leesfragment

‘Het eerlijkheidsexperiment’ van Clare Pooley

Wat gebeurt er als je aan een vreemde de waarheid over jezelf vertelt? Dit is de vraag die de 79-jarige weduwnaar Julian stelt in een schrift dat hij achterlaat in een café. Monica, de eigenaresse van het café, ziet het schrift en besluit de waarheid over haar leven in het schrift op te schrijven. Ze legt het terug op tafel en zo gaat het door: vijf andere mensen zullen het boekje vinden en na het lezen van de persoonlijke verhalen van anderen hun eigen waarheid op papier zetten. De wens van de oude Julian wordt vervuld op hartverwarmende wijze. 

Lees hier de eerste pagina’s van Het eerlijkheidsexperiment van Clare Pooley. Sophie Kinsella is alvast fan: ‘Een slim en heerlijk boek!’

EEN

Monica

Ze had geprobeerd het schrift terug te geven. Zodra ze besefte dat het er nog lag, had ze het opgepakt en was achter de excentrieke eigenaar aan gehold. Maar hij was verdwenen. Voor iemand die al zo oud was, was hij verbazingwekkend snel ter been. Misschien wilde hij echt niet gevonden worden.

Het was een doodgewoon, lichtgroen schrift, net zoals het schrift dat Monica op school had gebruikt, vol met notities en aantekeningen. De schriften van haar vriendinnen waren volgekrabbeld met hartjes en bloemen en de namen van hun laatste vlammen, maar Monica was niet zo’n ‘droedelaar’. Ze had te veel respect voor mooie papeterie. Op de kaft stonden in een sierlijk handschrift twee woorden geschreven:

Het eerlijkheidsexperiment

Onderaan stond in kleiner schrift de datum: oktober 2018. Misschien stond er, dacht Monica, binnenin een adres, of op z’n minst een naam, zodat ze het schrift kon teruggeven. Ondanks het pretentieloze voorkomen ervan had het iets waardoor het belangrijk leek. Ze sloeg de kaft om. Op de eerste bladzijde stonden slechts een paar alinea’s.

Hoe goed ken je de mensen in jouw naaste omgeving?
Hoe goed ken je de mensen in jouw naaste omgeving?
Hoe goed kennen ze jou? Ken je de namen van je buren eigenlijk? Zou je het merken als ze in de problemen zaten of als ze dagenlang hun huis niet uit kwamen?
Iedereen liegt over zijn leven. Wat zou er gebeuren als je in plaats daarvan de waarheid vertelt? Dat ene ding dat jou kenmerkt, dat het beeld dat men van jou heeft completeert? Niet voor het internet, maar voor de mensen van vlees en bloed in jouw omgeving?
Misschien gebeurt er niets. Of misschien verandert je leven door dat verhaal te vertellen, of het leven van iemand die je nog niet kent.
Daar wil ik achter zien te komen.

Het ging door op de volgende bladzijde en Monica wilde niets liever dan verder lezen; het was echter een van de drukste uren in het café en ze mocht koste wat kost niet achter op schema raken. Dan liep alles in het honderd. Ze stopte het schrift naast de kassa bij de reservemenu’s en folders van verschillende leveranciers. Ze zou het later lezen, als ze haar aandacht erbij kon houden.

 

In het appartement boven het café ging Monica languit op de bank liggen, in haar ene hand een groot glas sauvignon blanc en in haar andere het achtergelaten schrift. De vragen die ze die ochtend had gelezen hadden haar niet losgelaten en vroegen om antwoord. Ze had de hele dag praatjes gemaakt met mensen, hun koffie en gebak geserveerd, commentaar geleverd op het weer en op de nieuwste roddels over bekendheden. Maar wanneer had ze voor het laatst iemand iets over zichzelf verteld wat er écht toe dééd? En wat wist ze van hen, behalve dat ze hun koffie met melk of hun thee met suiker dronken? Ze sloeg het schrift bij de tweede bladzijde open.

Ik ben Julian Jessop, negenenzeventig jaar oud en kunstschilder. Ik woon al zevenenvijftig jaar in Chelsea Studios, aan Fulham Road.
Dat zijn mijn persoonlijke gegevens, maar dit is mijn waarheid: IK BEN EENZAAM.
Er zijn dagen dat ik met niemand praat. Soms, als ik moet praten (bijvoorbeeld als ik gebeld word over de betaling van de ongevallenverzekering), ontdek ik dat mijn stem schor is, omdat hij van verwaarlozing in mijn keel weggekwijnd en bezweken is.
Mijn leeftijd heeft me onzichtbaar gemaakt. Ik vind dit met name moeilijk te verkroppen omdat ik altijd in de belangstelling stond. Iedereen kende mij. Ik hoefde me niet voor te stellen; als ik ergens verscheen, ging mijn naam fluisterend rond, vergezeld van steelse blikken.
Ik bleef graag voor spiegels staan en slenterde langzaam langs etalages, terwijl ik naar de snit van mijn jas keek en checkte of mijn haar goed zat. Als ik tegenwoordig per ongeluk mijn spiegelbeeld zie, herken ik mezelf nauwelijks. De ironie wil dat Mary, die met alle plezier het onvermijdelijke ouder worden geaccepteerd zou hebben, stierf op de relatief jonge leeftijd van zestig terwijl ik levend en wel gedwongen word mezelf te zien wegteren.
Als schilder observeerde ik mensen. Ik analyseerde hun relaties en ik ontdekte dat er altijd een machtsevenwicht is. De ene partner krijgt meer liefde, de andere geeft meer liefde. Ik was kennelijk degene die de meeste liefde kreeg. Ik vond, besef ik nu, Mary’s aanwezigheid, haar vertrouwde, weldadige, blozende verschijning en haar constante aandacht en loyaliteit vanzelfsprekend. Ik leerde haar pas waarderen toen ze er niet meer was.

Ze wist niet zeker of ze Julian mocht, hoewel ze met hem te doen had.
Monica wachtte even met het omslaan van de bladzijde om een slok wijn te nemen. Ze wist niet zeker of ze Julian mocht, hoewel ze met hem te doen had. Ze vermoedde dat hij antipathie zou verkiezen boven medelijden. Toen las ze verder.

Toen Mary nog leefde, was ons huisje altijd vol mensen. De buurtkinderen liepen in en uit, en Mary stopte hen vol met verhalen, wijze raad, limonade en Monster Munch­chips. Mijn minder succesvolle collega­vrienden kwamen, samen met mijn laatste schildersmodellen, voortdurend onaangekondigd langs om mee te eten. Mary verwelkomde de andere vrouwen met alle egards, dus ik was misschien de enige die merkte dat zij nooit iets bij de koffie kregen.
We hadden een druk bestaan. Ons sociale leven speelde zich af in de Chelsea Arts Club en de bistro’s en boetieks op King’s Road en Sloane Square. Mary maakte lange dagen als vroedvrouw en ik doorkruiste het land en schilderde portretten van mensen die zichzelf de moeite waard vonden om voor het nageslacht vereeuwigd te worden.
Sinds het eind van de jaren zestig begaven we ons elke vrijdag om vijf uur ’s middags naar de nabijgelegen Brompton begraafplaats, die, aangezien hij precies tussen Fulham, Chelsea, South Kensington en Earl’s Court ligt, voor al onze vrienden een geschikte ontmoetingsplek was. Op het graf van admiraal Angus Whitewater maakten we plannen voor ons weekend. Niet dat we de admiraal gekend hadden, maar op zijn laatste rustplaats ligt toevallig een imposante zwartmarmeren steen, die uitstekend als tafel voor de drank dienstdeed.
In veel opzichten ben ik samen met Mary gestorven. Ik negeerde alle telefoontjes en brieven. Ik liet de verf op mijn palet uitdrogen, en tijdens één ondraaglijk lange nacht vernietigde ik al mijn niet­voltooide doeken; ik verscheurde ze in veelkleurige repen, en knipte er vervolgens met Mary’s kleermakersschaar confetti van. Toen ik vijf jaar later eindelijk uit mijn schulp tevoorschijn kwam, waren de buren verhuisd, hadden de vrienden het opgegeven en had mijn agent me afgeschreven, en op dat moment realiseerde ik me dat ik onzichtbaar was geworden. Ik was teruggemetamorfoseerd van vlinder naar rups.
Ik hef nog altijd elke vrijdagnamiddag op het graf van de admiraal een glas Baileys Irish Cream, Mary’s lievelingsdrank, maar tegenwoordig zijn er alleen ik en de geesten uit vervlogen tijden.

Jij beslist wat ermee gebeurt.
Dit is mijn verhaal. Voel je niet bezwaard om het in de afvalbak te gooien. Of misschien besluit je om jouw waarheid op te schrijven en mijn schriftje door te geven. Misschien zul je het net als ik louterend vinden.
Jij beslist wat ermee gebeurt.

 

TWEE

Monica

Uiteraard googelde ze hem. Op Wikipedia stond Jessop beschreven als een portretschilder die in de jaren zestig en zeventig een zekere bekendheid had genoten. Hij was aan de Slade een leerling van Lucian Freud geweest. De twee hadden, zo gingen de geruchten, jarenlang in beledigingen (en in, zo werd aangenomen, vrouwen) gegrossierd. Lucian had het voordeel veel beroemder te zijn, maar Julian was zeventien jaar jonger. Monica stelde zich Mary voor die, na urenlang baby’s van andere vrouwen op de wereld geholpen te hebben, zich afvroeg waar haar man nu weer uithing. Eerlijk gezegd kwam ze min of meer over als een voetveeg. Waarom was ze niet gewoon bij hem weggegaan? Er waren ergere dingen dan alleen zijn, hield ze zichzelf voor, zoals zo vaak.

Een van Julians zelfportretten had korte tijd in de National Portrait Gallery gehangen, op een tentoonstelling die de titel ‘The London School of Lucian Freud’ droeg. Monica klikte op de afbeelding om die te vergroten en daar was hij, de man die ze gisterochtend in haar café had gezien, maar volkomen gladgestreken, een rozijn die weer druif was geworden. Julian Jessop, ongeveer dertig jaar, blond, glad achterovergekamd haar, vlijmscherpe jukbeenderen, een enigszins spottende mond en die indringende blauwe ogen. Toen hij haar gisteren had aangekeken, had het aangevoeld alsof hij haar ziel peilde. Wat enigszins ongemakkelijk was wanneer je probeerde op te sommen welke voordelen een bosbessenmuffin had op een karamelshortbread.

Monica keek op haar horloge: tien voor vijf.

‘Benji, kun jij een halfuurtje op de zaak letten?’ vroeg ze aan haar barista. Ze trok haar jas aan zonder zijn instemmende hoofdknikje af te wachten. Door het café lopend liet ze haar ogen over de tafeltjes gaan en bleef staan om een grote kruimel red velvet cake van tafel twaalf op te pakken. Hoe was die over het hoofd gezien? Ze liep naar buiten, Fulham Road op en gooide de kruimel naar een duif.

Monica nam zelden plaats op de bovenverdieping van de bus. Ze ging er prat op zich aan de gezondheids- en veiligheidsvoorschriften te houden, en de trap opgaan in een rijdend vervoermiddel leek een onnodig risico. Maar deze keer moest ze goed naar buiten kunnen kijken.

Ze volgde de blauwe stip op Google Maps die langzaam over Fulham Road naar Chelsea Studios bewoog. De bus stopte op Fulham Broadway en reed toen door naar Stamford Bridge. In de verte doemde het enorme, moderne eldorado van de Chelsea Football Club op en daar, in zijn schaduw en wonderbaarlijk ingeklemd tussen de twee gescheiden ingangen voor de thuis- en uitsupporters, lag een klein, volmaakt opgebouwd dorp van ateliers en huisjes achter een onopvallende muur waar Monica zeker al honderden keren langs was gelopen.

Voor één keer dankbaar dat het verkeer niet opschoot probeerde Monica te achterhalen welk huis van Julian was.
Voor één keer dankbaar dat het verkeer niet opschoot probeerde Monica te achterhalen welk huis van Julian was. Eén huis stond iets apart en zag er wat krakkemikkiger uit, een beetje zoals Julian zelf. Ze verwedde er haar dagomzet om dat dat zijn huis was, iets waar je, gezien haar economische situatie, niet licht over moest denken.

Bij de volgende halte stapte Monica uit de bus en sloeg bijna onmiddellijk links af, de Brompton begraafplaats op. De laagstaande zon wierp lange schaduwen en in de lucht hing een herfstachtige kilte. De begraafplaats was een van Monica’s geliefde plekken – een tijdloze oase van kalmte midden in de stad. Ze hield van de rijk bewerkte grafstenen – een laatste blijk van opbiedend gedrag. Jij hebt dan misschien een marmeren steen plus een schitterend Bijbelcitaat, maar ik heb lekker een levensgrote Jezus aan het kruis. Ze hield van de stenen engelen, waarvan velen nu vitale lichaamsdelen misten, en van de ouderwetse namen op de victoriaanse grafzerken – Ethel, Mildred, Alan. Sinds wanneer werden mensen niet meer Alan genoemd? En nu ze er toch over nadacht, noemden mensen hun baby nog wel eens Monica? Zelfs in 1981 waren haar ouders al buitenbeentjes geweest die namen als Emily, Sophie en Olivia meden. Monica, een uitstervende naam. Ze zag de generiek al voor zich op het filmdoek: De laatste der Monica’s.

Terwijl ze flink doorstapte langs de graven van de gevallen soldaten en de Wit-Russische emigranten voelde ze hoe, net als de zielen van de doden, de verborgen dierenwereld – de grijze eekhoorns, stadsvossen en pikzwarte raven – over de graven waakte.

Waar lag de admiraal? Monica ging naar links en keek uit naar een oude man met een fles Baileys Irish Cream in zijn hand. Ze besefte dat ze eigenlijk niet wist waarom. Ze wilde niet met Julian praten, althans nog niet. Ze vermoedde dat een directe benadering hem zou afschrikken. Ze wilde geen verkeerde start maken.

Monica liep in noordelijke richting en bleef, zoals altijd, heel even bij het graf van Emmeline Pankhurst staan om stilletjes en dankbaar te knikken. Aan het eind van het pad liep ze in een bocht langs de andere kant via een minder gebruikt pad terug, toen ze halverwege aan haar rechterkant iets zag bewegen. Daar, op een gegraveerde marmeren grafzerk, zat Julian (nogal schaamteloos), met een glas in zijn hand.

Monica liep langs hem, met haar gezicht omlaag gericht, zodat hij haar niet zou zien. Toen hij ongeveer tien minuten later wegging, liep ze onmiddellijk terug om de tekst op de steen te lezen.

ADMIRAAL ANGUS WHITEWATER
VAN PONT STREET
GESTORVEN 5 JUNI 1963 OP DE LEEFTIJD VAN 74 JAAR
GERESPECTEERD LEIDER, GELIEFDE ECHTGENOOT
EN VADER, EN TROUWE VRIEND
TEVENS, BEATRICE WHITEWATER
GESTORVEN 7 AUGUSTUS 1964 OP DE LEEFTIJD VAN 69 JAAR

Het ergerde haar dat de admiraal meerdere gloedvolle adjectieven toebedeeld kreeg, terwijl zijn vrouw het maar moest doen met een datum en een plek voor de eeuwigheid onder de zerk van haar echtgenoot.

Monica bleef nog even staan, omringd door de stilte van de begraafplaats, met voor haar geestesoog een groep mooie jonge mensen, met beatlekapsels, minirokjes, broeken met wijd uitlopende pijpen, die met elkaar kibbelden en grapjes maakten, en plotseling voelde ze zich erg eenzaam.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief