leesfragment

‘Wolf’ van Jens Henrik Jensen

Eindelijk, een nieuw deel in de Oxen-serie: Wolf!

Oorlogsveteraan Niels Oxen leeft een rustig leven in een buitenwijk van Kopenhagen. Als hij wordt gevraagd om te helpen met het opsporen van een vermiste boer, zegt hij aanvankelijk nee. Maar wanneer hij ontdekt dat hij de klus kan combineren met een tripje met zijn zoon, zegt hij toch toe. Zijn taak leidt hem naar onbekend terrein, waar verschillende soorten wolven zijn pad kruisen en hem terugvoeren naar het verleden van zijn voormalige partner Margrethe Franck. Haar verhaal blijkt veel geheimzinniger en duisterder dan iedereen voor mogelijk had gehouden.

Kan je niet wachten om in het vierde Oxen-deel te duiken? Lees hier alvast de eerste pagina’s van Jens Henrik Jensens nieuwste thriller: Wolf.

1

De ademhaling van de man golfde uit zijn mond en zijn bezwete lichaam dampte. Het was knisperend koud. Hij stond gehuld in zijn eigen dikke blauwwitte mist, die de kleur aannam van het licht dat van zijn voorhoofd afstraalde.

Zijn grove handen lagen op het handvat van de schep.
Toen hij een pauze hield en zich oprichtte, viel er een zweem van het lichtschijnsel over zijn gegroefde gezicht, dat hij met gelijke tussenpozen afveegde met zijn mouwen. Zijn grove handen lagen op het handvat van de schep en hij boog zich een stukje naar voren terwijl hij uitrustte. Hij was niet jong meer, maar kon nog steeds hard werken.

Om hem heen stonden de dennenboomstammen zij aan zij als zwijgende getuigen die geen woord over zijn misdaad zouden zeggen. Zo meteen was hij weg, en hij zou hier nooit meer terugkomen.

Hij was lang bezig geweest. Gelukkig was de vorst nog niet doorgedrongen tot het stuk bosgrond dat hij met zorg had afgemeten voordat hij aan de slag ging. Nu stond hij in het gat, dat zo diep was dat het tot zijn heupen kwam. Hij was bijna klaar.

Hij haalde een paar keer diep adem, waardoor hij een hevige hoestbui kreeg. Hij verschoof de voorhoofdslamp, die hem irriteerde, en ging weer aan de slag.

Hij gooide beurtelings aarde naar links en naar rechts op de twee stukken dekzeil die hij bij zich had, omdat hij voorzichtig was en niet meer sporen wilde achterlaten dan hoogst noodzakelijk was. Die voorzichtigheid zorgde er ook voor dat hij zo diep groef.

Hij had vaak naar Amerikaanse televisieseries over het werk van de technische recherche gekeken: over botten die na vele jaren plotseling uit de grond staken doordat wilde dieren ze hadden gevonden en de geheimen in de bosgrond hadden opgegraven.

Dat zou hem niet overkomen.

Toen hij eindelijk tevreden was, klauterde hij uit het gat, legde de schep neer en nam de situatie in zich op terwijl hij op adem kwam. Er was maar één manier om het te doen, want hij kon het lijk niet over de bergen aarde trekken.

Hij liep naar het opgerolde dekzeil, dat met een touw was dichtgesnoerd, pakte één uiteinde vast en begon te trekken. De bundel was zwaar, maar het lukte om hem over de bosgrond naar het graf te trekken.

Voorzichtig klom hij in het graf, pakte het uiteinde opnieuw vast en trok uit alle macht. Vlak daarna was hij klaar. Meer kon hij er niet aan doen.

Het zou ongelofelijk stom zijn om hem achter te laten als hij zo zorgvuldig was geweest met de rest.
Hij klauterde weer naar boven. Inmiddels had hij hevige pijn in zijn ene knie. Hij had een enorme behoefte aan een sigaret, en die had hij verdiend. Hij haalde er een uit het pakje, stak hem op, inhaleerde begerig en blies uit. De tabakswolk was net zo compact als zijn warme ademhaling. Het smaakte heerlijk nadat hij zo ingespannen had gewerkt, en hij nam nog een trekje. Niet veel later was de sigaret opgerookt. Hij doofde de peuk met de zool van zijn laars en bedacht dat hij hem in zijn zak moest stoppen. Het zou ongelofelijk stom zijn om hem achter te laten als hij zo zorgvuldig was geweest met de rest.

Hij begon aan de laatste etappe: de kuil volscheppen. Dat was lang niet zo inspannend als graven. Over een halfuur zou hij onderweg naar huis zijn, en als er iemand was die een geheim kon bewaren, dan was hij het.

Hij was verkleumd tot op het bot en had zo geconcentreerd naar de gravende man gestaard dat hij helemaal duizelig was geworden. Hij durfde zich echter niet te bewegen, durfde nauwelijks adem te halen.

Daarom was de opluchting enorm toen de man met het snijdende boze oog op zijn voorhoofd zijn schep uiteindelijk over zijn schouder legde en wegsjokte. Even later hoorde hij een motor starten en zag hij twee koplampen die van een quad leken te zijn.

Hij wachtte uit voorzichtigheid nog een paar minuten voordat hij opstond. Hij had het gevoel dat hij bevroren was en was bijna niet in staat om zich te bewegen. Langzaam liep hij naar de kleine open plek die in het maanlicht baadde, en hij haalde zijn zaklamp tevoorschijn.

Er was niets te zien in de lichtbundel. De bosgrond was zorgvuldig bedekt, maar hij wist dat het onder de verrotte bladeren en bruine naalden lag… het graf…

Hij besefte dat hij hard op zijn lip beet. Hoewel hij had gezien wat er was gebeurd, wilde hij niet meer weten.

2

Hij staarde naar Magnus’ handen, die uit de mouwen van het blauwe winterjack staken; zijn armen waren over elkaar geslagen en zijn ellebogen rustten op het hek van het domein van de pinguïns.

Het waren kleine handen. Mooi gevormde, gevoelige en onbevlekte bleke handen, maar veertien zomers oud en met veel jaren voor de boeg om het leven te voelen en ervaringen te verzamelen.

De krijger en de jongen...
Hij keek naar zijn eigen handen. Eeltige vuisten getekend door oeroud handwerk. De krijger en de jongen… Met een halve meter afstand tussen hen keken ze naar de speelse pinguïns. De wind in de dierentuin van Kopenhagen zorgde ervoor dat het koud leek, maar in werkelijkheid was het heel mild voor februari. De regen die af en toe viel, maakte het er natuurlijk niet beter op.

Hij had een onweerstaanbare behoefte om zijn hand op Magnus’ handen te leggen. Door schade en schande wijs geworden deed hij dat niet, maar hij moest íéts proberen. Iets doen om de band tussen hen te versterken, ook al wist hij van tevoren dat het zou mislukken.

Hij sloeg zijn arm om de jongen heen, gaf een klopje op zijn schouder en liet zijn hand vervolgens liggen. ‘Prachtige dieren, nietwaar? Bijna alsof het kleine mensen zijn. Kun je je herinneren hoe ze heten, Magnus? Deze soort dus?’

De jongen staarde met een lege blik voor zich uit en schudde zijn hoofd. ‘Nee…’

‘Het begint met een h. H-u-m…’

‘Nee.’

‘H-u-m-b-o…’

‘Nee.’

‘Humboldtpinguïns. Ze leven in de koude streken rond Antarctica. Het zijn de enige pinguïns die vleeskleurig zijn bij de snavel, dus zijn ze gemakkelijk te herkennen. Er zijn twintig verschillende soorten in de hele…’

‘Zullen we verder lopen, Niels? Het is ijskoud. En we hebben ze al zo vaak gezien.’ Magnus zuchtte diep, wrong zijn bovenlichaam los en bevrijdde zich behendig van de hand op zijn schouder.

Niels... Telkens als Magnus zijn naam gebruikte, boorde die zich als een ijspriem in zijn hart.
Niels… Telkens als Magnus zijn naam gebruikte, boorde die zich als een ijspriem in zijn hart.

Papa… In het begin was hij de strijd aangegaan en had hij Magnus voorgesteld om hem ‘papa’ te noemen, omdat hij tenslotte zijn vader was. Hij had echter buiten zijn zoon gerekend, en uiteindelijk had hij het opgegeven.

In werkelijkheid bezat hij zelfs de meest elementaire oudereigenschappen niet meer. Hij bevond zich in een ‘zoonloos’ land. Een duivels onvruchtbaar gebied van jaren afwezigheid, waarin niet één gezamenlijke herinnering was gegroeid. De conclusie veroorzaakte een pijnlijke steek in zijn middenrif.

‘Oké, laten we verder gaan. Wat denk je ervan om langs de wolven te lopen, Magnus?’ Hij stelde zijn favorieten voor, hoewel hij wist dat er meer dan een wolf nodig was om de dag te redden.

Magnus haalde zijn schouders op en stak zijn handen diep in zijn zakken. Ze konden op deze manier niet door blijven gaan. Hij moest iets nieuws bedenken. De dierentuin had zijn rol gespeeld zonder dat het ooit effect had gehad.

Hij herinnerde zich zoals zo vaak wat hij voor hun eerste afspraak had gedacht: dat de dierentuin de juiste plek zou zijn. Omdat het buiten was, hij de plekken kon vermijden waar veel mensen verzameld waren en hij veel over dieren wist. Hij had de tijgers, wolven, lemuren en alle andere bewoners van de dierentuin trillend over zijn hele lichaam gesmeekt of ze hem wilden helpen tijdens zijn eerste weekenddienst als vader.

Het was vergeefs geweest. Magnus had tijdens die drie uur niet veel tegen hem gezegd. Was dat de afgelopen acht maanden beter geworden? Het was niet meer zo stil tussen hen, maar het chagrijnige gedrag van de jongen was grotendeels intact gebleven.

Hij huiverde als hij eraan dacht hoe het zou gaan tijdens de wintervakantie die binnenkort zou beginnen. Hij voerde geen gesprekken met zijn ex-vrouw over Magnus. Ze zagen elkaar niet en praatten niet over het resultaat van hun vroegere liefde. Een enkele keer voerden ze een kort, verhelderend en ijzig telefoongesprek.

Ze waren vijanden. Voor eeuwig.
Ze waren vijanden. Voor eeuwig. Daar kon niets aan veranderd worden.

Toch had hij Birgitte beloofd dat hij Magnus in de wintervakantie zou nemen, ook al was het zijn beurt niet. Hoe kon hij nee zeggen terwijl hij er jarenlang van had gedroomd om zijn zoon bij zich te hebben…

Hij moest zijn hersenen gebruiken om iets te bedenken en te ontkomen aan de meltdown tussen hen in het appartement in Vangede.

Ze liepen zwijgend naar het territorium van de wolven, bleven bij de houten loopbrug staan en keken naar het allesbehalve indrukwekkende wolvendomein.

‘Ik trakteer op een braadworst als je je de Latijnse naam kunt herinneren, Magnus.’ De uitdaging werd ontvangen met een zucht en een nieuw schouderophalen. Misschien gedroeg hij zich te veel als een leraar. Je kon heel goed in Skovshoved zijn zonder alle Latijnse benamingen van gnoes tot gieren te kennen. ‘Oké dan. Ik trakteer sowieso op een braadworst. Lupus… Canis lupus, de grijze wolf. Een fantastisch dier, vind je niet?’

Magnus mompelde iets en keek op zijn horloge. ‘Is het goed als ik zo meteen naar huis ga, Niels? Ik heb een beetje hoofdpijn en heb heel veel huiswerk voor morgen.’

‘Heb je er genoeg van om naar de dierentuin te gaan?’

Magnus haalde zijn schouders op. ‘Ik ben gek op dieren, maar ik vind het saai dat we hier altijd naartoe moeten, alleen omdat jij…’ Magnus zweeg.

‘Omdat ik wat?’

‘Ik bedoel dat het niet zo goed met je gaat. En dat gaat nooit over. We kunnen nooit iets anders doen, zoals naar een voetbalwedstrijd gaan, omdat jij dat niet… durft.’

‘Durft?’ ‘Je kunt er niet tegen om veel mensen om je heen te hebben. Dat heb je me zelf een keer verteld.’

Durft. Hij voelde hoe de klap zijn plexus solaris raakte. Tijdens een van de eerste weekenden had hij geprobeerd Magnus uit te leggen hoe de vork in de steel zat. Hij kon zichzelf nog steeds op het bankje in de warme zon horen stamelen. ‘Luister, zoon. Ik heb… wat problemen. Iets waaraan ik werk om ervoor te zorgen dat het beter wordt…’

Luister, zoon. Ik heb... wat problemen.
Hij had ervoor gekozen om zo open mogelijk te zijn tegenover een jongen van veertien. Zo eerlijk te zijn over de oorlog als zinvol was, want oorlog hoorde niet thuis in het universum van een kind.

Birgitte en hij waren het over één ding eens geweest. Het was krankzinnig om hun zoon iets anders te vertellen dan dat hij soldaat was geweest, een heel gewone soldaat net als alle andere soldaten. De beelden van een commando en met wat voor soort specialismen die zich bezighield, hoorden niet in een kinderhoofd thuis.

Op dat bankje in de zon had hij voorzichtig geprobeerd te vertellen wat er met hem aan de hand was. Hij had geprobeerd uit te leggen wat een trauma was. Dat het ging om nare herinneringen aan gruwelijke dingen en dat het moeilijk was om daarvan af te komen. En dat het vervelend was omdat hij zich daardoor soms niet goed voelde. Bijvoorbeeld als er een heleboel mensen om hem heen waren en hij het gevoel had dat ze te dicht bij hem kwamen, waardoor hij moest proberen om ze allemaal tegelijkertijd in de gaten te houden. Of het lawaai. Hij kon schrikken van een plotseling hard geluid, een beetje alsof iemand zich achter een deur verstopte, tevoorschijn sprong en ‘boe’ riep. Of de nare dromen, de nachtmerries. Of de flashbacks: de flitsen die hij achter zijn ogen kon krijgen, ook al was het klaarlichte dag. Razendsnelle fragmenten van iets wat hij had meegemaakt. Als hij die zag, gebeurde het soms dat hij volledig blokkeerde, ongeacht waar hij zich bevond.

Zo was hij helaas geworden omdat hij soldaat was geweest. Jarenlang.

Niet om anderen te vermoorden, maar om iets goeds voor hen te doen.

Maar de uitleg waarmee Magnus nu kwam…

‘Dat het nóóit overgaat? Dat heb ik niet gezegd. Of wel soms? Of…

Wie heeft dat gezegd, Magnus?’

‘Niemand… Dat denk ik gewoon.’

De jongen hield zijn moeder de hand boven het hoofd. Het was een positieve karaktertrek dat hij niet klikte. Het was niet bepaald de eerste keer dat hij het gevoel had gehad dat terwijl hij op het ene front vocht en probeerde barrières neer te halen, er op een ander front nieuwe werden opgericht.

Misschien was de strijd te ongelijk om die ooit te kunnen winnen.
Op dit moment, terwijl ze naar het alfamannetje keken, dat door de struiken sloop, voelde hij zich knock-out door het gevoel van machteloosheid. Misschien was de strijd te ongelijk om die ooit te kunnen winnen.

‘Het klopt dat ik wat problemen heb. Dat heb ik je in het begin verteld, maar problemen kunnen opgelost worden. Gelukkig. En ik ben bezig om die van mij op te lossen. Op een dag kunnen we samen naar een voetbalwedstrijd gaan. Laten we afspreken dat we niet meer naar de dierentuin gaan. En ik vind het niet erg als je je niet lekker voelt en liever naar huis wilt om huiswerk te maken.’

Dat excuus had Magnus vaker gebruikt, maar wat had het voor nut als hij erop stond dat hun gezamenlijke weekend pas op zondagmiddag om vijf uur eindigde als de jongen liever naar huis wilde?

‘We kunnen eerst die braadworst gaan eten,’ stelde Magnus voor.

Was dat een teken van zijn slechte geweten of had hij gewoon honger? Hij hield boven alles van Magnus. Nu moest hij proberen om tien stappen achteruit te doen en de situatie te herwaarderen. Hij moest een nieuwe strategie bedenken, anders zou de wintervakantie een ramp worden.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief