leesfragment

Leesfragment. ‘Oorlogskind’ van Mechtild Borrmann

Hamburg, 1947. Een jongetje wordt gevonden te midden van de puinhopen. Pas jaren later bevindt hij zich op het spoor naar zijn familie… Lees hier al het eerste hoofdstuk van Oorlogskind!

Het verhaal

De jonge Hanno Dietz probeert vlak na de Tweede wereldoorlog samen met zijn moeder en zusje te overleven in het platgebombardeerde Hamburg. Stenen houwen, brandhout en oud ijzer verzamelen tussen het puin, gevonden spullen verhandelen op de zwarte markt – het is zijn dagelijks bestaan.
Maar op een dag vindt hij tussen het puin een dode vrouw. En vlak bij haar een jongetje van een jaar of drie, in opvallend nette kleding. Het kind praat niet, en er is niemand die bij hem hoort. Hanno neemt hem mee en de jongen zal uiteindelijk opgroeien in het gezin Dietz.
Jaren later bevindt deze wees uit de puinhopen zich op het spoor van een misdaad met banden naar zijn werkelijke familie…

In Duitsland ontving Oorlogskind veel mooie kritieken. Vanaf 17 april 2018 is het boek van Mechtild Borrmann ook in het Nederlands verkrijgbaar!

‘Een ijzersterke roman vol spanning, waarin fictie en historische feiten prachtig worden vermengd.’ – De Zeit

Oorlogskind is een boek om jezelf in te verliezen.’ – Stern

‘Het combineren van spanning en historische gebeurtenissen kan Borrmann als geen andere Duitse schrijver.’ – Die Bibliothek der vergessenen Bücher

Hamburg, januari 1947

Een eerste flets violet licht verscheen aan de horizon. Het gleed over de bergen puin, drong binnen in bomkraters en tekende de contouren na van het met brokstukken bezaaide landschap.

Hij schoot een stuk sneller op nu hij kon zien waar hij zijn voeten moest neerzetten op het oneffen terrein. De bijtende kou sneed in zijn gezicht en longen, drong door de jas heen die zijn moeder had gemaakt van een oude legerdeken en kroop door zijn dunne schoenzolen en kapotte kousen omhoog. Zijn adem steeg dampend op terwijl hij zich met vaste tred en geoefende blik over de puinhopen van Hammerbrook voortbewoog. Achter het stuk touw waarmee hij zijn veel te wijde broek rond zijn heupen had vastgesjord, stak de hamer die hij gebruikte om leidingen, ruiten en scharnieren van muren en brokstukken af te slaan. Zijn zusje Wiebke liep over de aangeveegde straat gelijk met hem op en trok de handkar mee.

Hij zocht naar alles wat op de zwarte markt geld kon opbrengen, maar vandaag had hij vooral dringend brandhout nodig.
Die handkar was wat hem betrof het meest waardevolle familiebezit, daar had hij al heel wat schatten mee vervoerd die hij uit de puinhopen had geborgen. Hij zocht naar alles wat op de zwarte markt geld kon opbrengen, maar vandaag had hij vooral dringend brandhout nodig. De vorige winter waren er in de ruïnes nog balken, deuren en raamkozijnen te vinden geweest, genoeg om de koude dagen mee door te komen, maar dit jaar was er bijna niets meer. Tot december hadden er nog kolentreinen gereden, en met een paar andere jongens was hij op de open lorries geklauterd. Buiten, waar de rails een bocht maakten, moesten de treinen langzamer rijden. Dan kwam het op snelheid aan en op samenwerking. Via de koepels naar de lorries. Het heen en weer springen was gevaarlijk, maar als je bang was om onder de trein terecht te komen, kon je het wel vergeten.

‘Zodra je erover gaat nadenken, gebeurt het ook,’ had Peter gewaarschuwd. Als moeder er thuis naar vroeg, had Hanno gezegd dat hij alleen maar langs het spoor mee-rende om de kolen op te rapen.

Maar nu waren de rails bevroren, treinen reden er nog maar zelden en de tommy’s hadden de bewaking verdubbeld. Kolen waren bijna niet meer te krijgen.

Hun huis in de Ritterstraße was bij een bombardement verwoest en hij woonde er nu met zijn moeder en zusje in een kleine kamer die snel afkoelde. Als ze er niet op zijn minst ’s avonds een paar uur konden stoken, was het er ’s nachts net zo koud als buiten. Drie dagen geleden was de oude mevrouw Schöning, aan wie hij ook altijd wat kolen had gegeven, in haar noodonderkomen bevroren.

Van de levensmiddelen die ze op de bon kregen raakte je niet verzadigd. Zijn moeder ging stenen houwen, maar dat ze alle drie in elk geval af en toe min of meer verzadigd raakten, daar zorgde hij voor met zijn vondsten, die hij ruilde op de zwarte markt. Twee dagen geleden had hij een etui met een luxe vulpen en een potje inkt gevonden. Tien Engelse sigaretten had een tommy hem daarvoor gegeven, en die hadden hem twee kilo aardappels en een knol opgeleverd.

Hij keek opzij. Wiebke liep naast de handkar heen en weer en sloeg met gekruiste armen ritmisch tegen haar bovenlichaam.

In de zomer van 1943, toen Hamburg in brand had gestaan en ze de bunker uit gekropen waren waar ze bijna in waren gestikt, hadden ze enkel nog de kleren aan hun lijf gehad.

In de zomer van 1943, toen Hamburg in brand had gestaan en ze de bunker uit gekropen waren waar ze bijna in waren gestikt, hadden ze enkel nog de kleren aan hun lijf gehad. Een paar uur eerder was het huis boven de bunker geraakt. De kalk was van de bunkermuren naar beneden gekomen, het gruis brandde in hun ogen en longen, en de vierentwintig vrouwen, kinderen en ouden van dagen die daar samen met hen hadden gezeten, waren veranderd in grijze cementfiguren. Cementgezichten die krijsten, baden, huilden. Het had uren geduurd voor ze zich een weg naar buiten hadden weten te graven en toen ze eindelijk, een voor een, door het gat naar buiten kropen, was het al dag geweest. Eenmaal buiten had hij zijn ogen niet kunnen geloven. Overal was brand, in de wijde omgeving kon hij geen enkel huis, geen enkele straat herkennen, enkel vlammen en skeletten van huizen die afstaken tegen een zwarte hemel – de zon kon je achter de opstijgende roetwolken alleen nog vermoeden. Een dag zonder licht, verzengend als vuur. En overal tussen de puinhopen lagen lijken. Verkoolde lijken, verschrompeld door de hitte, onherkenbaar.

Hij wist niet meer hoe lang ze daar hadden gestaan, op die plek waar ooit een straat was geweest, zonder te begrijpen wat ze zagen. Maar hij herinnerde zich maar al te goed mevrouw Kröger, die al ronddolend het Onzevader krijste, de oude meneer Vogler, die onophoudelijk iets mompelde over de straffe Gods, en mevrouw Weiser, die bij de ingang van de bunker met haar dode tweejarige dochtertje in haar armen was blijven zitten, haar bovenlichaam heen en weer wiegend, terwijl ze aan één stuk door monotoon herhaalde: ‘Ze slaapt… Het gaat goed met haar… Ze slaapt…’ En dat er binnen in hem niks was geweest, geen emotie, geen gedachte, alleen het verlammende gevoel van verbijstering en niet-begrijpen.

Op een gegeven moment had zijn moeder hem bij zijn arm gepakt en door elkaar geschud, zoals ze altijd deed als ze boos op hem was. ‘Hanno! Hanno, luister naar me!’ schreeuwde ze. Haar stem drong als vanuit de verte tot hem door, en pas toen ze hem een klap in het gezicht gaf, kwam hij tot zichzelf. De verstarring verdween uit zijn ledematen en nadat hij een paar stappen had gezet, merkte hij dat hij een ondraaglijke dorst had en kon hij weer nadenken. En zijn eerste gedachte was: waarom heeft de Führer dit toegelaten?

En zijn eerste gedachte was: waarom heeft de Führer dit toegelaten?
Zijn moeder had zijn arm stevig vastgegrepen. ‘We moeten hier weg, hoor je me? We gaan naar oom Wilhelm in Pinneberg.’ Ze huilde; de tranen tekenden lijnen in haar cementgezicht, als scheuren in beton.

Iemand bracht water. Hij had gedronken alsof hij zo niet alleen zijn dorst kon lessen, maar ook de laatste paar uren zou kunnen uitwissen.

Wiebke hadden ze te drinken moeten geven. Ze stond daar maar, gaf geen kik en reageerde nergens op. Ze was zes, maar weigerde een stap te zetten, en toen ze op weg gingen, moest moeder haar dragen.

Bij hun huis waren ze even stil blijven staan. Het dak en de bovenste verdieping waren weg. En toen had hij hem zien staan: de handkar. Midden tussen de puinhopen, op een bovendorpel, alsof hij daar tentoon werd gesteld. Hanno was over de nog hete brokstukken geklauterd om hem te halen. Hij had Wiebke erin naar Pinneberg meegetrokken. Honderden mensen verlieten net als zij de stad, een stille, eindeloze stoet. Af en toe hoorde je een kind huilen, maar niemand leek te praten.

Het was al na middernacht toen ze in Pinneberg aan kwamen. Oom Wilhelm woonde met tante Margret in een groot huis met een tuin aan de rand van de stad. Vanaf de eerste dag had hij erop gehamerd dat hij het ook niet breed had, en als hij thuis was, liepen ze allemaal op hun tenen. Tante was wel aardig. Ze ging weliswaar niet tegen haar man in, maar in de keuken zei ze troostend: ‘Hij bedoelt het niet zo, trek het je niet aan.’

Zijn moeder vond werk in een fabriek, en met haar loon droeg ze bij aan het levensonderhoud, wat oom een beetje milder stemde. Maar toen de oorlog verloren was, werd hij onuitstaanbaar in zijn verbittering daarover. Dat Hitler zelfmoord had gepleegd, was volgens hem een leugen. Hij liet ook geen gelegenheid voorbijgaan om Wiebke voor schut te zetten. Sinds die nacht in de bunker stotterde ze en plaste ze in bed. Dan ging hij tekeer dat ze eerst moest nadenken voordat ze iets zei, dat het hele huis naar pis stonk en dat dat gestamel van haar niet te harden was. Moeder nam het dan tegen hem op, en meer dan eens verlieten ze nog hongerig de eettafel. Ze wilden zo snel mogelijk terug naar huis, maar er werd gezegd dat Hamburg was afgesloten.

'Jij kunt ermee overweg en zult haar goed kunnen gebruiken.’
In augustus 1945 kwam het nieuws dat de blokkade was opgeheven. De volgende dag was oom Wilhelm niet thuis, en tante Margret laadde de handkar vol met dekens, ingemaakte groente, een zak aardappels, uien, twee pannen, wat serviesgoed en bestek. Toen ze al op het punt stonden te vertrekken, kwam tante met de naaimachine aanzetten. ‘Als we die er voorzichtig bovenop zetten en de kinderen haar vasthouden, past het net. Ik kan sowieso niet met dat ding uit de voeten.’ Moeder had de naaimachine eerst niet willen aannemen. ‘Als Wilhelm erachter komt…’ had ze gezegd, maar tante had haar hoofd geschud. ‘Laat dat maar aan mij over. Jij kunt ermee overweg en zult haar goed kunnen gebruiken.’

Hoewel Hamburg volledig in puin lag en ze drie dagen en nachten zonder dak boven het hoofd langs de kant van de weg hadden moeten kamperen, waren ze vol goede moed geweest. Ze hadden zelfs onderling grapjes gemaakt en gelachen. Eerst hadden ze de ingang naar de kelder onder hun huis vrijgemaakt, waar ze voorlopig wilden gaan wonen, maar Wiebke was in tranen uitgebarsten en weigerde de kelder in te gaan. Hoe vaak moeder ook beloofde dat er geen bommen zouden vallen en dat ze niet bedolven zouden raken, het hielp niet.

Uiteindelijk hadden ze de bergen puin erboven weggeruimd en op de begane grond een min of meer bewoonbare kamer vrijgemaakt. Hanno had ergens in de ruïnes een deur gevonden, de lege vensters vulden ze met karton. Terwijl moeder Wiebke meenam als ze stenen ging houwen, zwierf hij voortaan door de puinhopen, op zoek naar bruikbare spullen. Begin september had hij een fornuis uit de puinhopen opgegraven, en daarbij had hij Peter Kampe leren kennen. Die was zeventien, had zich sinds de vuurstorm in zijn eentje moeten zien te redden en hielp hem het zware fornuis op de handkar te tillen. Peter was bijzonder geïnteresseerd geweest in de handkar, die Hanno intussen had uitgebouwd en verstevigd met balken en zware planken. Hij bood er een hele slof sigaretten voor, maar Hanno ging er niet op in. Toen had Peter voorgesteld hun krachten te bundelen, en sinds die dag trokken ze samen op.

Het was verboden bepaalde buurten die in puin lagen te betreden. Overal stonden waarschuwingsborden en de tommy’s patrouilleerden met hun jeeps langs de afgegrendelde gebieden, maar Peter kende schuilplaatsen en sluipweggetjes en had bovendien uitstekende contacten op de zwarte markt. Van hem leerde Hanno hoe je daar te werk moest gaan, hoe je onderhandelde en met welke handelaars je beter geen zaken kon doen. ’s Morgens gingen ze op pad, op zoek naar alles wat maar van waarde kon zijn. Aan het eind van de middag gingen ze met hun buit naar de Neumarkt om serviesgoed, pannen, kranen, waskommen, tafel- en beddenlinnen te ruilen tegen sigaretten of rijksmarken. Lood, metalen en kabels brachten ze naar de binnenplaats van Alfred Körner, die alles keurig woog, maar uitsluitend in rijksmarken betaalde.

Meer dan een jaar hadden ze zo samengewerkt, tot afgelopen oktober.
Meer dan een jaar hadden ze zo samengewerkt, tot afgelopen oktober. Toen was Peter opgepakt bij een razzia op de Neumarkt. Omdat het niet de eerste keer was, had hij een maand hechtenis gekregen. Begin november had hij terug moeten zijn, maar hij kwam niet meer opdagen. Peter had het er al voor zijn arrestatie over gehad dat hij iets anders wilde. ‘Weg uit Hamburg,’ had hij gezegd. ‘In de puinhopen valt niets meer te halen. Het liefst helemaal weg uit Duitsland. Naar Amerika.’ Misschien was hem dat gelukt, dat was Peter wel toe te vertrouwen. Alleen dat hij geen afscheid had genomen, dat nam Hanno hem kwalijk.

In gedachten verzonken vocht hij zich een weg door de januarikou, terwijl hij telkens weer een blik wierp op de straat, waar Wiebke stond met de handkar. Ineens zag hij hem, tussen de bergen brokstukken. De ingang van een kelder. Half bedolven onder het puin, maar toegankelijk. ‘Kijk eens aan,’ fluisterde hij opgetogen. Langzaam daalde hij de trap af, behoedzaam tastend bij elke trede. De scharnieren van een deur hingen nog in het metselwerk, en hij ging meteen aan de slag, sloeg ze er met een paar gerichte klappen uit zonder ze te beschadigen. Na elke klap luisterde hij even of de stenen boven hem niet in beweging kwamen door de trillingen. Alles bleef stil. Samen met het vensterbeslag dat hij de vorige dag had gevonden, zou hij er op de zwarte markt op de Hansaplatz zo’n vijf tot acht Amerikaanse sigaretten voor kunnen krijgen en die dan kunnen ruilen tegen een brood. Maar daar moest hij niet aan denken, aan eten, dat vestigde alleen maar de aandacht op de pijn in zijn maag van de honger.

Voorzichtig liep hij verder bij het spaarzame licht dat vanuit de ingang van de kelder naar binnen viel.

Een kleine houten kast tegen de linkermuur. Brandhout! De twee zijwanden waren meer dan anderhalve meter hoog, vier planken ertussenin. Hij sloeg de houten kast uit elkaar, voorzichtig zodat de lange spijkers intact bleven. De houten planken zette hij tegen de muur, de spijkers stopte hij in de zak van zijn jas.

Intussen waren zijn ogen aan het spaarzame licht gewend. Hij liep het achterste deel van de ruimte in. Daar lag iets groots, het glinsterde witachtig. Wat was dat? Twee, drie stappen naar voren, toen bleef hij abrupt staan. Een tijdlang stond hij daar te staren naar het naakte lichaam. Hij moest aan marmer denken, aan glanzend wit marmer met grijsblauwe lijnen, en dat ze een mooie vrouw was geweest.

Hij moest aan marmer denken, aan glanzend wit marmer met grijsblauwe lijnen, en dat ze een mooie vrouw was geweest.
Als verdoofd liep hij achteruit naar de ingang. Zijn ogen moesten weer aan het daglicht wennen. Bij zijn voeten schitterde iets. Hij bukte zich en stopte het kleine voorwerp uit automatisme in zijn jaszak. Hij strompelde naar buiten, wilde alleen nog maar weg, de straat op. Toen schoot het hout hem weer te binnen. Wankelend liep hij terug. Als een duiker haalde hij bij de ingang van de kelder diep adem, daalde nog een keer af in het halfduister, stapelde de planken op zijn schouder en droeg ze naar buiten. Daar kalmeerde hij langzaam weer. Hij had al veel lijken gezien, van een lijk schrok hij niet. Maar deze vrouw was anders. Anders dood.

Terwijl hij met de planken naar de straat liep, leek er in eens een onnatuurlijke helderheid en stilte boven de puinhopen te hangen. Een verschrikt inhouden. Geen vogel die riep, geen geluiden die door de koude wind vanuit de verte werden meegedragen. Alleen zijn strompelende voetstappen en het gerinkel van de spijkers en scharnieren in zijn jaszak.

Wiebke stond in de Anckelmannstraße, haar armen om haar magere bovenlichaam geslagen, en hipte rillend van het ene been op het andere. Ze ontweek zijn blik.

Pas toen hij de planken op de handkar legde, zag hij de jongen. Hij stond achter Wiebke en was misschien drie of vier jaar oud. Hij droeg een lange broek, degelijk schoeisel, een groene jas van dikke, gevilte wol en een grijze gebreide muts. Goede, warme kleding, maar Hanno zag dat de jongen verstijfd was van de kou.

Wiebke keek verlegen naar de grond en stotterde: ‘Ik heb hem gevonden, Hanno, hij is helemaal alleen.’ Het duurde even voor Hanno begreep wat ze daarmee wilde zeggen. Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee, Wiebke, kijk maar naar zijn kleren. Zo ziet een kind dat alleen is er niet uit. Er komt vast wel iemand om hem te halen. Laten we gaan.’

Wiebke verroerde zich niet. ‘Alsjeblieft, Hanno. We kunnen hem toch niet hier achterlaten?’ jengelde ze. ‘Er is hier toch helemaal niemand?’ Hij wilde alleen maar weg en had geen zin om ruzie te maken met zijn zusje. En hij had al helemaal geen zin om uitgerekend hier en nu te worden opgepakt door de tommy’s.

Bovendien moest hij het hout naar huis brengen, moeder had het dringend nodig. Hij ging op weg met de handkar. De kleine jongen liep aan Wiebkes hand, maar kon haar amper bijhouden. Al snel raakten Wiebke en de jongen achterop. Hanno moest wachten en ze schoten maar langzaam op.

‘Zie je nou, hij houdt ons alleen maar op,’ mopperde Hanno, en omdat Wiebke meteen weer op het punt stond in tranen uit te barsten, tilde hij de jongen resoluut op zijn arm en liet de handkar aan Wiebke over. Het kleine gezichtje was rood van de kou en onbeweeglijk, en Hanno voelde meteen waarom de jongen nauwelijks kon lopen. Hij had in zijn broek geplast, de broek was stijf bevroren. Hanno knoopte zijn op de groei gemaakte jas open en stopte het kind eronder. Hij vroeg hoe hij heette. ‘Kom nou, je weet toch wel hoe je heet? Waar zijn je papa en mama?’ De kleine jongen zweeg, zijn blik verstard. En terwijl hij hem door de kou droeg, bedacht Hanno dat van de jongen dezelfde geschrokken stilte uitging die hij onderweg over de puinhopen had opgemerkt.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief