. Antonia brengt me er bijna elke dag naartoe om hem te bezoeken.’

‘En waar woon jij?’

‘In Sarriá, bij mijn moeder.’

Zelfs een arme sloeber als ik had weleens van dat oord gehoord, maar de waarheid was dat ik er nog nooit was geweest. In mijn verbeelding was het een stad met grote villa’s en boulevards met lindebomen, prachtige koetsen en lommerrijke tuinen. Een wereld, bewoond door mensen zoals dit meisje, maar dan volwassen. Een geurende, heldere wereld met frisse lucht en goed geklede, gereserveerde burgers.

‘En waarom woont je vader hier en niet bij jullie?’

Blanca haalde haar schouders op en keek weg. Het onderwerp leek haar ongemakkelijk te maken en ik drong liever niet aan.

‘Het is maar voor een tijdje. Binnenkort komt hij weer thuis wonen.’

‘Natuurlijk,’ zei ik, zonder goed te weten waar we het eigenlijk over hadden, maar met die meevoelende toon van een mens die al ongelukkig wordt geboren en alle reden heeft om berusting te betrachten.

‘De Ribera is zo slecht nog niet, dat zul je zien. Je went eraan.’

‘Ik wil er niet aan wennen. Ik vind het niks, deze wijk, en ook het huis niet dat mijn vader heeft gekocht. Ik heb hier geen vrienden.’

Ik slikte.

‘Ik kan je vriend zijn, als je wilt.’
‘Ik kan je vriend zijn, als je wilt.’

‘En wie ben jij?’

‘David Martín.’

‘Dat zei je net ook al.’

‘Ik denk dat ik iemand ben die ook geen vrienden heeft.’

Blanca draaide zich naar me toe en bezag me met een mengeling van nieuwsgierigheid en terughoudendheid.

‘Ik hou niet van verstoppertje spelen. En niet van balspellen.’

‘Ik ook niet.’

Blanca glimlachte en reikte me opnieuw haar hand. Deze keer deed ik mijn uiterste best om die te kussen.

‘Hou je van verhalen?’ vroeg ze.

‘Meer dan van wat ook ter wereld.’

‘Ik weet er een paar die maar heel weinig mensen kennen,’ zei ze. ‘Mijn vader schrijft ze voor me.’

‘Ik schrijf ook verhalen. Nou ja, ik verzin ze en leer ze dan uit mijn hoofd.’

Blanca fronste haar wenkbrauwen.

‘O ja, vertel me er eens eentje?’

‘Nu?’

Blanca knikte uitdagend.

‘Ik hoop dat het niet over prinsesjes gaat,’ zei ze dreigend. ‘Ik haat prinsesjes.’

‘Nou ja, er zit wel een prinses in… maar een heel slechte.’

Haar gezicht klaarde op.

‘Hoe slecht?’

2

Die ochtend werd Blanca mijn eerste lezer.
Die ochtend werd Blanca mijn eerste lezer. Mijn eerste publiek. Zo goed als ik kon, vertelde ik haar mijn verhaal over prinsessen en heksen, toverspreuken en vergiftigde kussen in een vervloekt universum, waar tot leven gekomen paleizen als helse beesten door de woestenij kropen van een duistere wereld. Toen de heldin aan het einde van het verhaal verdronk in het ijzige water van een zwart meer met een vervloekte roos in haar handen, bepaalde Blanca voor altijd de koers van mijn leven door een traan te plengen en geëmotioneerd en ontdaan van het laagje vernis van meisje van goeden huize te murmelen dat ze mijn verhaal prachtig had gevonden. Ik had er mijn leven voor gegeven om dit mo[1]ment nooit voorbij te laten gaan. De schaduw van Antonia voor onze voeten wierp me weer terug in de prozaïsche werkelijkheid.

‘We moeten weg, juffrouw Blanca, uw vader vindt het niet prettig als we laat arriveren voor de maaltijd.’

Het dienstmeisje trok haar van me weg en nam haar mee. Ik keek haar na tot haar gestalte in de verte oploste, zag dat ze nog even naar me zwaaide. Ik pakte mijn jasje en trok het weer aan. Blanca’s warmte en geur waren nog te bespeuren. Ik glimlachte inwendig en ook al was het maar enkele seconden, ik begreep dat ik voor de eerste keer in mijn leven gelukkig was en dat mijn bestaan nooit meer hetzelfde zou zijn, nu ik de smaak van dat gif had geproefd.

Die avond keek mijn vader, terwijl we brood en soep aten, me streng aan.

‘Je lijkt anders. Is er iets gebeurd?’

‘Nee, papa.’

Ik ging vroeg naar bed, vluchtend voor de broeierige stemming die om mijn vader heen hing. Terwijl ik in mijn donkere kamer lag, dacht ik aan Blanca, aan de verhalen die ik voor haar wilde verzinnen, en ik realiseerde me dat ik niet wist waar ze woonde, noch wanneer ik haar terug zou zien. Of ik haar wel terug zou zien.

De volgende dagen deed ik niets anders dan zoeken naar Blanca. Na het ontbijt, zodra mijn vader in slaap was gevallen of de deur van zijn slaapkamer op slot deed om zich aan zijn persoonlijke vergetelheid over te geven, verliet ik het huis en liep ik naar het lagergelegen deel van de wijk om door de duistere steegjes rond de Paseo del Borne te dwalen, in de hoop Blanca of haar sinistere dienstmeisje tegen te komen. Al snel kende ik elke hoek en elke schaduw van dat stratenlabyrint, waarvan de muren boven mijn hoofd naar elkaar toe leken te buigen om te vergroeien tot een web van tunnels. De oude routes van de middeleeuwse gilden vormden een netwerk van stegen vanuit de basiliek van Santa María del Mar, dat vertakte in een wirwar van passages, arcaden en onwaarschijnlijke bochten, waar het zonlicht amper een paar minuten per dag doordrong. Waterspuwers en muurreliëfs markeerden de kruisingen tussen oude, vervallen paleizen en gebouwen die over elkaar schoven als rotsen in een klif van ramen en torens. Wanneer ik bij het vallen van de avond uitgeput naar huis terugkeerde, was mijn vader net wakker geworden.

Een dichte nevel was over de stad neergedaald.
Op de zesde dag, toen ik al begon te geloven dat ik onze ontmoeting slechts had gedroomd, ging ik door de Calle de los Mirallers naar de zijingang van de Santa María del Mar. Een dichte nevel was over de stad neergedaald en danste als een witte sluier door de straten. De kerkdeur was open. In de ingang tekenden zich de omtrekken af van een meisje en een vrouw in witte kledij, die meteen weer verdwenen in de omarming van de nevel. Ik rende erheen en betrad de basiliek. De luchtstroom trok de nevel het gebouw in en een spookachtig doek hing boven de rijen banken in het middenschip, dat oplichtte in het schijnsel van de kaarsen. Ik herkende Antonia, het dienstmeisje, berouwvol geknield in een van de biechthokjes. Het leed voor mij geen twijfel dat de biecht van die harpij zwart en kleverig als teer was. Blanca zat op een van de kerkbanken te wachten met bungelende benen, haar blik verloren op het altaar gericht. Toen ik de bank naderde, draaide ze zich om. Haar gezicht klaarde op toen ze me zag en ze glimlachte, zodat ik de eindeloze, ellendige dagen waarin ik had geprobeerd haar te vinden op slag vergat. Ik ging naast haar zitten.

‘Wat doe je hier?’ vroeg ze.

‘Ik wilde naar de mis,’ improviseerde ik.

‘Er is om deze tijd helemaal geen mis,’ zei ze lachend.

Ik had geen zin om tegen haar te liegen en keek naar de grond. Iets zeggen was niet nodig.

‘Ik heb jou ook gemist,’ zei ze. ‘Ik dacht dat je me was vergeten.’

Ik schudde mijn hoofd. De sfeer van nevel en fluisteringen wapende me met moed en ik besloot iets te zeggen wat ik oorspronkelijk voor mijn verhalen over magie en heldenmoed had verzonnen.

‘Ik zou jou nooit kunnen vergeten,’ zei ik.

Het waren woorden die hol en belachelijk klonken, behalve uit de mond van een achtjarig jochie dat misschien niet wist wat hij zei, maar het wel voelde. Blanca keek me in de ogen met een vreemde treurigheid die niet bij een meisjesblik paste, en ze pakte stevig mijn hand vast.

‘Beloof dat je me nooit zult vergeten.’

Het dienstmeisje, Antonia, klaarblijkelijk vrij van zonde en klaar om in oude fouten te vervallen, sloeg ons ontstemd gade vanaf het einde van de rij banken.

‘Juffrouw Blanca?’

Blanca wendde haar blik niet van mij af.

‘Beloof het me.’

‘Ik beloof het je.’

En weer nam het dienstmeisje mijn enige vriendin mee.
En weer nam het dienstmeisje mijn enige vriendin mee. Ik zag ze door het middenschip weglopen en verdwijnen via de achteringang, die uitkwam op de Paseo del Borne. Deze keer zat er echter een beetje boosaardigheid in mijn melancholie. Iets zei me dat het dienstmeisje een vrouw was met een broos geweten en dat ze veelvuldig moest biechten om voor haar fouten te boeten. De kerkklokken sloegen vier uur toen zich de kiem van een plan begon te vormen in mijn geest.

Vanaf die dag dook ik elke dag om kwart voor vier op in de Santa María del Mar en ging ik op een van de banken dicht bij de biechthokjes zitten. Er waren nog geen twee dagen voorbij toen ik ze opnieuw zag. Ik wachtte tot het dienstmeisje in de biechtstoel neerknielde en liep naar Blanca toe.

‘Om de dag, om vier uur,’ fluisterde ze me toe.

Zonder een moment te verliezen pakte ik haar hand en wandelde met haar door de basiliek. Ik had een verhaal voorbereid dat precies daar plaatsvond, tussen de pilaren en zijkapellen, met een beslissend laatste duel tussen een kwaadaardige geest gesmeed uit as en bloed en een heroïsche ruiter in de crypte onder het altaar. Dat zou de eerste aflevering zijn in een reeks avonturen-, spook- en liefdesverhalen met de titel De spoken van de kathedraal die ik voor Blanca bedacht en die me in mijn onmetelijke ijdelheid van beginnend auteur weinig minder dan geniaal leken te zijn. Ik was precies op tijd met de eerste aflevering klaar om terug te keren naar de biechtstoel en het dienstmeisje – dat me deze keer niet zag, omdat ik me achter een pilaar verstopte. Gedurende een paar weken zagen Blanca en ik elkaar daar om de dag. We deelden kinderverhalen en -dromen, terwijl het dienstmeisje de pastoor kwelde met breedsprakige opsommingen van haar zonden.

Aan het einde van de tweede week merkte de biechtvader mijn aanwezigheid op en hij had niet lang nodig om een en een bij elkaar op te tellen. Ik wilde er juist van tussen gaan toen hij me gebaarde naar het biechthokje te komen. Zijn uiterlijk van gepensioneerde bokser overtuigde me en ik volgde het bevel op. Bevend van angst dat mijn list was ontdekt, knielde ik in het biechthokje neer.

Ave María Purísima,’ mompelde ik van achter het traliewerk.

‘Zie ik eruit als een non, vlerk?’

‘Vergeeft u mij, padre. Ik weet niet wat ik moet zeggen.’

‘Hebben ze je dat op school niet bijgebracht?’

‘De meester is atheïst en beweert dat u priesters een instrument zijn van het grootkapitaal.’

‘En hij, waar is hij een instrument van?’

‘Dat heeft hij niet gezegd. Ik geloof dat hij zichzelf als een vrije geest ziet.’

De priester lachte.

‘Waar heb je zo leren praten? Op school?’

‘Door te lezen.’

‘Door wat te lezen?’
‘Door wat te lezen?’

‘Alles wat ik maar te pakken krijg.’

‘En lees je het woord van de Heer ook?’

‘Schrijft de Heer?’

‘Blijf je gedragen als een slimpiepertje en je eindigt in de hel.’

Ik slikte.

‘Moet ik u nu mijn zonden vertellen?’ mompelde ik bevreesd.

‘Niet nodig. Die staan op je voorhoofd gedrukt. Wat is dat gedoe met die dienstmeid en dat meisje bijna elke dag?’

‘Welk gedoe?’

‘Ik herinner je eraan dat dit een biechthokje is en dat Onze Heer dadelijk buiten zonder meer een vernietigende bliksem op je afstuurt, als je tegen een priester liegt,’ dreigde de biechtvader.

‘Weet u dat zeker?’

‘Als ik jou was, zou ik het risico niet nemen. Vooruit, vertel.’

‘Waar begin ik?’ vroeg ik.

‘Vergeet aanrakingen en scheldwoorden en vertel me meteen wat je hier steeds doet in mijn parochie om vier uur ’s middags.’

Het knielen, het schemerduister en de geur van was hebben iets wat ertoe uitnodigt je geweten te luchten. Ik biechtte zelfs mijn eerste nies op. De priester luisterde in stilte en elke keer dat ik haperde, kuchte hij. Na afloop van mijn biecht, toen ik aannam dat hij me linea recta naar de hel zou sturen, hoorde ik hem lachen.

‘Gaat u me geen boetedoening opleggen?’

‘Hoe heet je, jongen?’

‘David Martín, heer.’

‘Het is vader of padre en ook geen meneer. Meneer is je vader, de Heer is de Allerhoogste en ik ben niet je vader, ik ben een vader, en in dit geval padre Sebastián.’

‘Vergeeft u mij, padre Sebastián.’
‘Vergeeft u mij, padre Sebastián.’

‘Alleen padre is voldoende. En wie hier vergeeft, is de Heer. Ik beheer slechts. Goed, waar hadden we het over? Voor vandaag laat ik je gaan met slechts een waarschuwing en een paar weesgegroetjes. En omdat ik denk dat de Heer in Zijn oneindige wijsheid deze ongewone weg heeft gekozen om ervoor te zorgen dat je naar de kerk komt, maken we deze afspraak: een halfuur voor jij je dametje treft, kom je hier en help je met het schoonmaken van de sacristie. In ruil daarvoor hou ik het dienstmeisje minstens een halfuur bezig om je wat tijd te geven.’

‘Doet u dat voor mij, padre?’

Ego te absolvo in nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti. En nou wegwezen.’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief