leesfragment

Lees de eerste hoofdstukken uit de nieuwe Joël Dicker!

0

April 1999. Mount Pleasant, een rustig stadje in de Amerikaanse staat New Hampshire, wordt opgeschud door een gruwelijke moord. Het lichaam van een jonge vrouw, Alaska Sanders, wordt gevonden aan de rand van een meer. De politie verkrijgt al snel een bekentenis van de dader en zijn handlanger en sluit het onderzoek. Elf jaar later ontvangt sergeant Perry Gahalowood een verontrustende, anonieme brief, die de uitkomst van het eerdere onderzoek geheel in twijfel trekt. Wat als er een grove fout is gemaakt? Met hulp van de bevriende schrijver Marcus Goldman, die inmiddels beroemd is geworden door zijn boek over Harry Quebert, besluit Perry het onderzoek te heropenen, met alle gevolgen van dien.

Met De zaak Alaska Sanders heeft Joël Dicker weer een absolute pageturner geschreven, een spannende, zorgvuldig opgebouwde thriller die de lezer keer op keer op het verkeerde been zet.

Lees hier al een aantal hoofdstukken uit ‘De zaak Alaska Sanders’.

 

De dag voor de moord

Vrijdag 2 april 1999

De laatste die haar levend had gezien was Lewis Jacob, de eigenaar van een tankstation aan Route 21. Om halfacht maakte hij aanstalten de winkel naast de benzinepompen te verlaten. Hij ging met zijn vrouw uit eten om haar verjaardag te vieren.

‘Vind je het echt niet erg om af te sluiten?’ vroeg hij aan zijn medewerkster die achter de kassa stond.

‘Geen probleem, meneer Jacob.’ ‘Dank je, Alaska.’

Lewis Jacob bleef even naar de jonge vrouw staan kijken: wat was ze mooi. Een zonnestraaltje. En altijd de vriendelijkheid zelve! In het halve jaar dat ze daar nu werkte, had ze zijn leven veranderd.

‘En jij?’ vroeg hij. ‘Plannen voor vanavond?’ ‘Ik heb een afspraakje…’ Ze glimlachte.

‘Zo te zien is het niet zomaar een afspraakje.’ ‘Een romantisch etentje,’ vertrouwde ze hem toe.

‘Walter boft maar,’ zei Lewis. ‘Het gaat dus weer beter tussen jullie?’

Alaska haalde slechts haar schouders op. Lewis gebruikte een raam als spiegel om zijn das goed te doen.

‘Hoe zie ik eruit?’ vroeg hij.

‘Helemaal goed. Ga nu maar, anders komt u nog te laat.’ ‘Fijn weekend, Alaska. Tot maandag.’

‘Fijn weekend, meneer Jacob.’

Weer schonk ze hem een glimlach. Een glimlach die hij nooit meer zou vergeten.

De volgende ochtend om zeven uur was Lewis Jacob terug om het tankstation te openen. Zodra hij binnen was, deed hij de deur van de winkel weer achter zich op slot zodat hij zich rustig kon voorbereiden op de eerste klanten. Plotseling werd er keihard op de glazen deur gebonkt: hij draaide zich om en zag een hardloopster die met een van angst vertrokken gezicht stond te schreeuwen. Snel maakte hij de deur open en de jonge vrouw stortte zich op hem terwijl ze gilde: ‘Bel de politie! Bel de politie!’

Die ochtend zou het leven in een stadje in New Hampshire ingrijpend veranderen.

 

Proloog

In aanloop naar wat er in 2010 gebeurde

De jaren 2006 tot en met 2010 staan ondanks de successen en de roem in mijn geheugen gegrift als moeilijke jaren. Ze vormden ongetwijfeld de achtbaan van mijn bestaan.

Voordat ik u het verhaal ga vertellen van Alaska Sanders die op 3 april 1999 in Mount Pleasant, in New Hampshire, dood werd aangetroffen, en voordat ik uitleg hoe ik in de zomer van 2010 bij het onderzoek naar dit elf jaar oude misdrijf betrokken raakte, moet ik dan ook kort ingaan op mijn persoonlijke situatie op dat moment en met name op het verloop van mijn prille schrijverscarrière.

Die had in 2006 een bliksemstart gekend met een eerste roman waarvan miljoenen exemplaren waren verkocht. Ik was amper zesentwintig toen ik toetrad tot het selecte clubje van rijke en beroemde schrijvers en naar de top van de Amerikaanse bestsellerlijsten werd gelanceerd.

Maar ik zou al snel tot de ontdekking komen dat de roem zo zijn weerslag had: mensen die me van het begin af aan volgen, weten hoezeer het enorme succes van mijn eerste roman me uit balans zou brengen. Ik was zo verpletterd door de bekendheid dat ik niet meer tot schrijven in staat was. De schrijver was leeg, de inspiratie op, de bladzijden bleven blanco. De teloorgang.

Toen kwam de zaak Harry Quebert, waarvan u ongetwijfeld hebt gehoord. Op 12 juni 2008 werd het lichaam van Nola Kellergan, een meisje dat in 1975 op vijftienjarige leeftijd was verdwenen, opgegraven in de tuin van Harry Quebert, een levende legende uit de Amerikaanse literatuur. Die zaak trok ik me erg aan: Harry Quebert was mijn docent aan de universiteit maar vooral ook mijn beste vriend destijds. Ik kon niet geloven dat hij schuldig was. In een eenzame kruistocht trok ik door New Hampshire om mijn eigen onderzoek te doen. Hoewel het me uiteindelijk lukte zijn onschuld te bewijzen, zou onze vriendschap de geheimen die ik daarbij over hem ontdekte niet overleven.

Het onderzoek leverde me stof voor een boek, De waarheid over de zaak Harry Quebert, dat in het najaar van 2009 verscheen en zoveel succes had dat ik daarmee mijn naam als schrijver van nationaal belang vestigde. Dat boek was het bewijs waarop mijn lezers en de critici sinds mijn eerste roman hadden gewacht om me definitief in de schrijversstand te kunnen verheffen. Ik was niet langer een eendagsvlieg, een vallende ster die door de nacht was opgeslokt, een uitgebrand lopend vuurtje; ik was nu een door het publiek erkende schrijver die alle recht had zich onder zijn gelijken te scharen. Dat voelde als een enorme opluchting. Alsof ik mezelf had teruggevonden na drie jaar ronddolen in de woestijn van het succes.

In de laatste weken van 2009 maakte een sereen gevoel zich van mij meester. Op 31 december vierde ik de komst van het nieuwe jaar op Times Square te midden van een uitgelaten menigte. Dat had ik niet meer gedaan sinds 2006. Sinds de verschijning van mijn eerste boek. Die nacht voelde ik me goed als onbekende tussen de onbekenden. Mijn blik kruiste die van een vrouw die ik onmiddellijk leuk vond. Ze dronk champagne. Glimlachend stak ze mij de fles toe.

Wanneer ik denk aan wat er zich in de daaropvolgende maanden zou gaan afspelen, zie ik steeds weer dat tafereel voor me dat me de illusie had gegeven eindelijk rust te hebben gevonden.

Uit de gebeurtenissen van 2010 zou blijken dat ik het helemaal mis had gehad.

 

De dag van de moord

Zaterdag 3 april 1999

Het was zeven uur ’s ochtends. Ze rende in haar eentje langs Route 21, door een groen landschap. Met de muziek op haar oren had ze een lekker ritme te pakken. Haar benen gingen snel, ze had haar ademhaling onder controle: over twee weken zou ze aan de start van de marathon van Boston staan. Ze was er klaar voor.

Het voelde als een perfecte dag. De eerste zonnestralen beschenen de velden vol wilde bloemen waarachter het uitgestrekte White Mountain National Forest opdoemde.

Ze was al bijna bij het tankstation van Lewis Jacob, op precies zeven kilometer van haar huis en besloot nog iets verder te gaan dan ze eigenlijk van plan was geweest. Ze passeerde het tankstation en rende door tot aan de kruising bij Grey Beach. Daar nam ze de onverharde weg waar het op hete zomerdagen wemelde van de dagjesmensen. De weg kwam uit op een parkeerplaats waarvandaan een wandelpad tussen de bomen van het White Mountain National Forest door naar een groot keienstrand aan Lake Skotam leidde. Terwijl ze de parkeerplaats van Grey Beach overstak, registreerde ze onbewust dat er een blauwe cabriolet met nummerplaten uit Massachusetts stond. Ze nam het pad richting het strand. Toen ze bijna tussen de bomen vandaan was, kwam ze abrupt tot stilstand bij het zien van een silhouet op de oever. Het duurde een paar seconden voordat het tot haar doordrong wat daar precies gaande was. Ze stond verlamd van angst. Hij had haar nog niet gezien. Vooral geen enkel geluid maken, haar aanwezigheid niet verraden: als hij haar zag, zou hij haar ongetwijfeld ook te grazen nemen. Ze verstopte zich achter een boomstam. De adrenaline gaf haar uiteindelijk de kracht om voorzichtig terug te kruipen over het pad en het, zodra ze dacht buiten gevaar te zijn, op een lopen te zetten. Ze rende zoals ze nog nooit had gerend. Ze had expres haar mobiele telefoon niet meegenomen. Wat had ze daar nu spijt van!

Ze kwam weer op Route 21. Ze hoopte op een passerende auto, maar niets. Ze voelde zich alleen op de wereld. Dus trok ze maar een sprint naar het tankstation van Lewis Jacob. Daar zou ze hulp kunnen vinden. Toen ze eindelijk buiten adem aankwam, stond ze voor een dichte deur. Maar ze zag de pomphouder binnen en ramde daarom net zo lang op de deur tot hij opendeed. Ze stortte zich op hem en schreeuwde: ‘Bel de politie! Bel de politie!’

 

FRAGMENT UIT HET POLITIERAPPORT VERHOOR VAN PETER PHILIPPS

(Peter Philipps werkt al vijftien jaar als politieambtenaar in Mount Pleasant. Hij was als eerste agent ter plekke. Zijn verklaring is opgenomen op 3 april 1999 in Mount Pleasant.)

Toen ik de oproep van de centrale hoorde over wat er bij Grey Beach aan de hand was, dacht ik eerst dat ik het niet goed had begrepen. Ik heb om een herhaling gevraagd. Ik bevond me in de zone Stove Farm, niet ver van Grey Beach.

Bent u er rechtstreeks naartoe gegaan?

Nee, ik ben eerst gestopt bij het tankstation aan Route 21 waarvandaan de getuige het alarmnummer had gebeld. Gezien de situatie leek het me belangrijk met haar te praten alvorens in te grijpen. Zodat ik wist wat me op het strand te wachten stond. De getuige in kwestie was een jonge vrouw die zich doodgeschrokken was. Ze vertelde me wat ze had gezien. In de vijftien jaar dat ik politieman ben, was ik nog nooit met zoiets geconfronteerd.

En toen?

Toen ben ik onmiddellijk ter plaatse gegaan.

U bent alleen gegaan?

Ik had geen keus. Er was geen moment te verliezen. Ik moest er zijn voordat hij ervandoor ging.

Wat gebeurde er vervolgens?

Ik ben als een gek van het tankstation naar de parkeerplaats van Grey Beach gereden. Toen ik daar aankwam, zag ik een blauwe cabriolet met een kenteken uit Massachusetts staan. Ik heb mijn geweer gepakt en ben het pad naar het meer op gerend.

En?

Toen ik het strand op kwam gestormd was hij nog steeds met dat arme meisje bezig. Ik begon te schreeuwen om te zorgen dat hij ophield, en hij hief zijn hoofd en keek me strak aan. Hij begon langzaam in mijn richting te lopen. Onmiddellijk begreep ik dat het hij of ik zou zijn. Vijftien jaar in dienst en nooit een schot gelost. Tot vanochtend.

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief