leesfragment

‘Dagboek van mijn verdwijning’ van Camilla Grebe

Dagboek van mijn verdwijning van Camilla Grebe  werd in 2017 door de Swedish Crime Writers’ Academy verkozen tot beste Zweedse thriller van het jaar. Het is een thriller vol plottwists en fascinerende personages met een intrigerend psychologisch spel van vergeten herinneringen.

Hier lees je het eerste hoofdstuk. Veel leesplezier!

Acht jaar geleden vond Malin Brundin in het bos het skelet van een meisje. Nu is ze politieagente en wordt deze cold case opnieuw geopend. Samen met profiler Hanne Lagerlind en inspecteur Peter Lindgren probeert ze de moord op te lossen. Hanne doet haar best haar beginnende dementie te verbergen door nauwgezet een dagboek bij te houden over alles wat ze zou kunnen vergeten. Dan verdwijnen zowel Peter als Hanne. Hanne wordt volledig uitgeput en uitgedroogd teruggevonden, ze heeft geen idee wat er met haar is gebeurd en haar dagboek is verdwenen. Peter wordt nog steeds vermist.
Wanneer vervolgens het lichaam van een vrouw wordt gevonden op dezelfde plek waar ooit de overblijfselen van het meisje lagen, wordt duidelijk dat deze twee moorden en Peters verdwijning met elkaar te maken hebben.

ORMBERG

Oktober 2009

MALIN

Ik hield Kenny’s hand stevig vast terwijl we door het donkere bos liepen. Niet omdat ik in het spook geloofde, natuurlijk niet. Dat deden alleen simpele zielen, zoals Kenny’s moeder, die urenlang naar onzinnige televisieprogramma’s keek waarin zogenaamde mediums oude huizen doorzochten op zoek naar geesten die niet bestonden.

Maar toch.

Hij werd de ‘spookbaby’ genoemd.
Iedereen die ik kende, had bij de steenhoop het geluid van een huilende baby gehoord – een soort langgerekt, verdrietig gehuil. Hij werd de ‘spookbaby’ genoemd. En ook al geloofde ik niet in geesten en andere onzin, ik wilde geen risico nemen. Daarom ging ik hier nooit in het donker alleen heen. Ik keek omhoog naar de spitse toppen van de sparren. De bomen waren zo hoog dat ze de hemel bijna aan het zicht onttrokken, net als de kogelronde, melkwitte maan.

Kenny trok aan mijn hand. De bierflesjes rinkelden in het plastic tasje, en ik rook de geur van zijn sigaret vermengd met vochtige aarde en rottende bladeren. Een paar meter achter ons sjokte Anders door de bosbessenstruiken, hij floot een liedje dat ik uit de hitlijsten kende.

‘Jezus, Malin.’

Kenny trok aan mijn hand.

‘Wat is er?’

‘Je loopt nog langzamer dan mijn moeder. Ben je nu al dronken of zo?’

De vergelijking was onterecht – Kenny’s moeder woog zeker tweehonderd kilo, en ik had haar nog nooit een grotere afstand zien afleggen dan die tussen de bank voor de televisie en de wc. En zelfs dan raakte ze al buiten adem.

‘Kop dicht,’ zei ik. Ik hoopte dat Kenny aan mijn toon kon horen dat het grappig bedoeld was en begreep dat de snauw een soort liefdevol respect bevatte.

We hadden nog maar twee weken iets met elkaar. Naast het onvermijdelijke onhandige geflikflooi in zijn bed, dat naar hond rook, hadden we onze tijd besteed aan het onderzoeken en bepalen van de rollen. Hij: dominant, grappig (soms ten koste van mij) en nu en dan overmand door een vroegwijze en egocentrische zwaarmoedigheid. Ik: bewonderend, volgzaam (vaak ten koste van mezelf) en een grootmoedige rots in de branding als hij gedeprimeerd was.

De liefde die ik voor Kenny voelde, was zo intens, onbezonnen en fysiek dat die me af en toe volkomen uitputte. Toch week ik geen moment van zijn zijde, alsof ik bang was dat hij een droom zou blijken te zijn, een geweldige hersenschim die mijn hunkerende tienerhoofd bij elkaar had gefantaseerd.

De sparren om ons heen leken oeroud. Zachte kussens van mos lagen om de wortels uitgespreid en grijze baarden van korstmos groeiden op de dikke stammen vlak boven de grond.

In de verte klonk het geluid van een takje dat brak.

In de verte klonk het geluid van een takje dat brak.

‘Wat was dat?’ vroeg ik, misschien net iets te schel.

‘De spookbaby,’ zei Anders op theatrale toon achter me. Die komt je hááálen.’

Hij jankte als een wolf.

‘Jezus, maak haar niet zo bang!’ siste Kenny, die door een onverwachte beschermingsdrift overvallen leek te zijn.

Ik giechelde, struikelde over een wortel en verloor bijna mijn evenwicht, maar daar was Kenny’s warme hand in het donker. De flesjes rinkelden dof in het plastic tasje toen hij zijn gewicht van zijn ene naar zijn andere voet verplaatste om me te ondersteunen.

Het gebaar maakte me warm vanbinnen.

Het sparrenbos werd dunner, alsof de bomen opzijgingen om plaats te maken voor een open plek in het bos, waar de steenhoop zich voor ons uitstrekte. De berg stenen leek op een enorme, gestrande walvis in de maneschijn – overwoekerd door een dikke laag mos en kleine varens, die in de zwakke wind zachtjes heen en weer wiegden.

Achter de open plek tekende het donkere silhouet van de Ormberg zich tegen de nachthemel af.

‘Zeg,’ zei ik, ‘hadden we niet beter bij iemand thuis bier kunnen gaan drinken? Moeten we per se in het bos zitten? Het is ijskoud.’

‘Ik zal je warm maken,’ zei Kenny met een grijns.

Hij trok me zo dicht tegen zich aan dat ik de geur van bier en tabak in zijn adem kon ruiken. Eigenlijk wilde ik mijn gezicht afwenden, maar ik dwong mezelf te blijven staan en zijn blik te beantwoorden, omdat dat van me werd verwacht.

Anders floot, plofte op een grote, ronde steen en pakte een biertje. Hij stak een sigaret op en zei: ‘Ik dacht dat je de spookbaby wilde horen.’

‘Spoken bestaan niet,’ zei ik terwijl ik op kleinere steen ging zitten. ‘Alleen idioten geloven in dat soort dingen.’

‘Half Ormberg gelooft in de spookbaby,’ repliceerde Anders, hij trok het blikje bier open en nam een slok.

‘Dat bedoel ik,’ constateerde ik.

Anders lachte om mijn opmerking, maar Kenny leek die niet te hebben gehoord. Hij leek zelden te luisteren naar wat ik zei, niet echt. In plaats daarvan ging hij naast me zitten, bracht zijn hand naar mijn achterwerk en stak zijn ijskoude duim onder de rand van mijn broek. Toen bracht hij zijn sigaret naar mijn mond. Ik nam gehoorzaam een diepe haal, legde mijn hoofd in mijn nek en keek naar de volle maan terwijl ik de rook uitblies.

In de stilte waren de geluiden van het bos goed te horen: het geritsel van de zachte wind die door de varens ruiste, dof getik en gekraak, alsof duizenden onzichtbare vingers over de grond liepen, en een vogel die in de verte spookachtig kraste.

Kenny reikte me een biertje aan.

Ik nam een slok van de bittere, koude drank en tuurde tussen de sparren het donker in. Als iemand zich daar verborgen hield, zich achter een boomstam schuilhield, zouden we hem nooit kunnen zien. Het zou ongelooflijk makkelijk zijn om ons op deze open plek te besluipen, net zo makkelijk als een ree neerschieten binnen een omheining of een vis opvissen uit een aquarium.

Maar waarom zou iemand dat doen, in Ormberg?

Hier gebeurde nooit iets.
Hier gebeurde nooit iets. Dat was waarschijnlijk de reden waarom mensen spookverhalen verzonnen – om niet dood te gaan van verveling.

Kenny liet een gesmoorde boer en maakte nog een blikje bier open. Toen draaide hij zich naar me toe en kuste me. Zijn tong was koud en smaakte naar bier.

Get a room!’ zei Anders, die ook een boer liet. Luid, alsof de boer een vraag was waarop hij een antwoord verwachtte.

De opmerking leek Kenny te triggeren, want hij schoof zijn hand onder mijn jas en trui en kneep hard in mijn borst. Ik ging verzitten, zodat hij er beter bij kon, en liet mijn tong langs zijn scherpe boventanden glijden.

Anders stond op. Ik duwde Kenny zachtjes van me af en vroeg: ‘Wat is er?’

‘Ik hoorde iets. Het leek alsof… alsof iemand huilde, of jammerde of zo.’

Anders stootte een klaaglijk geluid uit en lachte toen zo hard dat het bier uit zijn mond spoot.

‘Je bent niet goed bij je hoofd, jij’ zei ik. ‘Ik ga plassen. Dan kunnen jullie ondertussen naar het spook speuren.’

Ik kwam overeind, liep om de steenhoop heen en nog een paar meter verder. Voor ik mijn spijkerbroek openritste en op mijn hurken ging zitten, draaide ik me om om te kijken of Kenny en Anders me niet konden zien.

Tijdens het plassen kietelde iets tegen mijn dijbeen, wat mos of een plantje. De kou trok langs mijn benen onder mijn jas omhoog.

Ik rilde.

Wat een fantastisch idee om hier bier te gaan drinken, zeg. Echt fantástisch! Maar waarom had ik dan geen bezwaar gemaakt toen Kenny het voorstelde?

Waarom maakte ik nooit bezwaar als Kenny iets voorstelde?

De duisternis was compact en ik viste mijn aansteker uit mijn jaszak. Draaide met mijn duim aan het wieltje en bescheen de grond met het schijnsel van de vlam: herfstbruine bladeren, fluweelzacht mos en de grote, grijze stenen. Daar, in een opening tussen twee stenen vlak naast me, ontwaarde ik iets wits en glads wat op de hoed van een grote champignon leek.

Kenny en Anders hadden het nog steeds over het spook, ze waren uitgelaten en praatten lallend door het bier. De woorden werden snel uitgesproken en tuimelden over elkaar heen, af en toe onderbroken door gelach.

Misschien was het nieuwsgierigheid of misschien had ik gewoon niet zo’n zin om weer naar hen toe te gaan, maar om de een of andere reden wilde ik die champignon beter bekijken.

Groeien er trouwens wel champignons in het bos in deze tijd van het jaar? De enige paddenstoelen die ik ooit had geplukt, waren cantharellen.

Ik hield de aansteker bij de opening tussen de twee stenen om het ding met het zwakke schijnsel zichtbaar te maken, peuterde een paar blaadjes weg en trok een kleine varen met wortel en al uit de grond.

Ja, er lag inderdaad iets. Iets wat…

Ja, er lag inderdaad iets. Iets wat…

Nog steeds gehurkt en met mijn broek op mijn enkels stak ik mijn vrije hand uit en voelde met mijn vinger onderzoekend aan het witte, gladde ding. Het was hard, als steen of aardewerk. Misschien een oude kom? Absoluut geen paddenstoel in elk geval.

Ik strekte me een beetje en rolde de steen die erop lag weg. Hij was kleiner dan de andere stenen en minder zwaar, maar toch landde hij met een doffe klap op het mos naast me.

En daar lag hij, de kom, of wat het ook was. Hij was zo groot als een grapefruit, er zat een barst in en er groeide een soort draderig, bruin mos op.

Ik stak mijn hand uit en voelde aan de dunne, donkere draden. Wreef ze tussen mijn duim en wijsvinger, tot mijn hersens de puzzelstukjes in elkaar legden en ik me realiseerde wat het was.

Ik liet mijn aansteker vallen, stond op, zette een paar wankele stappen het donker in en schreeuwde. De schreeuw kwam uit mijn tenen en leek niet op te houden. Alsof elk zuurstofatoom in mijn lichaam van schrik afzonderlijk door mijn longen naar buiten werd geperst.

Toen Kenny en Anders me te hulp schoten, hing mijn broek nog steeds op mijn enkels en hadden mijn longen de schreeuw nieuw leven ingeblazen.

De kom was geen kom.

Het mos was geen mos. Het was een schedel, met lang, donker haar.

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief