leesfragment

‘Wie waarlijk leeft’ van Ronald Giphart

Wijnie Jabaaij was de moeder van schrijver Ronald Giphart, die in zijn roman Ik omhels je met duizend armen schreef over een moeder die – net als Wijnie Jabaaij – door euthanasie uit het leven stapte. In Wie waarlijk leeft schrijft Giphart opnieuw over zijn moeder, maar nu zonder de sluier van fictie. Hij vertelt liefdevol en onverbloemd over zijn feministische moeder en hoe hij zich nog steeds door haar laat inspireren. Lees hieronder alvast de eerste pagina’s. 

Fragment

Haar naam was Wijnie Jabaaij. De afgelopen decennia kwam ik na afloop van lezingen regelmatig journalisten, ambtenaren, oud-politici, rooie en minder rooie rakkers tegen die met weemoed over mijn moeder begonnen te vertellen. Iedereen die haar had gekend zei me dat ze een bijzondere vrouw was, met een strijdbare inborst, een onwankelbaar vertrouwen in solidariteit en een goed gevoel voor al dan niet donkere humor. Om het ouderwets te zeggen: het deed mij altijd deugd als mensen dit met mij deelden.

Een leven vol strijd. Als hoogedelgestrenge volksvertegenwoordiger maakte mijn moeder zich – eerst als gemeenteraadslid en later als parlementariër – sterk voor vrouwen, bomen, kinderen, crèches, sociaal zwakkeren, prostituees, gehandicapten, zieken, rijksgenoten, nieuwkomers, vluchtelingen en tientallen andere groepen verdrukten. Voor een vermoeiend groot deel bestond haar bestaan uit discussiëren, demonstreren, vragen stellen en poten zagen, en daar zou ze ongetwijfeld lang mee zijn doorgegaan als zij eind jaren tachtig niet was getroffen door verlammingsverschijnselen aan de linkerkant van haar lichaam. Ze zei daarover in een interview: ‘Ik ben waarschijnlijk te links geweest.’

Ik denk nog steeds iedere dag aan haar.
Aanvankelijk dachten de artsen dat ze een hersentumor had, maar tot haar opluchting leed ze ‘slechts’ aan multiple sclerose. Dat was een verkeerde inschatting, want ze bleek een agressieve variant te hebben. Zes jaar na haar diagnose, toen ze inzag dat ze het niet kon winnen van een ziekte waartegen ze zich aanvankelijk vrouwmoedig had geweerd, koos ze ervoor via euthanasie een einde aan haar leven te maken. Hoewel het door haar georganiseerde afscheid liefdevol, twinkelend en licht was, was haar overlijden voor mijn zus Karin en mij een gebeurtenis die nog immer nadreunt. Inmiddels ben ik op mijn vierenvijftigste nog maar een jaar verwijderd van de leeftijd die Wijnie had toen ze stierf, en zonder daar larmoyant over te zijn: ik denk nog steeds iedere dag aan haar.

***

Een jaar na haar overlijden stelde ik op uitnodiging van een uitgeverij een therapeutische bloemlezing samen van door mannen geschreven verhalen en romanfragmenten over moeders. Wat mij bij het verzamelen opviel was dat de moederfiguur in de literatuur niet alleen vele hoedanigheden kent – die van opvoedster, al dan niet liefdevolle verzorgster, beschermengel, eerste geliefde, opjaagster, vraagbaak, verraadster, troostgeefster, trotse wurgster – maar ook dat het Oedipus-motief in veel van die verhalen en romans nadrukkelijk aanwezig was. Dit vond ik opmerkelijk, want in real life was en ben ik eigenlijk nooit een man tegengekomen die graag met zijn mam naar bed wilde en zijn pap wilde vermoorden. Misschien verkeerde ik wel niet in de juiste literaire kringen.

Gelukkig vond ik bij mijn zoektocht destijds ook enkele mooie verhalen die niet stijf stonden van oedipale verwijzingen, waarin moeders gewoon moeders waren, met al hun te waarderen en onhebbelijke eigenschappen van dien. Ook mijn eigen moeder was in alle opzichten ‘gewoon een moeder’, met leuke en minder leuke trekken. Zoals zo veel moeders leed ze aan een door moederliefde gevoede, verstikkende moedertrots, ze was veeleisend maar ook vergevingsgezind, ze had torenhoge verwachtingen en was tegelijkertijd opmerkelijk snel tevreden met de prestaties van haar kinderen.

 

Euripides schreef dat moeders altijd meer van hun kinderen houden dan vaders.
Euripides schreef dat moeders altijd meer van hun kinderen houden dan vaders. Als vader van twee zoons en een dochter heb ik daar natuurlijk mijn twijfels bij en ik weet ook niet hoe mijn eigen vader deze uitspraak zou hebben gevonden. Wat ik wel weet is dat mijn moeder onuitsprekelijk veel van mij en mijn zus heeft gehouden, en dat was in alle opzichten wederzijds. Voor mij geen gefnuikte moederbinding, gekwetste gevoelens of andere navelstrengcomplexe zaken: mijn moeder was mijn moeder en verder niets. Zelf zei ze in een interview: ‘Als ik iets ben geweest is het moeder.’ En zo is het.

Vice versa is het natuurlijk anders. De bewering ‘als ik iets ben geweest is het zoon’ zou ongemeend zijn. De tragiek van een moeder is dat haar kinderen voor haar altijd het belangrijkst zijn, terwijl zij dat voor haar kinderen maar tot een zekere leeftijd is.

Wijnie overleed toen ik negenentwintig jaar was. Uiteraard heeft zij mijn leven bepaald, gevormd en tot op haar einde toe geprobeerd te sturen. Haar dood was voor mij en voor mijn zus op een bepaalde manier ook een opluchting, omdat haar laatste strijd – die tegen haar ziekte – niet alleen haar, maar ook ons had uitgeput.

***

Begin dit jaar zat ik met mijn zus in een bistro in Utrecht. Het is niet zonder reden dat ik deze plek had uitgekozen om over mijn moeder te praten. Mijn ouders hielden niet van vakantie, maar wel van lekker eten, en dus gingen we vaker dan gemiddeld naar een restaurant, meestal de Dordtse stationsrestauratie of een roemruchte bistro waar gerechten werden geserveerd op houten borden. Mijn moeder was hier dol op en ze zou zich zeer hebben gelaafd aan de opkomst van de hedendaagse nouveau bistreau. Wat dat betreft heeft ze haar eetgenen duidelijk aan mij doorgegeven.

Dit jaar is het vijfentwintig jaar geleden dat ze overleed, een newsflash die ons deed duizelen. Het voelde onwerkelijk. Zo lang kan het toch onmogelijk zijn geweest? Karin en ik hebben inmiddels kinderen die de leeftijd hebben die ik had toen Wijnie ziek werd. Hoe kan dat zo snel zijn gegaan, vroegen we ons wezenloos af.

Nu ik ouder ben lukt het me naar haar leven te kijken met mededogen en een bijna ouderlijke vertedering.
Karin had spullen bij zich uit mijn moeders nalatenschap, dozen die zij al jarenlang in huis heeft. Ze gaf me een oud KLM-koffertje met krantenknipsels, foto’s, brieven en andere paperassen, waarvan ik vele nog niet eerder had gezien of was vergeten. Het was vreemd om fragmenten uit het leven van Wijnie verzameld te zien in een gammele koffer: interviews, tijdschriftreportages, Handelingen der Staten-Generaal, columns die door haarzelf waren geschreven (nooit geweten), speeches die werden uitgesproken op haar crematie in 1995. Ook de tekst die ik daar heb voorgelezen.

Mijn zus en ik komen niet uit een familieziek gezin, noch zijn we nauwgezette verzamelaars van persoonlijke parafernalia, ik althans niet. Mijn moeders bagage deed me meer dan ik had verwacht, met name omdat ik zag hoe druk ze zich had gemaakt over de zaken die voor haar belangrijk waren. Als kind neem je de veldtochten van je ouders voor kennisgeving aan, maar nu ik ouder ben lukt het me naar haar leven te kijken met mededogen en een bijna ouderlijke vertedering.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief