leesfragment

Twee vrouwen die het Britse koningshuis verdeelden

In De tweede vrouw volgen we twee vrouwen die het Britse koningshuis verdeelden: Mary Kirk raakt bevriend met Wallis Warfield (later Wallis Simpson) en Rachel maakt het dodelijke ongeluk van prinses Diana van dichtbij mee. Gescheiden door de tijd. Verbonden door een geheim… Laat je alvast meeslepen in de eerste twee hoofdstukken!

Parijs, 31 augustus 1997

Rachel liet haar hoofd op Alex’ schouder rusten en legde haar hand op zijn dijbeen. Hij had zijn arm om haar heen geslagen op een manier die niet zo comfortabel was, gezien de veiligheidsgordel van de taxi en haar strakke zijden Chinese jurk, maar dat maakte haar niks uit. Door het raampje zag ze vaag de lichtjes van Parijs tegen de nachtelijke hemel afsteken. Ze snoof zijn geur op en bedacht dat ze dolgelukkig was. Haar hart was tot de rand gevuld met geluk. Over hoeveel momenten in je leven kon je dat zeggen?
Eerder die avond, toen Rachel in hun stijlvolle, strakke hotelkamer rode lipstick aanbracht en zichzelf in een gouden handspiegeltje bekeek, was Alex een zin begonnen, maar hij had hem niet afgemaakt.
‘Lieverd, ik wilde je vanavond iets vragen, maar ik weet niet… misschien in het restaurant…’
Hij leek zenuwachtig en onzeker, wat niets voor hem was. Ze trok haar wenkbrauwen op en glimlachte. ‘Ben je je tong verloren?’
Hij keek uit het raam en daarna weer naar haar. ‘Nee, het komt straks wel…’
Ze keek hem liefdevol aan. ‘Allemachtig, zeg het nou maar. Je bent nu toch al begonnen.’
Hij liep heen en weer en grabbelde in zijn broekzak. ‘Het zit zo… O god, Rachel, vind je dat we moeten trouwen? Ik bedoel, wil je met me trouwen? Alsjeblieft?’
Het was zo’n verrassing dat ze hem met open mond aanstaarde. ‘Meen je dat?’ Hij joeg haar nogal eens op de kast, maar hij zou toch zeker geen grapje maken over zo’n gewichtig onderwerp?
‘Natuurlijk.’ Hij haalde een klein donkerblauw juweliersdoosje tevoorschijn en gaf het haar.
Ze wilde in tranen uitbarsten. Op haar achtendertigste had ze een slagveld van rampzalige relaties achter de rug en ze had gedacht dat dit moment nooit zou komen. De man op wie ze hopeloos verliefd was, vroeg of ze haar leven met hem door wilde brengen. Het was zo overweldigend dat ze er geen woorden voor had.
‘Ga je het nog openmaken?’ vroeg Alex.

De man op wie ze hopeloos verliefd was, vroeg of ze haar leven met hem door wilde brengen. Het was zo overweldigend dat ze er geen woorden voor had.

Er zat een antieke diamanten ring in: twee flinke stenen, gezet in marcasiet op een roodgouden ring. Hij was prachtig.
Ze flapte er het eerste uit wat in haar opkwam. ‘Ik wil wel kinderen. Hoe denk jij daarover?’
Wat moest dat onromantisch klinken, dacht ze, en ze beet op haar lip. Alsof ze over een zakendeal onderhandelde.
‘Ik ook,’ beaamde hij. ‘Natuurlijk.’
‘Stel dat we onze kinderen op een hightech manier moeten maken, in een buisje in een vruchtbaarheidskliniek?’
‘Hoe dan ook,’ beloofde hij. Zijn hand trilde toen hij de ring aan haar vinger schoof, en ze realiseerde zich hoe nerveus hij was. Dit betekende blijkbaar veel voor hem. Ze sloeg haar armen om zijn middel en trok hem naar zich toe. Het had altijd gevoeld alsof ze voor elkaar gemaakt waren: haar hoofd op de ideale hoogte voor zijn schouder, hun heupbeenderen tegen elkaar aan.
‘Klaar voor een potje oefenen in het maken van baby’s voor het eten, mevrouw Greene?’ vroeg hij met ietwat onvaste stem. Hij begon de schouderknoopjes van haar jurk al los te maken.
‘Wie zegt dat ik jouw naam aanneem?’ Ze zoende hem. ‘Ik vind dat jij de mijne moet aannemen.’
Hij trok haar op het bed. Gelukkig hield het restaurant hun reservering vast.
Toen Rachel eraan terugdacht tijdens de taxirit, besefte ze dat ze helemaal geen ja had gezegd, maar dat ze toch verloofd waren. Ze bekeek de ring aan haar vinger en hield haar hand naar de ene kant en naar de andere kant. Het was het meest bijzondere compliment dat een man je kon geven. Alex en zij woonden nu achttien maanden samen, maar hij had het nog nooit over trouwen gehad en ze had de indruk gehad dat hij zo’n onafhankelijk type was dat zich nooit zou settelen. Het leek erop dat ze het mis had gehad.
Rachel klapte naar voren, de gordel sneed in haar sleutelbeen en haar hoofd zwiepte naar achteren.
Ze reden in een straat langs de Seine, met aan weerskanten bomen. Aan de overkant lichtte de iconische omtrek van de Eiffeltoren als een kunstzinnige ansichtkaart op tegen de donkere lucht. De taxi vervolgde zijn weg omlaag naar een betonnen tunnel en toen hij er net in reed, zwenkte de chauffeur uit en trapte hard op de rem. Rachel klapte naar voren, de gordel sneed in haar sleutelbeen en haar hoofd zwiepte naar achteren.
‘Wat ís dit?’ hoorde ze Alex roepen, terwijl de taxichauffeur in het Frans vloekte.
Rachel keek door de voorruit en zag dat de weg voor hen geblokkeerd was door motoren die in rare hoeken geparkeerd stonden. Er flitsten stroboscopische lichten en het eerste wat bij haar opkwam, was dat het een theatervoorstelling was.
Un accident,’ legde de chauffeur uit. Hij zette de meter af. Alex klikte zijn gordel los en deed het portier open. ‘Even kijken wat er gebeurd is,’ zei hij toen de tv-producer in hem een verhaal rook.
Rachel stak te laat haar hand uit om hem nog tegen te kunnen houden. Ze wilde niet dat hij als een voyeur zou overkomen terwijl er misschien mensen gewond waren. Ze zag hem naar de menigte lopen, en toen haar ogen gewend waren aan de snelle flitslichten, zag ze dat er fotografen waren en dat het stroboscopische effect veroorzaakt werd door hun camera’s. Misschien was er een beroemdheid verongelukt. Alex praatte met een man in een leren jasje die een helm vasthield.
De taxichauffeur stapte ook uit, zodat Rachel alleen achterbleef. Ze deed haar portier open, stak haar hoofd naar buiten om het beter te kunnen zien en was verbijsterd door het geluid van de camera’s. Dat echode door de tunnel als het ra-ta-taaa van machinegeweren. Op de achtergrond blèrde een claxon en er hing een verstikkende geur van rook en benzine.
Ze zag Alex naar haar toe rennen met grote ogen van schrik en een urgente blik in zijn ogen. Hij wachtte tot hij dichtbij was voordat hij iets zei, zodat ze hem boven het lawaai uit kon horen.
‘Jezus, Rachel,’ zei hij. ‘Het is prinses Diana!’

Burrland, vlak bij Middleburg, Virginia, juli 1911

Mary Kirk zat op haar smalle bed een modetijdschrift door te bladeren. Er hingen nog zes andere meisjes om haar heen, van wie vier in tenniskleding omdat ze net een dubbelwedstrijd hadden gespeeld, en een paar die zichzelf koelte toewuifden en klaagden over de verzengende hitte. Ze deelden een huisje in het meisjeszomerkamp van miss Charlotte Noland en er was geen plafondventilator, dus was het er vochtig en benauwd en rook het er naar zweterige tennisschoenen en stijfsel.
De deur ging open en miss Katherine Noland, de zuster van Charlotte, kwam binnen met een slank meisje met donker haar en een sterke botstructuur, dat om zich heen keek alsof ze hen wilde taxeren. Mary keek terug. De nieuwkomer was niet knap, maar wel opvallend; haar jurk was simpel, maar met een goede snit; ze was niet lang, maar had de houding van iemand die lang was.
‘Dit is Bessiewallis Warfield,’ zei miss Katherine. ‘Ze komt vandaag bij ons en ik wil graag dat jullie haar welkom heten.’

‘Iedereen noemt me Wallis.’
‘Wallis,’ zei het meisje met een stem die verrassend zwaar was voor iemand van vijftien. ‘Iedereen noemt me Wallis.’
De andere meisjes stelden zich een voor een aan haar voor en toen Mary aan de beurt was, vroeg ze met een glimlach: ‘Is Wallace geen jongensnaam?’
Een stel korenblauwe ogen nam haar geamuseerd op. ‘Ik ben naar mijn opa vernoemd,’ zei Wallis. ‘En jij? Ben jij vernoemd naar de maagd Maria?’
Mary giechelde. ‘Welnee, helemaal niet. Mijn naam vertegenwoordigt het volslagen gebrek aan fantasie van mijn ouders.’
Wallis glimlachte met sprankelende ogen. ‘Je lijkt op Mary Pickford, maar jouw haar is donkerder, eerder kastanjebruin dan roodblond. Je kunt ergere naamgenoten hebben.’
Mary bloosde bij het compliment. Ze was nog nooit naar de film geweest, maar Mary Pickford stond in alle tijdschriften en was adembenemend mooi.
Miss Katherine nam Wallis mee naar een bed in de hoek en vroeg de meisjes haar wegwijs te maken voordat ze later op de dag naar het gazon zouden komen voor een picknick. Mary wees haar waar ze haar jurken kon hangen en haar ondergoed kon leggen, en bleef staan kijken terwijl het meisje uitpakte.
‘Waar wonen jullie?’ vroeg ze.
‘Mijn moeder woont in Baltimore, maar mijn vader is overleden toen ik een baby was.’ Wallis zei het op nuchtere toon.
Mary was met stomheid geslagen. Wat vreselijk om geen vader te hebben! ‘Waar is hij aan gestorven?’ vroeg ze, en ze wilde meteen dat ze die tactloze woorden kon terugnemen.
Wallis leek het niet erg te vinden. ‘Tbc,’ antwoordde ze. ‘Maar mijn moeder is hertrouwd met een man die meneer Rasin heet, en hij is aardig. Hij heeft me Bully, mijn Franse buldog, gegeven, en ook een aquarium met tropische vissen.’
‘Heb je broers en zussen?’
‘Nee, ik ben alleen. En jij?’
‘Ik ben de middelste van drie zusters: Buckie is ouder dan ik en Anne is de jongste.’
‘Verdorie!’ riep Wallis uit. ‘Had een van ons maar broers, zodat die ons aan hun vrienden konden voorstellen. Ik zit op een meisjesschool en nu op een meisjeskamp, en ik weet niet hoe ik op deze manier verdikkeme ooit jongens moet ontmoeten. Kunnen we er hier ergens een paar vinden?’
Mary was heimelijk opgetogen over haar grove taal. Zij zou er thuis van langs gekregen hebben als ze ‘verdorie’ of ‘verdikkeme’ zei. Dit meisje leek heel wat leuker dan de anderen in het kamp, die een beetje nuffig waren. ‘Ik ben hier maar een dag langer dan jij, dus ik ben nog niet op jongensjacht gegaan. Maar ik heb gehoord dat we bij gezinnen in de buurt op de thee gaan, en daar hebben ze vast wel een paar zoons.’
‘Wat gaan we de komende twee maanden verder nog doen?’ Wallis grijnsde. ‘Een meisje krijgt een keer genoeg van paardrijden, zwemmen en tennissen.’
De picknick stond uitgestald op schragentafels op de glooiende helling tussen het witte koloniale huis met de zuilengang en het rustige blauwe meer dat een paar kilometer lang kronkelde en uitliep in baaien en inhammen. Eromheen lagen, zo ver het oog reikte, groene velden, gescheiden door rijen bomen vol gebladerte. De lucht was roerloos en de insecten klonken soezerig in de middagwarmte.
De meisjes liepen ernaartoe en inspecteerden de uitstalling van koude kalfskoteletjes, waarvan het bot in een papierkraagje gestoken was, aardappelsalade, gebraden ham met augurkjes, een heleboel chique taartjes, en om te drinken limonade, thee en koffie. De gezusters Noland hielden toezicht terwijl ze rondliepen en met elkaar spraken. Het was een kunst om met het eten en drinken te balanceren, netjes te eten en niet met volle mond te praten. Mary zag dat Wallis het redde door nauwelijks iets te eten.
Ze wandelden samen naar het water, hun gezicht opgeheven om een vleugje wind op te vangen.
‘Zeg eens, wie is jouw ideale beau?’ vroeg Wallis.
‘Prins Edward van Engeland. Ik ben stápel op hem.
Mary’s antwoord lag op het puntje van haar tong. ‘Prins Edward van Engeland. Ik ben stápel op hem. Stel je eens voor: het meisje dat met hem trouwt, wordt op een dag koningin.’
‘Niet slecht.’ Wallis hield haar hoofd waarderend scheef. ‘Maar zou je weten wat je moest doen als hij nu daar de hoek om kwam?’ Ze wees naar een landtong. ‘Hoe zijn je reverences?’
Mary maakte een knicksje en giechelde. ‘Ik denk dat ik prompt flauw zou vallen.’
‘Maak je geen zorgen. Ik zou het woord wel doen. Dan zou ik zeggen dat je het geweldigste meisje van de wereld was en hem wat reukzout lenen om je weer bij te brengen terwijl hij je in zijn armen wiegde.’
Ze lachten. Miss Charlotte riep hen allemaal op zich onder elkaar te mengen, maar Mary en Wallis dwaalden verder bij de groep vandaan, verdiept in hun ontluikende vriendschap.
‘Vraag jij je weleens af hoe het is om een jongen te kussen?’ vroeg Wallis. ‘Ik kom er maar niet achter of je je lippen nu op elkaar moet houden of iets moet laten wijken. Ik heb het op mijn hand geoefend, maar ik weet niet wat beter voelt. Probeer jij het eens.’
Mary kuste de rug van haar eigen hand, eenmaal met haar lippen gesloten en daarna hield ze ze geopend. ‘Ik weet het niet. Ik denk dat je maar gewoon met die jongen mee moet doen.’
Wallis gooide haar hoofd in haar nek en giechelde. ‘Mary Kirk, met zo’n houding kom je flink in de problemen!’
Mary bloosde. ‘Natuurlijk zou ik nooit een jongen kussen zonder dat we verloofd waren.’
‘Mijn oma zei altijd: “Laat nooit een man je hand kussen, want dan trouwt hij niet met je.” Dat, en: “Trouw nooit met een yankee.”’
‘Dat zou ik natuurlijk nooit in mijn hoofd halen,’ zei Mary lijzig met haar beste Southern belle-accent.
‘Wat zou je nooit in je hoofd halen?’ vroeg miss Charlotte, die achter hen opdook. ‘Komen jullie nog naar ons feestje of houden jullie een privébijeenkomst?’
‘Het spijt me, miss Charlotte,’ zei Mary meteen.
‘Het geeft niet. Het is fijn om te zien dat jullie vriendschap sluiten.’ Ze glimlachte hen om beurten toe.
Mary was er trots op dat ze vriendinnen was met Wallis.
Mary was er trots op dat ze vriendinnen was met Wallis. Ze was onmiskenbaar het slimste, meest verfijnde en interessantste meisje van het hele kamp.
Een gezin uit de buurt, de familie Tabbs, nodigde een groep meisjes, onder wie Wallis en Mary, zondagavond uit voor het eten, en toen ze met de paardenkoets van de Nolands arriveerden, werden ze bij het uitstappen geholpen door de twee broers van het gezin, Lloyd en Prosser. Lloyd was met zijn zeventien jaar de knapste en beminnelijkste van de twee; Prosser was vijftien en had iets slungeligs. Wallis raakte meteen met Lloyd aan de praat en hing duidelijk aan zijn lippen. Prosser bood Mary een glas koude kersenlimonade aan.
‘Dank je,’ zei ze. Ze vond het prettig dat ze niet aan haar lot werd overgelaten, maar wist niet goed hoe ze met jongens moest praten. Waar hadden ze belangstelling voor? Stonden Wallis en Lloyd nu maar dichterbij, dan had ze naar hen kunnen luisteren; het leek erop dat het Wallis geen enkele moeite kostte om een gespreksonderwerp te vinden.
‘Woont je familie hier al lang?’ vroeg ze aan Prosser. ‘Wat voor soort boerenbedrijf hebben jullie? Wil je zelf ook ooit op een boerderij werken?’ Ze vond zichzelf maar saai toen ze Wallis en Lloyd hoorde lachen. Waar lachten ze in hemelsnaam om?
Tot haar opluchting stelde Prosser voor dat ze naar de anderen zouden lopen, maar ze was verbijsterd toen ze hoorde waar ze het over hadden.
Lloyd zei: ‘Miss Warfield en ik hebben het over Ty Cobb en Nap Lajoie. Zij denkt dat er vorig jaar met Ty’s uitslagen is geknoeid en dat Nap absoluut de beste slagman had moeten worden.’
‘Dat vind ik ook,’ zei Prosser. ‘Heb je het gehoord van de wedstrijd in St. Louis? Het lijdt geen twijfel dat hij de perfecte eight-for-eight had.’
Hoe kwam het dat ze er ook maar iets van snapte?
Mary had het gevoel dat ze in een land terecht was gekomen waar een andere taal gesproken werd. Het duurde even voor ze in de gaten kreeg dat ze het over honkbal hadden, en ze stond ervan te kijken dat Wallis zo thuis was in de terminologie. Hoe kwam het dat ze er ook maar iets van snapte?
‘Ik heb erover gelezen in de krant,’ legde Wallis later uit. ‘Alle jongens houden van honkbal, dus ik wist dat het van pas zou komen.’
Lloyd en Prosser vroegen of ze de volgende dag mee wilden gaan roeien, en zonder met Mary te overleggen sprak Wallis af dat ze om halfdrie zouden komen, vlak na de lunch. Ze had hun alibi al uitgevogeld en zei tegen de dames Noland dat ze bessen gingen plukken.
‘Laat me jullie wat manden meegeven,’ zei miss Katherine stralend. ‘Dan laten we de kokkin er een taart van bakken voor het avondeten.’
Onderweg naar de plek waar ze met de Tabbs hadden afgesproken, plukten ze een paar handen bosbessen en bedachten dat ze er op de terugweg nog meer zouden zoeken.
De jongens stonden al te wachten en hielpen hen in een houten roeiboot. Toen Mary op de achtersteven lag en haar vingers door het water liet glijden, had ze het gevoel dat ze in een nieuwe, betoverende wereld terecht was gekomen. Het deed er niet toe dat Wallis zelfverzekerder was; Mary kon de rustigste van de twee zijn en gewoon lachen om de lompe grappen van de jongens. Ze was opgetogen dat ze haar allereerste beau leek te hebben. Prosser was lief en voorkomend en ze vond het fijn om naar zijn armspieren te kijken terwijl hij aan de riemen trok.
Het was de eerste van vele afspraken die de vier tijdens die lange, luie zomerdagen maakten. De dames Noland trokken Wallis’ excuses voor hun afwezigheid nooit in twijfel en leken hun vriendschap graag aan te moedigen.
Op een middag, toen ze met zijn vieren aan het picknicken waren, dwaalden Wallis en Lloyd samen af in het bos. Prosser ging op zijn zij liggen, steunde op zijn elleboog en keek naar Mary, die in het gras lag.
‘Je bent het knapste meisje dat ik ooit gezien heb,’ zei hij. ‘Ik ben een geluksvogel.’
‘Dank je.’ Ze glimlachte.
‘Ik heb absoluut de knapste van jullie tweeën, geen twijfel mogelijk,’ zei hij.
‘Dat is heel aardig van je,’ antwoordde ze. ‘Maar Wallis is ook knap.’
‘Niet zo knap als jij.’ Hij boog zich naar haar toe met zachte, smeltende ogen. ‘Mag ik je kussen? Een klein kusje maar?’
Mary schoot overeind. ‘Geen sprake van! Jij ploert! Wat voor meisje denk je dat ik ben?’
Hij haalde beschaamd zijn schouders op. ‘Je vriendin laat zich de hele tijd door Lloyd kussen.’
Mary kreeg een kleur. ‘Ik geloof je niet. Wat een vuile leugen!’
Als ze na hun afspraakjes terugliepen naar het kamp, wisselden Wallis en Mary altijd verhalen uit over wat de jongens hadden gezegd of gedaan. Het lag op het puntje van Mary’s tong om Wallis te vertellen wat Prosser had beweerd. Ze zou toch zeker woedend zijn dat hij zo’n schandelijke onwaarheid had verzonnen?
Maar om de een of andere reden zei ze er niets over. Diep vanbinnen vermoedde ze dat het misschien wel waar was.

Wil je graag verder lezen? Bestel De tweede vrouw dan hier.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief