leesfragment

‘Wij zijn de wolven’ van Evie Wyld

0

Al jarenlang geldt Evie Wyld als een van de meest talentvolle Engelse auteurs van dit moment. Met Wij zijn de wolven heeft ze een meesterwerk geschreven en drie vrouwelijke personages gecreëerd die de lezer nooit meer zullen loslaten.

Lees hier alvast de eerste pagina’s van haar nieuwste roman.

Ik was zes en mijn moeder en ik hadden Booey meegenomen voor een wandeling met z’n tweetjes over het strand waar zij en papa waren opgegroeid, de kust een mix van zwarte rotsen en bleek koud zand. Het was er altijd koud – zelfs in de zomer droegen we wollen truien en hadden we een loopneus, die schraal werd doordat we hem constant aan onze mouw afveegden. Maar het was november, en de wind dwong de hond dicht bij ons te blijven, haar oren plat, haar ogen toegeknepen. Ik zag de toplaag van het zand wegstuiven, waardoor het op een gigantisch opbollend beddenlaken leek.

We zochten in de vloedlijn naar kaurischelpjes. Er drukten er twee in mijn handpalm, wit als de keel van een zilvermeeuw. Mijn moeders blik was scherper en zij had er al zes. Ik voelde de aantrekkingskracht van de overwinning afnemen.

In een van de rotspoelen lag een zwarte koffer met uitpuilende zijkanten. De rits was gesprongen en op de plek waar de tandjes niet meer in elkaar haakten zag ik twee vingers met aan het topje een rode nagel, en één grijze knokkel waar een derde vinger hoorde te zitten. Het stompje van de vinger, als het gipsen miniatuurhammetje van mijn poppenhuis. Het zeewater had alle kleur uit de knokkel gezogen en slechts een kil grijs en het wit van het botje achtergelaten. Het kwam door het botje, denk ik, dat het zoveel weg had van de piepkleine ham. Ik bewoog mijn arm om iets uit mijn gezicht te vegen en op dat moment steeg er een dikke, zware wolk vliegen uit de koffer op.

Achter me mijn moeder – ‘Nog een!’ riep ze. ‘Ik heb er nog een gevonden!’ – en toen de geur, als een dode kat ’s zomers in de schoorsteen, een geur zo hoog en breed dat je er niet over- of omheen kunt kijken.

Mijn moeder kwam achter me staan. ‘Wat is…’

Ik bleef naar de vingers staren en probeerde het te bevatten terwijl mijn moeder me aan mijn arm meetrok. ‘Kom mee, kom mee,’ zei ze, en ze braakte alsmaar op het zand, ‘niet kijken, kom mee.’ Maar hoe meer ik keek, des te meer ik zag, en achter de openingen tussen de witte vingers zat een oog dat me aan leek te kijken, dat iets over me leek te weten en me een vraag stelde en een antwoord gaf. In de herinnering, die een kinderherinnering is en onbetrouwbaar, knippert het oog.

De Lamb

I

De kleine supermarkt in Musselburgh is tot tien uur ’s avonds open en het personeel kijkt gechoqueerd als ik om vijf over halftien binnenloop. Na acht uur in de auto maak ik vast niet zo’n florissante indruk. Ik had bij een tankstation in de buurt van Durham water in mijn gezicht geplensd en mijn haar is vreemd opgedroogd. Ik zie er onverzorgd genoeg uit om te kunnen doorgaan voor een winkeldief.

Ik heb mijn auto aan de achterkant van de supermarkt bij de pinautomaten geparkeerd om mezelf eraan te herinneren dat ik op de terugweg even moet pinnen, aangezien de winkels dichter bij het huis liever geen betaalkaarten accepteren.

Ik blijf lang bij de kruiden staan. Er liggen chilipepers en verse gember en ik vraag me af hoe ik het moet aanpakken om er iets mee te maken. Ik leg in plaats daarvan wat citroentijm in mijn karretje. Misschien maak ik morgen wel gebraden kip. Of wat kippendijen. Ik kan niet goed koken – het fijne van kippendijen is dat ze niet uitdrogen als ik ze vergeet.

Ik haal altijd te veel fruit – maar het is lastig om je niet te laten gaan.
Ik haal altijd te veel fruit – maar het is lastig om je niet te laten gaan. Ze hebben alle kleuren pruimen uit Kenia – geel, oranje, paars, rood en zwart – en ik zet van elke kleur een doosje in mijn karretje. Dat zijn dertig pruimen die ik in een week moet opeten, wat neerkomt op maar iets meer dan vier per dag en naar mijn idee wel haalbaar zou moeten zijn. ’s Ochtends twee, ’s avonds twee. Als ik het type was dat dingen kon inmaken, zou ik van elke soort een pot inmaken, gewoon voor de sier. Maar er zou een laagje schimmel op komen, net als die keer dat ik olijfolie met chilipeper had gemaakt en de fles zwart was geworden. Ik zie een fundamenteel aspect van inmaken over het hoofd. Ik vermoed dat het hygiëne is. Ik loop verder, en hoewel ik iets nieuws en interessants probeer te bedenken om te koken, heb ik tegen de tijd dat ik bij de diepvriesproducten aankom al spaghetti, mosselen in blik en gepelde tomaten gepakt. Een doos eieren die ik nooit ga gebruiken en wat gesneden bruinbrood en de kruiden. Niets wat ik vanavond wil eten. Maar het is tenminste eten waar een zekere ernst uit spreekt. Ik ben een vrouw die hier is om te werken. Die haar familie een dienst bewijst, en niet andersom. Ik ben niet langer de persoon die er afgelopen juni geen enkele dag in was geslaagd om voor de middag uit bed te komen. Die niet meer naar haar werk ging en haar vrienden niet meer zag en de telefoon niet meer opnam, en door haar zus naar het ziekenhuis gebracht moest worden toen de adem niet meer naar binnen en naar buiten wilde komen, en die alleen nog maar een langgerekt loeiend geluid kon produceren. Ik heb geen zeven dagen in een kamer zonder randen doorgebracht, met een bordje op de deur waarop stond Absoluut geen bestek (ook geen theelepels!).

De intercom kondigt aan dat de winkel over vijf minuten gaat sluiten en het voelt als een bericht dat specifiek voor mij bedoeld is.

Er staat een vrouw bij de diepvriesproducten, waar ik alleen maar ben omdat ik mijn boodschappenrondje daar altijd eindig. Ze heeft geen karretje, niet eens een mandje; ze kijkt naar de choco-ijsjes. Ze kiest een doos waar vier dure muntijsjes in zitten, met op de voorkant een grote, vulgaire vrouwenmond die de chocola laat barsten.

Ze heeft een niet-brandende sigaret in haar mond, klaar voor gebruik, een flinke bos krullen die is getoupeerd en in de haarlak gezet en ze heeft roze lippenstift op. Ze glimlacht naar me en zegt: ‘Nog even een ijsje voor het slapengaan?’, en ik ben zo van mijn stuk gebracht dat ik rood word en dan lach ik te hard en zeg alleen maar: ‘Pruimen.’ Ze antwoordt met een glimlach en loopt weg. Nu ga ik mezelf de hele avond pruimen horen zeggen.

Aan het eind van het pad staat een display met Jubbly-sinaasappelwaterijsjes van Mr Freeze. Wanneer mijn vader toen we klein waren een goeie bui had en niets liever wilde dan Katherine en mij aan het lachen maken, dan zong hij een liedje van de tv-reclame uit zijn kindertijd, lovely jubbly, lovely jubbly orange drink. Waarom we juist daar altijd het hardst om moesten lachen is moeilijk te zeggen, maar ik denk dat het meer te maken had met het feit dat hij ons wilde laten lachen dan met het liedje zelf. En toch blijf ik staan, omdat, zoals zoveel kleine dingen die je elke dag ontdekt, het tot me doordringt dat ik dat liedje nooit meer uit zijn mond zal horen. Ik ben die stomme kippendijen vergeten, dus ik loop haastig terug naar de vleeskoeling en alle lekkere kip is al weg, het enige wat er nog ligt heeft een rotleven gehad en smaakt naar vis. Ik leg een blikje sardines in mijn karretje, leg de kruiden terug in het schap. Plakjes Zwitserse kaas, een reep chocola en wat bleekselderij, alleen voor de schijn.

Er is nog maar één kassa open.
Er is nog maar één kassa open, een korte rij waarin we allemaal proberen uit te stralen dat we normaal gesproken nooit zo laat boodschappen doen. Ik blader door een tijdschrift. Ik kom een sfeerbeeld tegen van een man die zijn duim tegen zijn bovenlip houdt om zijn manchetknopen te showen, of anders zijn horloge. Hij rimpelt zijn voorhoofd op een manier die voor sexy moet doorgaan. En dan tegenover hem een bleek, graatmager meisje met een middenscheiding, haar lippen gestift tot een rode boog, een onbeweeglijke marionet. Ze staart treurig in de verte. Ze is er om bekeken te worden door de man met de manchetknopen en het gerimpelde voorhoofd, maar ze is er niet om terug te kijken.

Mijn moeders stem in mijn hoofd – Waarom willen al die vrouwen er toch uitzien als een hert dat in de koplampen staart? Waarom willen al die mannen er toch uitzien alsof ze te hard lachen in het openbaar?

Ik ben blij dat de tijd van nadenken over hoe anderen wel of niet op mijn lichaam en gezicht zullen reageren voorbij is. Ik ben op de een of andere manier ouder dan mijn moeder, omdat zij op deze leeftijd tenminste iets van haar leven had gemaakt – ze had een man en kinderen en is toen een deel daarvan kwijtgeraakt en lijkt nu het leven te leiden dat ze altijd heeft gewild, alleen en met haar werk. Ze houdt zich nu al negen maanden bezig met giftige paddenstoelen uit Frankrijk. Het enige ingelijste schilderij in mijn appartement is een schilderij dat ze me drie jaar geleden als verhuiscadeau heeft gegeven, een vliegenzwam waar voor de verhouding een vliegend hert voorbij zigzagt. Het staat nog steeds tegen de muur in mijn slaapkamer. Er zit inmiddels vast een huisspinnennest achter. Voor mijn moeder is het alleen zijn een nieuw begin geweest. Haar huis is netjes. Ze eet wat ze wil, wanneer ze wil: een hele dag niets en dan om elf uur ’s avonds verse krab, of een kommetje diepvrieserwtjes, ongekookt, die ze dan als pinda’s eet bij het ontbijt. Ik heb bewondering voor het singlebestaan dat ze sinds de dood van mijn vader heeft omarmd. Ik denk dat dat ook wel iets voor mij zou kunnen zijn, maar zonder eerst weduwe te moeten worden.

Toch zou het soms wel fijn zijn om te neuken en geneukt te worden.

Ik kijk zo nu en dan op internet naar single mannen en vrouwen, ouder dan ik, ik ga altijd voor ouder, niet omdat ik op zoek ben naar een volwassen of ervaren iemand, maar omdat jongere mensen hun profiel zo hebben ingesteld dat ouderen eruit worden gefilterd, een groep waar ik, nu ik tegen de veertig loop, ineens ook bij hoor.

Er zijn een paar matches geweest: Steven uit Harringay, zesenvijftig; Philip uit Clapton, negenenveertig; Isabella uit Hampstead, tweeënzestig. En als ze geen filters aan hebben staan, zoals de zesendertigjarige Marco uit Tooting, dan heeft dat waarschijnlijk te maken met een soort fetisj. Het geheugen van mijn telefoon was bijna vol, dus verwijderde ik de app, en ik deed dit terwijl mijn zus toekeek, zodat ze haar hoofd in haar nek kon gooien en geërgerd met haar tong kon klakken.

De vrouw achter de kassa zegt ‘Goedenavond’ tegen me alsof ik me kom registreren op het politiebureau.

Ik probeer haar blik te ontwijken.
Als ik met mijn tasje boodschappen naar mijn auto loop, zie ik net voorbij de schuifdeuren de vrouw van de ijsjes. Ze is er een aan het eten en trommelt met de lange nagels van haar andere hand op de doos. Mijn auto is de enige op de parkeerplaats. Ze staat zeker te wachten tot ze wordt opgehaald. Ik probeer haar blik te ontwijken.

‘Hé!’ roept ze. Ik glimlach, maar zonder oogcontact te maken – gaat ze weer proberen om een gesprek met me aan te knopen? Moet ik uitleg geven over de pruimen? ‘Hé!’ zegt ze nog een keer. ‘Goed je te zien, mop! Hoe is het?’ Blijkbaar denkt ze dat we elkaar kennen.

Misschien wil ze wel geld. Ik voel me ineens heel alleen op de parkeerplaats – de beveiliger is bezig de rolluiken naar beneden te laten, en ik kijk over mijn schouder in zijn richting, maar hij kijkt niet deze kant op.

‘Eh, sorry, ik geloof niet dat wij elkaar kennen?’ zeg ik, en ik loop snel in de richting van mijn auto – dan maar niet pinnen vanavond.

‘Klopt,’ sist ze, en ze loopt op een drafje om me bij te houden, ‘maar doe gewoon even of dat wel zo is, er zit een man achter je auto verstopt.’ Ik blijf staan en ze botst tegen me aan. Vanwaar ik sta zie ik niemand bij de auto, maar de pinautomaten zijn fel verlicht, waardoor alles eromheen donkerder lijkt.

‘Hier, ik heb een ijsje voor je,’ zegt ze, nu weer hardop. Ze haalt er eentje voor me uit de doos. Ik pak het automatisch aan.

‘En nu? Laten we de beveiliger erbij halen.’ Terwijl ik dat fluister gaat het licht aan de voorkant van de supermarkt uit.

Ik zie nog steeds niemand, en ik krijg ineens een naar gevoel. Wie gaat er nu laat op de avond boodschappen doen, zonder auto, alleen maar om choco-ijsjes te kopen? Dat is geen normaal gedrag. Snel, naar je auto, gaat er door mijn hoofd, schud die vrouw af, geef haar d’r ijsje terug, wat de hele situatie een stuk lastiger maakt, zowel fysiek als mentaal. Ik druk op het knopje om mijn kofferbak open te maken en de vrouw zegt: ‘Dat is echt lang geleden, ik heb je sinds de middelbare school niet meer gezien – hoe is het met jou dan?’

Ik doe verward mijn mond open en terwijl ik een antwoord probeer te verzinnen, waarbij me te binnen schiet dat het toch niets uitmaakt, we hebben niet samen op school gezeten, komt er in het donker aan de bijrijderskant van mijn auto een gedaante overeind, en het enige wat ik kan zien is dat hij zijn hand in zijn jaszak heeft en donkere kleding draagt en zich snel uit de voeten maakt zonder te rennen. Ik kijk hem na, mijn hart klopt in mijn keel. Ik heb het vreselijke gevoel dat ik misschien wel ga huilen.

‘Vieze smeerlap,’ zegt ze, en ze maakt nog een ijsje open.

‘Moeten we dit niet aan iemand vertellen?’ zeg ik.

'Enge mannen heb je overal, mop. Geloof mij maar.’
‘Wat moeten we vertellen dan? Dat er een enge man rondhangt? Enge mannen heb je overal, mop. Geloof mij maar.’

‘Eh, luister, ontzettend bedankt, sorry, ik wist niet wat er aan de hand was.’

‘Hé, maak je niet druk,’ zegt ze.

‘Hier heb je je ijsje terug,’ zeg ik.

‘Ha!’ zegt ze. ‘Hou maar, mop – ik heb er hier nog twee.’ Ze neemt een hap van het nieuwe ijsje en de chocola kraakt luid. ‘Nou, het beste, hè,’ zegt ze, en ze draait zich om naar het paadje dat naar de hoofdweg leidt.

‘Wacht. Stel dat hij terugkomt?’ zeg ik. ‘Wil je misschien een lift?’ Het is niets voor mij om iemand een lift aan te bieden, laat staan in het donker, aan een volslagen vreemde, maar het is eruit voor ik het doorheb.

De vrouw draait zich om, glimlacht.

‘Zal ik je wat zeggen? Dat zou top zijn.’

Eenmaal in de auto vraag ik me af wat ik aan het doen ben.

‘Mag ik?’ Ze gebaart naar haar ijsje.

‘Tuurlijk.’

We rijden de parkeerplaats af en de heuvel op. ‘Ik moet gewoon ijs hebben als ik stoned ben, snap je.’

Ze geeft me aanwijzingen en vertelt waar ze vandaan komt, en ik vergeet meteen weer wat ze zegt.

‘’t Is best wel een gribus,’ zegt ze, ‘en al helemaal het gedeelte waar ik vandaan kom.’

Ik knik. Ik kan geen enkele vraag bedenken. Op het stuk richting de kust staan geen lantaarnpalen, en mijn groot licht doet het al jaren niet. Ik denk elk moment iets te zullen zien wat ons op de hielen zit, ogen die rood oplichten in de koplampen. Ze lijkt volkomen onaangedaan door het incident op de parkeerplaats. Ik heb evenveel heimwee als een elfjarige.

‘Wat doe je voor werk?’
‘Wat doe je voor werk?’ vraagt ze.

‘Freelance dingen.’ Ik probeer het opruimen van het huis van mijn oudtante en grootmoeder te doen klinken als een baan. ‘Met name archiveerdingen. Ik ga hier alleen in de weekenden zijn, sta op het punt om aan een nieuw project te beginnen.’ Ik schraap langdurig mijn keel.

‘Cool,’ zegt ze. ‘Kunst?’

‘Ja. En andere dingen.’

Ik heb te vaak het woord dingen gebruikt.

‘Wat cool. Ik hou wel van kunst.’

Er valt een lange, lange stilte.

‘Hoe ben je daarin gerold dan?’

‘Ik heb kunstgeschiedenis gestudeerd’, wat bijna waar is, ik heb het eerste jaar gedaan, en het was al zo lang geleden dat áls die studie al invloed heeft gehad op het verdere verloop van mijn leven, die voor mijn gevoel hooguit zijdelings is geweest. ‘Mijn moeder is botanisch kunstenaar, dus het zit wel een beetje in de familie.’ Behalve dat dat niet echt zo is. Ik vertel haar bijna dat mijn vader kort geleden overleden is, om te proberen wat terrein te winnen, alsof het die ochtend is gebeurd en het eigenlijk niet te geloven is dat ik toch de schouders eronder hou, maar er is niemand die dat nog accepteert omdat het al twee jaar geleden is. Je moet verder met je leven, ze zeggen het misschien niet, maar je ziet het aan hun gezicht.

‘Dus eh, planten en zo?’

‘Ja, nou, eigenlijk paddenstoelen.’

‘Ah, oké,’ zegt ze. En dan is het weer stil.

Ik realiseer me te laat dat ik haar had moeten vragen wat zij doet; de stilte heeft die richting van het gesprek afgekapt. Het begint zachtjes te regenen.

‘Ik ben Maggie. Geen afkorting of zo. Gewoon Maggie,’ zegt ze.

‘Viv. Van Viviane.’
‘Viv. Van Viviane.’

‘Ik heb nog nooit een Viviane ontmoet,’ zegt ze, alsof het haar oprecht verbaast. Ik voel de behoefte om het uit te leggen.

‘Mijn moeder zei dat ze het een mooie naam vond omdat hij intelligent klinkt.’

‘Ha!’ zegt ze. ‘Mijn moeder vond Maggie klinken als een donzig kuiken.’

Ik hoef nergens heen, heb niets te zeggen. Ik wou dat ik kon stoppen met over mijn moeder beginnen.

Op de kustweg, ter hoogte van de golfbaan, zegt ze dat ik moet stoppen.

‘Vanaf hier loop ik wel. Lekker even wandelen onder de sterren.’

‘Weet je het zeker?’

Ze steekt haar hand uit en we schudden elkaar de hand alsof we zojuist een deal hebben gesloten.

‘Tot kijk, mop.’ Er zijn verder geen auto’s op de weg, en ik kijk hoe ze op de strandafgang uit het zicht verdwijnt, haar tred licht en ontspannen alsof ze met muziek op loopt. Verder weg, in de duisternis, hoor ik de golven die tegen de Bass Rock beuken, maar ik kan hem niet zien.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief