leesfragment

‘Antonia’s hoop’: het tweede deel in de vrouwen van Beiersdorf-serie – Lena Johannson

0

Na Gertrudes besluit is nu het tweede deel in de Vrouwen van Beiersdorf-reeks van Lena Johannson er: Antonia’s hoop

Hamburg, 1903: Gertrude en Oscar Troplowitz worden na jaren hard werken steeds succesvoller met hun bedrijf Beiersdorf. Oscar is als zakenman ook zeer betrokken bij de mensen die het minder goed hebben, iets wat in die tijd nog ongebruikelijk is en waarmee hij de rijke Hamburgse kooplieden tegen zich in het harnas jaagt. Gertrude organiseert inmiddels zeer succesvolle kunstsalons in haar villa in Eimsbüttel. Bevriend kunstenares Irma staat mede dankzij Gertrude aan de vooravond van haar internationale doorbraak. Arbeidster Antonia heeft eindelijk haar geluk gevonden in de liefde. Maar na een klap van het noodlot moet zij plotseling voor het dochtertje van haar beste vriendin zorgen. Ze kan niet vermoeden welke moeilijke strijd voor dit kind haar nog wacht. Tegelijkertijd ondersteunen deze drie krachtige vrouwen Oscar bij de ontwikkeling van een nieuw type crème die een revolutie teweeg moet brengen in de wereld van cosmetica – maar ook de concurrentie volgt dit idee…

Lees hier al het eerste hoofdstuk!

Het vorige boek nog niet gelezen? Daar kan je hier een leesfragment van vinden! 

 

Toni

Hamburg, oktober 1903

 

Bij elke stap piepten haar schoenzolen. Vreselijk luid, vond Toni, maar het was dan ook onmogelijk om geen geluid te maken op de glanzend gepoetste linoleumvloer. En dan lag Gretels kamer ook nog eens helemaal aan het eind van de lange gang. Een verpleegster met kapje en wit schort kwam haar met neergeslagen blik tegemoet. Ergens klonken gedempte stemmen. In de lucht hing een onaangenaam scherpe geur. Toni’s vingers tastten naar de sjaal in haar jaszak. Die kon ze tijdens haar bezoek aan Gretel maar beter weer voor haar mond en neus houden. Voor de zekerheid. Die tuberculose was een gevaarlijke ziekte. Als Gretel er maar niet aan zou bezwijken. Wat zou er dan van Ellma terecht moeten komen? Het kleintje was nog maar vijf jaar. Toni haalde nog een keer diep adem, voordat ze aanklopte en de ziekenkamer betrad. Elke keer viel haar dat zwaarder, omdat Gretel steeds bleker en dunner werd.

‘Toni, wat leuk,’ klonk het zacht vanuit het bed helemaal achterin bij het raam. In totaal lagen er zes vrouwen in de sobere, witgeschilderde kamer. De meesten openden niet eens hun ogen toen Toni tussen de twee rijen bedden door liep.

‘Môgge Gretel, en, hoe gaat het vandaag met je? Je ziet er al een stuk beter uit.’ In zo’n situatie was een leugentje om bestwil toegestaan, vond Toni.

Het gezicht van haar oud-collega was kleurloos, op haar voorhoofd en bovenlip glom een dun laagje zweet. Haar blonde haren plakten in vochtige slierten tegen haar wangen en kussen.

‘Ik voel me ook beter.’ ‘Dat is goed nieuws.’

‘Nee, dat was gelogen. Net zoals jouw “Je ziet er al een stuk beter uit”.’ Gretel glimlachte droevig en begon toen te hoesten. ‘Hoe gaat het met Ellma, is ze braaf?’

Die vraag was vaste prik, zoals een storm in de herfst.

‘Je dochter is een schat!’ En dat klopte ook. Hermann was helemaal gek op het kleintje. Niet alleen hij, alle medewerkers van Beiersdorf mochten het meisje graag. Sinds Gretel in het Bethanien-ziekenhuis lag werd haar dochtertje overal in de watten gelegd.

‘Heeft Werner haar al een keer opgezocht?’ Gretels stem klonk nu nog zachter. Ook deze vraag kwam elke keer terug.

Toni sloeg haar ogen neer. ‘Ach, Gretel.’ Elke keer hetzelfde en nooit kon ze haar arme vriendin iets positiefs melden. Het liefst had ze Werner Hagen een paar draaien om zijn oren gegeven.

‘Die rotvent! Dat je je toch zo kunt vergissen in iemand. Ik dacht oprecht dat hij me graag mocht.’

Toni keek haar aan. Dat klonk dan toch wel heel anders voor de verandering. Tot nu toe had Gretel de vader van haar kind altijd de hand boven het hoofd gehouden.

‘Hij mag je ook wel,’ antwoordde ze. ‘Vast wel.’ Ze zuchtte. ‘Maar hij is gewoon een stomme lafaard. Die naar de pijpen van zijn ouders en schoonouders danst.’

‘Zal best. Maar misschien vond hij het ook gewoon leuk om naast zijn vrouw nog een vriendin te hebben. Alleen een kind paste niet helemaal in het plaatje.’

‘Heeft hij je dan in elk geval weer eens wat geld gegeven?’ Gretel rolde met haar ogen. ‘Al heel lang niet meer. Weet je, Toni, dat is nog wel het ergste.’ Ze moest alweer hoesten, langer deze keer. Toni gaf haar een glas water aan. ‘Dank je,’ kuchte ze. ‘Ik dacht dat het kleintje tenminste nog wat voor hem betekende. Maar hij bekommert zich niet eens om zijn eigen vlees en bloed. Het interesseert hem helemaal niets waar het meisje is terwijl ik hier lig, of wat er van haar terecht moet komen als ik niet meer thuiskom.’

‘Zo mag je helemaal niet denken.’ Toni slikte de brok in haar keel weg.

‘Alsof ik me een kindermeisje zou kunnen veroorloven,’ ging Gretel onverstoorbaar verder. ‘Ik kan meneer Troplowitz niet genoeg bedanken dat Ellma nog steeds naar de kinderopvang bij Beiersdorf mag komen.’

‘Nogal wiedes. De baas wil het meisje gewoon zo vaak mogelijk zien.’ Toni trok een grimas en was blij met Gretels glimlach. Ze streek een vouw in het laken glad en vertelde over Beiersdorf. ‘Wordt tijd dat je weer komt werken. We kunnen elke helpende hand gebruiken.’ Ze blies haar pony uit haar gezicht. ‘We kunnen gewoon niet opwerken tegen de vraag naar Leukoplast. Het is ons grootste succes.’

‘Je kunt trots op jezelf zijn.’

‘Nee, nee, hier heb ik niets mee te maken.’

‘Tuurlijk wel! Jij kwam destijds immers kort voor de grote presentatie met een nieuw materiaal voor de pleisters. En je leidt de reclameafdeling.’

‘Als dat eens waar zou zijn. Intussen gebruiken de heren van de ontwikkeling alweer een andere stof dan het door mij voorgestelde zeildoek. En reclame hoeven we echt niet te maken voor Leukoplast. Die verkoopt zichzelf.’

‘Maar toch,’ hield Gretel vol. ‘Toen wij elkaar leerden kennen plakte je nog etiketten. En nu ben je afdelingshoofd,’ zei ze vol ontzag.

‘Nou ja, echt afdelingshoofd ben ik ook niet. Eerder een soort manusje-van-alles in de reclame. De directeur waardeert mijn ideeën. Maar ik sta nog vaak genoeg achter de verpakkingsmachine.’

Toch zat er wel iets van waarheid in Gretels woorden. Toni kon het zelf vaak nog niet geloven. Als ze bedacht dat ze ooit geprobeerd had om met behulp van Richards oude recepturen aan haar keukentafel pleisters te maken en aan Beiersdorf te verkopen. Ze had natuurlijk kunnen weten dat dat nooit lang goed zou gaan. En toen was ze ook nog zo brutaal geweest om om een baan op de ontwikkelingsafdeling te vragen. Ze had zich serieus ingebeeld dat ze met dat beetje wat ze van haar man afgekeken had zelf wel nieuwe producten kon ontwikkelen. Dat meneer Troplowitz haar überhaupt een baan aangeboden had en haar drie jaar geleden ook nog eens de kans gegeven had om zichzelf verder te ontwikkelen, was meer dan fatsoenlijk van hem. Net als Gretel kon ze de man niet dankbaar genoeg zijn.

Gretel vroeg naar Hermann en naar Therese Köhler, de door de medewerkers zo gevreesde receptioniste van de directeur.

‘Je hebt aan mevrouw Köhler minstens zoveel te danken als aan meneer Troplowitz.’

‘Dat kun je wel zeggen, ja. Had jij kunnen denken dat uitgerekend zij het kind van een werkneemster in huis zou nemen?’ Toni wist dat Gretel geen antwoord verwachtte. ‘Tijdelijk, maar toch. Anders had het kleintje naar mijn moeder en broertjes en zusjes gemoeten. Daar had ik niet aan moe- ten denken.’

Gretels moeder had haar dochter weliswaar niet verstoten toen de babybuik niet meer over het hoofd kon worden gezien, maar ze had haar teleurstelling ook zeker niet onder stoelen of banken gestoken. Na de geboorte had Gretel bij haar mogen blijven wonen, al was het maar om voor haar broertjes en zusjes te zorgen. Ze had de constante verwijten echter niet lang kunnen verdragen. In het begin was Werner zijn zorgplicht nog nagekomen en dankzij de voedkamer had Gretel al snel weer aan het werk gekund om haar eigen geld te verdienen. Daarvan had ze een kamer met gedeelde keuken gehuurd, toen Ellma net een jaar was. Het zou niet best geweest zijn als dat arme kind vier jaar later weer terug naar haar oma gemoeten had.

‘Toch zou ik het liefst willen dat Ellma bij jullie kon wonen,’ zei Gretel. Het was niet de eerste keer dat ze dit zei.

‘We zouden haar ook dolgraag bij ons willen hebben, dat weet je,’ verzekerde Toni haar. ‘Maar we hebben nu al amper plek. En Köhler heeft drie kamers voor haar alleen. Zegt ze.’ Toni’s mening over de receptioniste van de baas was behoorlijk veranderd. Tijdens hun eerste ontmoeting en ook in de eerste paar maanden had Toni altijd respect voor haar gevoeld, om niet te zeggen angst. Maar er waren steeds meer situaties geweest waarin mevrouw Köhler, die Toni vanwege haar kleding stiekem ‘de Grijze’ noemde, had laten zien dat ze over een groot hart en een subtiel gevoel voor humor beschikte. Grappig eigenlijk, inmiddels werkte Toni er al jaren, zag ze de Grijze dagelijks, en toch wist ze helemaal niets van haar. Was ze getrouwd, had ze kinderen? Waar woonde ze eigenlijk? Dat gold waarschijnlijk voor alle medewerkers van Beiersdorf. Geen wonder dat ze allemaal overdonderd waren geweest toen Köhler gezegd had dat ze Ellma in huis zou nemen. ‘Overdag is ze in goede handen, het gaat dus eigenlijk alleen maar om een slaapplek,’ had ze haar plan toegelicht, waarbij ze duidelijk geen tegenspraak duldde. ‘En ’s ochtends kan ik haar meenemen. Praktischer kan het niet.’

‘Ik mis Ellma zo,’ zei Gretel. ‘Kan ze niet een keer meekomen? Grapje,’ zei ze snel, voordat Toni kon protesteren. ‘Ik weet heus wel dat dat te gevaarlijk is. Maar ik zou haar zo graag weer eens zien.’

‘Dan moet je dus maar snel beter worden.’

Algauw vielen Gretels ogen dicht. Toni bleef nog een paar minuten zitten.

‘Dag, tot de volgende keer,’ fluisterde ze toen, waarna ze de kamer uit sloop.

Op de terugweg vanuit de Martinistraße kwam ze langs het Eimsbütteler Park. Binnenkort zou de kleine vijver, waaraan ze zo graag haar middagpauze doorbracht, weer dichtgevroren zijn. Hè, begon het tijdens het laatste stukje nog te regenen. Toni glimlachte. Ze verdiende fatsoenlijk en hoefde de huur niet meer in haar eentje bij elkaar te sprokkelen. Daardoor had ze een chique hoed kunnen kopen en een nieuwe jas droeg ze ook. Ze zette haar kraag omhoog. Zelfs wat het weer betrof maakte het iets uit of je arm was of niet.

In de hal schudde ze zich uit, voordat ze de trap naar de eerste verdieping op liep. Alleen haar naam stond in zwierige gietijzeren letters op de muur naast de voordeur. Het ging niemand wat aan dat ze hier met een man in zonde samenleefde, zoals dat genoemd werd. Het was immers ook niet voor lang. Dat was tenminste wat ze allebei gedacht hadden, toen Hermann bij haar ingetrokken was.

‘Ik ben er weer!’ riep ze terwijl ze haar schoenen uitdeed.

‘Wat fijn!’ klonk het vanuit de woonkamer.

Toni’s hart maakte een sprongetje. Het liefst was ze meteen naar hem toe gerend, wat dat betreft voelde het nog net zoals op de eerste dag. Maar eerst bracht ze haar jas naar de badkamer om die boven het bad te hangen.

‘Kus!’ verlangde Hermann toen ze de woonkamer binnenstapte, en hij spreidde zijn armen.

‘Tot uw dienst, meneer!’ Uitgelaten liet ze zich op zijn schoot vallen en onderdrukte zijn verraste protest met haar lippen. ‘Tevreden?’ vroeg ze toen ze zich eindelijk van hem losmaakte.

‘Voor nu.’ Hij schoof haar van zijn bovenbenen. ‘Maar voor straks kan ik me nog wel een toegift voorstellen.’ Zijn ogen fonkelden.

‘Veelvraat,’ berispte ze hem grappend. ‘Daarover gesproken, het is zondag. Waarvoor heb ik vanochtend staan bakken? Tijd voor een lekker bakje koffie met bienenstich.’ Ze wilde al weglopen, maar hij hield haar vast.

‘Hoe gaat het met Gretel?’

‘Ze is behoorlijk verzwakt.’ Toni aarzelde. ‘Toch had ze wel de kracht om iets naars over Werner te zeggen.’ Ze glimlachte flauw. ‘Dat was ook voor het eerst,’ zei ze zacht.

‘Werd ook weleens tijd.’

Toni trok haar wenkbrauwen op.

‘Is toch zo. Elke keer dat ik hem in zijn kantoortje zie zitten, zou ik hem het liefst door elkaar rammelen. Doet alsof Ellma hem niets aangaat. Terwijl hij haar toch regelmatig ziet. Ik zou dat niet kunnen. Zo’n lief kind, het liefst zou ik haar de hele tijd knuffelen. Als ik haar vader was, zou ik haar nooit aan vreemden kunnen toevertrouwen.’ Geërgerd schudde hij zijn hoofd. ‘Onlangs hoorde ik hoe Werner een collega vertelde wat hij zijn vrouw met Kerstmis wil geven. Koek en ei.’ Hij snoof woedend. Maar meteen daarop veranderde zijn gezichtsuitdrukking weer. ‘À propos koek, zei je net niet iets over bienenstich?’

‘Ik begon me al zorgen te maken. Dacht dat je ziek was, omdat je niet bezig was met koffie en iets zoets.’ Ze gaf hem nog een kus, voordat ze naar de keuken liep.

Terwijl ze de bonen in de koffiemolen schepte, dwaalden haar gedachten af naar het verleden. Vanaf het allereerste moment had ze Hermann graag gemogen. Het was grappig hoe stuntelig en onhandig hij soms kon zijn. Om vervolgens het heft weer heel vanzelfsprekend in handen te nemen, oplossingen te vinden en te helpen waar hij kon. Mocht hij een kind gehad hebben, dan zou hij dat nooit in de steek laten. Echt jammer dat hij nooit vader geworden was. Hadden ze eerder iets met elkaar gekregen, dan had het misschien nog kunnen lukken met zo’n kleine bengel. Maar Toni was nog niet zo lang weduwe geweest toen ze elkaar hadden leren kennen. En het had raar gevoeld om zo snel alweer een nieuw iemand te hebben. Bovendien had ze een tijdje in de veronderstelling verkeerd dat Hermann een oogje op Gretel had. En zo was de tijd verstreken, en een paar stomme misverstanden hadden de rest gedaan. Pas toen de productie van de pleisters bijna de mist in was gegaan hadden ze elkaar eindelijk weten te vinden. De geur van de gemalen bonen drong Toni’s neus binnen. Paste goed bij dat fijne gevoel dat de herinneringen bij haar losmaakten. Toni had destijds voorgesteld om zeildoek als onderlaag te proberen. Ze had tenslotte een beetje verstand van stoffen, omdat ze ooit als naaister voor het chique modehuis Baumann gewerkt had. Zeildoek beschikte over de eigenschappen waarnaar meneer Troplowitz op zoek was, daar was ze behoorlijk zeker van geweest. Alleen had hij al voor cretonne gekozen en had hij bovendien op het punt gestaan om met zijn vrouw Gertrude op reis te gaan. Hij kon zich niet meer bezighouden met verdere pogingen, de productie zou al starten terwijl hij onderweg was. Man, wat ging de tijd toch snel. Dat was allemaal al zo lang geleden. Ze goot een straal kokend water in het filter. Iemand had destijds een machine gemanipuleerd. Als Hermann die toen niet ’s nachts gerepareerd had, zou de hele presentatie in het water gevallen zijn. Tot op de dag van vandaag wist Toni niet wie er achter die sabotage gezeten had, die ze gelukkig op tijd ontdekt hadden. Werner Hagen, die eerder al het mogelijke geprobeerd had om Toni en meneer Troplowitz te benadelen, had bij hoog en laag volgehouden dat hij er niets mee te maken had. En dat geloofde ze ergens ook wel. Tenslotte was hij het niet zelf geweest die hun kwaad wilde doen. Hij had het alleen maar voor Dierksen gedaan, die rotvent. Hagen had zich verontschuldigd en gezegd dat hij er alles aan zou doen om het vertrouwen van meneer Troplowitz terug te winnen. En die had hem natuurlijk een tweede kans gegeven. Zo was hij nu eenmaal, de directeur. Maar de vraag bleef wie die pleistermachine gemanipuleerd had.

De laatste druppels koffie sijpelden door het filter de kan in. Tijd om de bienenstich aan te snijden. Hermann had destijds op het nippertje de productie en daarmee meneer Troplowitz en uiteraard Toni gered. Daarna hadden ze zich eindelijk uitgesproken en al die stomme misverstanden uit de wereld geholpen. Nooit was het bij Toni opgekomen dat hij met zijn moeder en zus onder één dak woonde en daarom af en toe wat minder toeschietelijk geweest was. Hermanns moeder was jaren eerder ernstig ziek geworden en van zijn vijf broers was niemand bereid geweest om voor haar te zorgen. Hermann wilde in geen geval dat ze naar een verpleeghuis zou gaan, had hij Toni verteld. Over zijn jongere zusje Elfi had hij het eerder nooit gehad, Toni wist niet wat ze hoorde toen er naast al die broers ook nog een meisje bleek te zijn. Hoewel moeder Krause al op leeftijd was, was ze toch nog een keer zwanger geraakt. De geboorte was gecompliceerd verlopen, zowel vroedvrouw als dokter had het amper voor mogelijk gehouden dat het kind de eerste verjaardag zou halen. Maar de kleine Elfi had iedereen verrast, groeide en ontwikkelde zich. Een beetje langzamer misschien dan anderen, en heel erg bij de pinken zou ze nooit worden, maar dat deed er niet toe. Hermann was gek op haar.

‘Als mijn moeder Elfi niet altijd beschermd had, was mijn zusje in dat mannenhuishouden zeker ten onder gegaan,’ had hij eens gezegd. ‘Mijn broers dachten waarschijnlijk dat ze toch niet oud zou worden, en dat ze anders maar een last zou zijn. Niemand was bereid om voor haar te zorgen. Alleen omdat ze vlijtig was, meehielp met koken en schoonmaken, accepteerden ze haar.’ Toen hun moeder ziek werd had een van Hermanns broers aangeboden om Elfi in huis te nemen. ‘Als dienstmeisje zou hij haar kost en inwoning gegeven hebben,’ vertelde Hermann met boos fonkelende ogen. ‘Maar ze is ons zusje, niet een of andere dienstmeid.’ Man, wat kon Hermann woedend zijn als hij er zelfs maar over sprak. In elk geval had hij zijn moeder en Elfi uiteindelijk bij hem laten intrekken. Overdag zorgde een zuster van de Orde van de Heilige Elisabeth voor hen, die Elfi hielp met de verpleging van hun moeder. En ’s avonds en ’s nachts was Hermann er. Dat was dus de reden geweest dat hij soms zo weinig tijd had. En waarom het nooit echt gelukt was met een vrouw.

‘Hoe denk je dat het op de dames overkomt als een vol- wassen man nog samenwoont met zijn mama?’ had hij destijds met een treurige blik gevraagd. Maar Toni zag het eerder als iets positiefs. Dat duidde er toch juist op dat hij een heel fatsoenlijke kerel was, op wie je ook in slechte tijden kon rekenen. En het betekende dus ook dat hij niet voortdurend wisselende relaties had, zoals op het werk al gefluisterd werd. Toni was helemaal gelukkig en was blij dat ze moeder Krause nog kon leren kennen. Niet lang daarna was ze namelijk overleden en nog een halfjaar later was Hermann bij Toni ingetrokken. Elfi, die Toni vanaf het eerste moment in haar hart gesloten had, was in zijn oude appartement blijven wonen. Af en toe moesten ze even bij haar gaan kijken, maar grote zorgen hoefden ze zich niet om haar te maken. En die ordezuster was er immers ook nog. Ooit wilden Toni en Hermann samen op zoek naar iets anders, iets groters met een extra kamer voor Elfi. Ooit. Toni zette de koffiekopjes, koffiekan en het gebak op een dienblad en zuchtte. Tweeëndertig was ze nu, Hermann al eind dertig. Hij wilde eerst iets voor zichzelf opbouwen, als afdelingshoofd misschien of zelfs als directeur van een filiaal, voordat hij met Toni zou trouwen en ze naar een groter appartement zouden verhuizen. Dat had hij tenminste een paar keer gesuggereerd, een grote prater was hij nooit ge- weest. Ze moest bij hem altijd tussen de regels door lezen.

Wat best wel vermoeiend was op de lange duur. Maar ja, je moest iemand nemen zoals hij was.

Vol geestdrift viel Hermann aan op het gebak. Toni bekeek het met een glimlach. Het kale plekje op zijn hoofd werd steeds groter. Het aantal haren mocht dan door de jaren heen misschien wat verminderd zijn, voor zijn eetlust gold dat zeker niet.

‘Heb je gehoord dat de broer van mevrouw Troplowitz betrokken zou zijn bij de oprichting van een vereniging van fabrikanten?’ vroeg hij.

‘Nee, wat voor vereniging?’

‘Een samenwerkingsverband van producenten van merkartikelen. Merkenrecht is tenslotte zijn specialisme.’

‘Nee maar, en ik maar denken dat hij toneelspeler of zoiets was.’

‘Hoe kom je daarbij?’

‘Gertrude zei zoiets. Ze heeft het niet vaak over privézaken, maar dit kan ik me herinneren. Haar broer was volgens mij net naar Altona gekomen, toen ze het vertelde.’ Toni realiseerde zich hoe vanzelfsprekend ze ondertussen over Gertrude Troplowitz sprak. Ze was gewoon een soort vriendin geworden, terwijl ze toch de vrouw van de directeur was! Sinds die bedacht had dat Gertrude, Irma en Toni zich samen met ideeën voor nieuwe producten en de reclame daarvoor konden bezighouden, zagen de drie elkaar regelmatig, waarbij ze allang niet meer alleen over het bedrijf spraken.

‘Voor zover ik weet is hij jurist,’ onderbrak Hermann haar gedachten.

Toni haalde haar schouders op. ‘Nog een stukje?’

Zijn ogen straalden. ‘Een groot stuk graag. Jij kunt ook gewoon te lekker bakken. En koken natuurlijk.’

‘En dan heb ik ook nog eens een goede baan bij Beiersdorf. Ik ben toch zo’n goeie partij.’ Ze hield haar hoofd een beetje scheef. ‘Pas maar op dat iemand anders me niet wegkaapt.’

‘Ach wat, jij laat je echt niet wegkapen, dat weet ik toch. Daarvoor ben je veel te gek op me.’

Toni nam een slok van haar koffie, zodat ze niet hoefde te antwoorden. Dat hij zo zeker was van zijn zaak, beviel haar niet zo. Het zou leuker zijn als hij toch ten minste een beetje zijn best voor haar zou doen.

‘Maar die vereniging is een goed idee,’ zei hij. ‘Juist bij geneesmiddelen en cosmetische artikelen is vertrouwen erg belangrijk. Maar dat gaat steeds meer verloren, omdat de productie continu stijgt. Er is inmiddels zoveel massaproductie. Wanneer er geen logo op een product staat, zoals de esculaap van Beiersdorf, waardoor klanten weten waar het vandaan komt, weten ze niet waar ze aan toe zijn. Zo’n symbool staat voor kwaliteit, dat weet iedereen.’

‘Wat probeer je nu eigenlijk te vertellen, Hermann?’

‘Dat het belangrijk is om een vereniging te hebben die de bestaande merken beschermt en ze nog bekender maakt bij de mensen. Zoiets zou ook wat voor mij zijn.’

‘Wil je voor die vereniging werken?’ Ze fronste haar voorhoofd. ‘Wat zal meneer Troplowitz daarvan vinden?’

‘Nee, wat ik bedoel is dat het later iets voor mij zou zijn, als ik een eigen bedrijf heb en mijn eigen merken opzet.’

Ze zuchtte zacht.

‘Of ten minste een eigen afdeling, zoiets als een dochter- onderneming. Het lijkt me geweldig dat er ook aan de naam Krause een merk verbonden is dat alle Hamburgers waarderen,’ zei hij plechtig.

‘De mensen kopen dat waar Beiersdorf op staat. En jij bent zaakwaarnemer bij Beiersdorf. Is dat niet genoeg?’

Ook op het werk de volgende dag had iedereen het over de merkenvereniging.

‘Het is echt een goede zaak,’ zei meneer Troplowitz net tegen mevrouw Köhler toen Toni de receptieruimte binnenkwam. Ze wilde de nieuwe advertenties met hem afstemmen, voordat ze ze aan de kranten doorgaf. ‘Goedemorgen juffrouw Antonia. Ik zou me zo kunnen voorstellen dat die organisatie die zojuist in Berlijn opgericht is, ook voor uw werk van belang kan zijn.’ Ze volgde hem zijn kantoor in. ‘Een merk is voor het zakenleven hetzelfde als de naam van een beroemde componist voor de muziek,’ legde hij uit terwijl hij achter zijn bureau plaatsnam. ‘Zodra je weet dat een stuk van Johannes Brahms is kun je zeker zijn van een bepaalde kwaliteit.’ Verwachtingsvol keek hij haar aan.

‘Kwestie van smaak.’ Toni haalde haar schouders op. ‘Persoonlijk snap ik al die poeha rondom Brahms niet zo goed. Zelfs nu nog, terwijl hij allang dood is.’

Meneer Troplowitz moest lachen. ‘Goed, maar u begrijpt wel dat zijn naam garant staat voor een zeker vakmanschap.’ Ze knikte. ‘Ziet u, zo gaat dat met grote namen. Wie tand- pasta van Beiersdorf koopt kan ervan uitgaan dat het recept door deskundige wetenschappers bedacht is en dat de productiemaatstaven voldoen aan de hoogste eisen. Onze esculaap geeft onze klanten meteen die zekerheid.’

Toni had geen idee waar hij nu eigenlijk op uit was.

‘Wat goed is wordt verkocht en zorgt voor fatsoenlijke verdiensten. Helaas bestaan er echter ook gewetenloze zakenlieden, die zelf niets voor elkaar krijgen en mee willen liften op de naam van merkproducenten. Onlangs kwam ik in een kleine apotheek een brandzalf tegen met op het doosje een afbeelding van een esculaap met slang.’

‘Nou ja, iedereen mag toch zo’n staf als merkteken gebruiken. En om die van ons slingeren zich twee slangen,’ wierp Toni tegen. ‘Dat is toch een duidelijk verschil.’

‘Zeker. Maar op het eerste gezicht leek de afbeelding toch zozeer op die van ons, dat zelfs ik erin trapte. De stijl, de kleuren… Dat is precies waar het de producent om gaat. Hij laat zijn merkteken zoveel op dat van ons lijken dat onze klanten per ongeluk zijn producten kopen.’

‘En als die dan niet deugen, denken die mensen misschien dat wij die troep verkocht hebben,’ dacht Toni hard- op.

‘Precies. Heel vervelend.’

‘En hoe moet die nieuwe vereniging dat voorkomen?’ ‘Dat zal niet eenvoudig worden.’ Een stapel papier begon vervaarlijk te wankelen, toen meneer Troplowitz hem aan de kant schoof. ‘Maar samen sta je altijd sterker. Maakt niet uit tot welke branche een bedrijf behoort, de problemen zijn hetzelfde. Als gemeenschap kunnen we juristen in dienst nemen die zich bezighouden met de subtiele grens tussen wat nog net toegestaan is of wat al verboden is. Mochten we concluderen dat de wetten niet afdoende zijn om ons tegen diefstal te beschermen, dan kunnen we er samen voor zorgen dat ze verbeterd worden of dat er nieuwe wetten komen.’ Ook de papierberg aan de andere kant van het bureau schoof hij nu voorzichtig naar de rand.

Toni ging ervan uit dat hij plaatsmaakte om eindelijk haar advertentieontwerpen te kunnen bekijken. Ze spreidde de tekeningen voor hem uit.

‘Een andere interessante vraag is of iemand mag beweren dat zijn pleisters net zo goed zijn als Leukoplast,’ zei hij, terwijl hij naar voren boog en op haar tekeningen tikte. ‘Omgekeerd geldt dat uiteraard ook. Misschien kunt u zelf wel een aardig voorbeeld verzinnen. Bijvoorbeeld: gezichtscrème van Hugo Leter? Die van Beiersdorf is veel beter!’ Hij moest lachen. ‘Daar zouden we zomaar heel veel ellende mee kunnen krijgen. Zou het niet goed zijn als een vereniging dit soort kwesties zou oplossen, zodat ook u weet in welke vorm u mag adverteren?’

‘Jawel. Daar had ik nog helemaal niet over nagedacht.’ Omdat hij haar nog steeds zo verwachtingsvol aankeek, voegde ze eraan toe: ‘Het is ook zeker interessant, alleen denk ik dat er belangrijkere dingen zijn.’

‘Zoals?’

De directeur wist haar toch ook elke keer weer te verras- sen. Meestal had hij haast en wilde hij besprekingen zo snel mogelijk afhandelen. Maar vandaag zat hij blijkbaar op zijn praatstoel. ‘Wilt u de ontwerpen dan niet zien?’

‘Alles op zijn tijd. Wat vindt u belangrijker? U kennende hebt u iets specifieks in gedachten, juffrouw Antonia.’

‘Voordat iemand zover is dat een merk beschermd moet worden, moet hij toch eerst de kans hebben gekregen om überhaupt een eigen bedrijf op te zetten. Wetenschappers die echt iets nuttigs ontwikkelen kosten geld. Net als iemand die zo’n mooi symbool ontwerpt, dat iedereen meteen herkent en weet te plaatsen. En dan heb ik het nog niet eens over al die dure ingrediënten.’ Ze klonk al net als Hermann. Een beetje kon ze hem ook wel begrijpen. Behalve dan dat hij een dromer was. Hoe wilde hij ooit een eigen bedrijf op poten zetten? Dat was praktisch gezien onhaalbaar. ‘Zelfs de slimste kantoorklerk, die studeert en echt wat in zijn mars heeft, krijgt zoiets nooit voor elkaar als hij niet rijk geboren is of met een rijk iemand trouwt,’ zei ze, meer tegen zichzelf. Meneer Troplowitz keek haar aan en tuitte zijn lippen. Toni kende die blik. Hij dacht diep na.

‘Tja, dat is zeker zo. Een gulle schoonvader, van wie je het benodigde bedrag kunt lenen, is inderdaad een zegen.’ Hij glimlachte fijntjes.

‘En die heeft niet iedereen. Eenvoudige arbeiders al helemaal niet. En zelfs als… Hoe zou zo iemand dat ooit moeten terugbetalen? Ik bedoel, ook al weet iemand nog zoveel en heeft hij nog zulke goede ideeën, dan nog zal hij nooit een bedrijf kunnen overnemen, zoals u dat gedaan hebt. Dat klopt toch niet?’

‘Net zomin als het kiesrecht. Helaas bestaan er nog altijd grote verschillen, juffrouw Antonia, dat lijdt geen twijfel. Of dat ooit zal veranderen?’ Hij zuchtte. Toen knipoogde hij samenzweerderig naar haar. ‘Ik vrees dat er nog veel moet veranderen voordat iedereen op de wereld dezelfde omstandigheden en kansen heeft. Maar wij twee zetten ons daarvoor in, of niet?’

Hij glimlachte vriendelijk. Toni snapte niet dat ze vroeger zo slecht over hem gedacht had. Ze had hem altijd zo’n typische diknek gevonden, die alleen maar bezig was met zijn eigen vermogen en voordelen. Terwijl hij juist heel anders was. Oscar Troplowitz wilde de wereld verbeteren. Een beetje maar, maar wel overal waar mogelijk. En daarom mocht ze hem echt heel graag. Dat hij er zelf ook niet slechter van werd, deed daar in haar ogen geen afbreuk aan.

Zijn glimlach verdween. ‘U hebt het nu toch hopelijk niet over Hermann Krause, of wel?’

‘Hoe komt u erbij?’ Ze voelde hoe haar wangen begonnen te gloeien. Verdorie, Hermann zou het zeker niet op prijs stellen als meneer Troplowitz zou denken dat zijn zaakwaarnemer het bedrijf de rug wilde toekeren.

‘Tja, hoe zou ik daar nu bij komen? Heeft hij u nu eigenlijk al ten huwelijk gevraagd? Soms weet ik echt niet wat er in zijn hoofd omgaat. Zelfs een blinde kan nog zien dat hij van u houdt. En hij zou een uitmuntende en slimme vrouw maar al te goed aan zijn zijde kunnen gebruiken. Iets wat ik hem al heel lang vertel.’ Hij trok zijn gilet recht en zette zijn bril op. ‘Als u het mij vraagt, is het de hoogste tijd dat hij zijn leven op orde brengt. Maar zijn toekomstplannen gaan mij natuurlijk niets aan. Zolang hij maar niet van plan is om het bedrijf over te nemen.’ Hij trok Toni’s tekeningen naar zich toe. ‘Goed, laat eens kijken!’

 

Al benieuwd naar het derde deel? Hier vind je er meer info over!

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief