leesfragment

Tasmanië: de nieuwe roman van Paolo Giordano

0

Paolo Giordano, de prijswinnende auteur van onder andere De eenzaamheid van de priemgetallenHet zwart en het zilver en De hemel verslinden, heeft een nieuwe roman uit.

Tasmanië  is het verhaal van een man die de toekomst niet in de ogen durft te kijken. Geconfronteerd met de wetenschap dat hij nooit vader zal worden, stort hij zich op de grotere problemen in de wereld. Hoe ga je om met de angst en kwetsbaarheid die je overvallen wanneer je de controle op de wereld om je heen verliest?

Het is ook een roman over de toekomst. Een toekomst die we vrezen en waarnaar we verlangen, een toekomst die we kunnen veranderen, een waar we nog aan kunnen bouwen.

Lees hier al een eerste fragment!

 

Deel 1
In geval van Apocalyps

In november 2015 belandde ik in Parijs om de Klimaatconferentie van de Verenigde Naties bij te wonen. Ik zeg ‘belandde’, maar dat betekent niet dat ik die situatie niet zelf had opgezocht. Integendeel, de milieukwestie speelde al tijden een hoofdrol in mijn gedachten en alles wat ik las. Maar als er geen klimaatconferentie was geweest, had ik waarschijnlijk wel een ander excuus verzonnen om op pad te gaan, een gewapend conflict, een humanitaire crisis, wat dan ook, zolang ik maar kon opgaan in iets anders en groters dan mijn eigen zorgen. Misschien is dat wel het hele eiereneten, en is de obsessie van sommige mensen met dreigende rampen, die belangstelling voor tragedies die we aanzien voor onbaatzuchtigheid en die denk ik de kern van dit verhaal zal vormen, niet meer dan dat: de behoefte om bij elke lastige stap in ons leven iets nóg lastigers te vinden, iets nóg urgenters en dreigenders waarmee we ons persoonlijk lijden kunnen verzachten. En misschien heeft het wel helemaal niks met onbaatzuchtigheid te maken.

Het was een vreemde tijd. Mijn vrouw en ik hadden meerdere pogingen gedaan om een kind te krijgen, we hadden wel drie jaar doorgezet en ons aan steeds vernederender medische behandelingen onderworpen. Of preciezer gezegd: vooral zij had zich aan die behandelingen onderworpen, want waar het mij betrof ging het er vanaf een bepaald moment voornamelijk om de rol van gekwelde toeschouwer te spelen. Ondanks onze blinde vastberadenheid en een behoorlijke financiële investering had het plan niet gewerkt. De injecties gonadotrofine niet, de ivf-behandelingen niet en evenmin drie wanhopige reizen naar het buitenland waarover we tegen niemand een woord hadden gezegd. De goddelijke boodschap die deze herhaalde mislukkingen bevatten was duidelijk: dit is gewoon niet voor jullie weggelegd. Aangezien ik weigerde dat te accepteren, had Lorenza ook voor mij besloten. Op een nacht, toen haar tranen al waren opgedroogd of zonder dat ze überhaupt had gehuild (dat zal ik nooit weten), deelde ze me mee dat ze niet meer van plan was om. Ze bezigde die onafgemaakte uitdrukking, ik ben niet meer van plan om. Ik draaide me op mijn zij, waarmee ik haar op mijn beurt de rug toekeerde, en voelde de stijgende woede opkomen over een keuze die me oneerlijk en eenzijdig leek.

In die tijd ging mijn kleine persoonlijke catastrofe me veel meer aan het hart dan de planetaire, dan de ophoping van broeikasgassen in de atmosfeer, de terugtrekking van de gletsjers en de stijging van de oceanen. Het was vooral om er even tussenuit te kunnen dat ik aan de Corriere della Sera vroeg of ze een accreditatie voor me wilden aanvragen bij de klimaatconferentie in Parijs, ook al was de inschrijftermijn al verstreken. Ik moest dan ook echt bij ze smeken, alsof dit iets was wat ik absoluut niet mocht missen. Ze hoefden alleen maar te betalen voor de vlucht en de artikelen die ik zou schrijven. Een slaapplaats zou ik wel regelen bij een vriend.

Giulio woonde in een donker tweekamerappartement in het veertiende, de Rue de la Gaîté. De Straat van de Vrolijkheid? zei ik toen ik binnenkwam. Niet echt toepasselijk.

Nee, inderdaad. Ik zou me maar niet te veel illusies maken als ik jou was.

Jaren eerder hadden we in Turijn een flat gedeeld, Giulio als student van buiten de stad, ik als rijkeluiszoon die graag op kamers wilde ook al was de uni maar een halfuur met de bus vanaf mijn ouders. In tegenstelling tot mij was Giulio na zijn afstuderen wel in de natuurkunde bezig gebleven. Hij had in talloze steden gewerkt, uitsluitend in Europa omdat hij politiek gezien een onoverkomelijke weerstand koesterde jegens de Verenigde Staten. Intussen was hij getrouwd en gescheiden, had een zoontje gekregen en was ten slotte in Frankrijk neergestreken, met een onderzoeksbeurs aan de École Polytechnique, waar hij zich bezighield met chaostheorieën toegepast op de financiële wereld.

We schepten allebei een bord pasta vol alsof we twintigers waren en aten aan een ongedekte tafel, terwijl ik hem vertelde over de reden van mijn bezoek, de officiële reden tenminste. Giulio ging op een schap naar een boek zoeken. Heb je dit gelezen?

Ik zei nee en liet de rand van de pagina’s onder mijn duim door glijden. Ondergang, mompelde ik, dat klinkt perfect.

Hij heeft een interessante kijk op uitsterving. Hou het maar.

Het woord ‘uitsterving’ bleef even in mijn hoofd hangen, als het label van een persoonlijk lot. Ik ruimde af terwijl Giulio me snel bijpraatte over Adriano, die alweer vier jaar was.

Ik was een beetje slaperig geworden door de koolhydraten, maar de wijn was op, dus gingen we de deur uit zodat we konden blijven drinken.

Buiten was Parijs gemilitariseerd, somber. Nog maar net twee weken daarvoor was een groep aanslagplegers een concertzaal binnengedrongen, tijdens het optreden van de Eagles of Death Metal, en had minutenlang op de dichte menigte geschoten. Andere terroristen hadden bistro’s aangevallen, en twee hadden zichzelf opgeblazen bij het Stade de France. Lorenza en ik hadden die avond een bevriend stel te eten gehad en we waren het te weten gekomen via haar moeder. Lorenza had de eerste keer dat ze belde niet opgenomen en de tweede keer ook niet, maar zoveel aanhoudendheid was verontrustend en uiteindelijk was ze gezwicht. Haar moeder zei zet de tv aan, verder niets, en intussen stroomden de berichten binnen op onze telefoons. Meer dan een uur lang hadden we zwijgend de rechtstreekse verslaggeving zitten volgen, toen waren de vrienden naar huis gegaan, gehoor gevend aan een volkomen irrationele drang om te checken of alles goed was met hun zoon thuis. Lorenza en ik hadden de tv nog lang aan laten staan, terwijl de rode nieuwsbalk continu onder in beeld bleef lopen, maar het waren inmiddels steeds dezelfde teksten. De borden stonden nog op tafel, koud, terwijl er boven op onze ontzetting nog iets anders kwam: een particulier afgrijzen, een gevoel van rouw zonder verlies dat al dagen zwaar over ons appartement hing, om precies te zijn vanaf de nacht dat zij had gezegd ik ben niet meer van plan om, en ik me de andere kant op had gedraaid.

Giulio en ik wandelden een eindje, langs de massagesalons met verduisterde ramen, de seksshops en de Aziatische eettentjes. Toen gingen we bij een willekeurig café zitten, met de stoelen naar de straat gericht, en bestelden twee bier. Hij begon weer over de boeken die hij had gelezen: non-fictie over digitale controle, Arabische lentes en nieuwe populismen. Giulio las eindeloos veel boeken. Hij had een veel complexere blik op de werkelijkheid dan ik, veel geëngageerder, en zo was hij al zo lang als ik hem kende. Op de universiteit was hij twee jaar lang de coördinator geweest van het collectief in zaal B1, in het souterrain, waar No Nuke-posters hingen en een foto van Oriana Fallaci waarop haar voornaam was verminkt tot oriNa, terwijl ik alleen in de lunchpauze afdaalde naar B1 en alleen om bij hem te zijn, alsof zijn gezelschap volstond om mij wat bewuster, wat ethischer te laten worden.

In de Rue de la Gaîté luisterde ik naar zijn verhalen, nippend van mijn bier. Ik liet mijn geest zuiveren door zijn onfeilbare deskundigheid, door het lawaai van de auto’s en door de brownse beweging van de mensen. In de korte stiltes die vielen lieten we allebei onze blik afdwalen, en voor mijn gevoel zagen we op die momenten dezelfde scène voor ons: een zwart spook dat uit de menigte opdook en zijn armen omhoogstak voordat hij het café met mitrailleurschoten doorzeefde. Zoals ik me diep vanbinnen voelde – steriel, beroofd van een toekomst – hoopte ik bijna dat het inderdaad zou gebeuren. Het was een idiote, schuldbewuste fantasie, vervuld van zelfmedelijden, maar die stond ik mezelf toe, ook al zei ik er niets over tegen Giulio. Ik had nooit met hem gesproken over het onderwerp kinderen. Onze vriendschap was er altijd een geweest waarin we discussieerden over de wereld om ons heen en zo min mogelijk over onszelf, en misschien dat die daarom wel al zo lang standhield.

De volgende ochtend nam ik de rer B en daarna een bus naar expositiecentrum Le Bourget, waar de cop21 werd gehouden. De controles bij de ingang waren zenuwslopend, maar eenmaal binnen kon je je vrij bewegen. Paviljoens, kleine of middelgrote zalen, plenaire en parallelle sessies op kleur ingedeeld. Een hostess liet me de perszaal zien met mijn eigen werkplek, internetkabel en alles wat nodig was. Ik deed alsof ik het allemaal al vaak genoeg had gezien.

Nadat ik een paar dagen lang panels had bijgewoond die ik zo’n beetje lukraak uit het programma had gekozen, moest ik erkennen dat er niet bijster veel te vertellen was. Tijdens de bijeenkomsten werd er gediscussieerd over specifieke alinea’s en paragrafen, zelfs over afzonderlijke termen die uiteindelijk in het verdrag zouden worden opgenomen, de lezingen waren in een strak keurslijf gedwongen of juist buitensporig algemeen. Het milieu was een saai onderwerp. Traag, zonder acties of drama’s, behalve dan de eventuele. Maar daarentegen wel overladen met goede bedoelingen. Dat was dus het probleem dat achter de klimaatcrisis schuilde: die gruwelijke saaiheid. Het was regelrecht slaapverwekkend om aanwezig te zijn bij het opstellen van een internationaal akkoord. Ik zou eigenlijk verslag moeten doen van elke millimeter die ze vooruitkwamen en die presenteren als een enorme ommekeer, maar wie zou dat ook maar iets interesseren? Wie, als ik zelf al zat weg te dommelen in de halfdonkere zaaltjes, versuft door de broodjes die ik continu verorberde, in slaap gewiegd door de monotone betogen van de afgevaardigden uit Senegal of Cuba, of in traditionele tuniek gearriveerd vanuit Tibet?

Na vijf dagen had ik nog niet één stuk geschreven. Bij de krant begonnen ze al te vragen wat ik van plan was. Ik ben ermee bezig, verzekerde ik ze, ik ben er bijna uit.

Tijdens het avondeten besprak ik het met Giulio. Het interessantste wat ik ben tegengekomen is een installatie, een mini-Eiffeltoren van op elkaar gestapelde stoelen. Maar dat lijkt me niet genoeg voor een artikel.

Hoe mini?

Hij is zo hoog.

Nee, dan is het niet genoeg.

Ik had voor ons allebei een biefstuk gebakken, in vacuümverpakking gekocht bij een biologische supermarkt. Bedoeld als bedankje. Er was veel rook vanaf gekomen tijdens het bakken, maar daar had Giulio niets van gezegd toen hij binnenkwam.

Ja, het klimaat is echt strontvervelend, beaamde hij.

Ik dacht dat het onderwerp daarmee was afgesloten. Maar toen hij even had nagedacht zei hij: Je zou eens met Novelli kunnen afspreken. Misschien weet hij je wel iets anders te vertellen.

Wie is dat?

Een natuurkundige, net als wij.

Hoe oud?

Onder de vijftig. Hij gaf in Rome wiskundige methoden. Aardige kerel tijdens de colleges, maar een klootzak tijdens het mondeling. Destijds was hij nog fel antikapitalistisch.

Net zoals jij?

Giulio glimlachte: Erger nog. Ik ben hem hier in Parijs weer tegengekomen. Nu houdt hij zich bezig met klimaatmodellen, iets met de wolken. Als je wilt kan ik jullie met elkaar in contact brengen.

Ik haalde waarschijnlijk mijn schouders op, veinzend dat ik erover nadacht, maar ik had me al vastgeklampt aan die mogelijkheid. Alles om maar niet nog een dag te hoeven ronddwalen tussen de echoënde paviljoenen van Le Bourget, terwijl de clichés over de slechte toestand van de planeet door mijn hoofd maalden.

Wat ik niet had verwacht was dat ik diezelfde avond nog door Novelli zou worden ontboden, bij een café in de Rue Monge. Ik ging er lopend naartoe, ook al was het bijna drie kilometer. Gedurende het hele traject hield ik mijn ogen op mijn mobiel gericht, om zo veel mogelijk informatie te vergaren over Jacopo Novelli, PhD. Niet dat er zoveel te vinden was online, hij was destijds nog niet bekend genoeg (noch berucht genoeg) om een Wikipedia-pagina te hebben, maar hij had wel een eigen, wat primitieve website van de WordPress-autodidact. Hij gaf een opsomming van zijn meest recente papers en informatie over zijn college complexe systemen. Er was ook een galerij met foto’s van wolkenhemels, voorzien van korte onderschriften waarmee het soort gasformatie werd geclassificeerd: altostratus, cirrus, cumulonimbus, de nomenclatuur die ik had geweigerd uit mijn hoofd te leren voor het tentamen meteorologie, omdat het maar drie studiepunten opleverde.

Ik heb niet op u gewacht met bestellen, zei Novelli, zonder dat hij zich ook maar in het minst schuldig leek te voelen. Ik had berekend dat u er minder lang over zou doen.

Ik ben komen lopen.

Helemaal vanaf het veertiende?

Hij leek verbijsterd, maar zei verder niets. In plaats daarvan volgde hij mijn blik naar zijn bord, naar de berg eten die daarop lag.

Niet gek, hè? Hier kom ik speciaal voor. Ook al zou je eigenlijk niet zulke grote hamburgers moeten eten. Vanwege de co2-uitstoot uiteraard. Maar vooral ook vanwege je bloedvaten. Maar deze zijn echt onweerstaanbaar. Kijk hier. Hij tilde zijn broodje op om het me van opzij te laten zien.

Alle lagen netjes gescheiden. Sla, kaas, vlees, ui. Niet zo’n knoeiboel die je gewoonlijk krijgt. Bestel er ook een.

Nee, bedankt, ik heb al gegeten. Jammer voor u.

Hij nam een hap, en intussen nam ik de tijd om hem te bestuderen. Hij had het wat afgeleefde voorkomen van bepaalde wetenschappers op het hoogtepunt van hun carrière. Misschien had hij vroeger weinig oog gehad voor zijn kleding, zoals veel natuurkundestudenten (inclusief ikzelf), maar nu besteedde hij daar duidelijk wel aandacht aan.

Kent u het Kesslersyndroom? vroeg hij. Ik schudde mijn hoofd.

Giulio vertelde me dat u wilt praten over het einde van de wereld. Zoals trouwens iedereen tegenwoordig. Ook al zou men daarbij moeten beseffen dat we het niet over het einde van de wereld hebben, hooguit over het einde van de menselijke beschaving, en dat is heel wat anders. Maar goed, terwijl ik hier op u zat te wachten moest ik aan het Kesslersyndroom denken.

Hij zoog wat mayonaise van zijn wijsvinger voordat hij zijn telefoon pakte en een afbeelding zocht. Wat ziet u hier?

Ufo’s? opperde ik, meer voor de grap.

Ufo’s, precies, dat zeggen jullie allemaal. Alleen jammer dat ufo’s niet bestaan en dat dit een echte foto is. Het zijn satellieten die in een reeks zijn gelanceerd door een van die nieuwe Chinese internetbedrijven. U kunt zich geen voorstelling maken van de hoeveelheid metaal die boven onze hoofden rondcirkelt, de lage banen zitten eigenlijk al helemaal vol.

Hij draaide zijn hamburger rond en viel hem opnieuw van de rand aan. Misschien wilde hij het middelste, sappigste gedeelte voor het laatst bewaren.

Stel u voor dat er een boutje losraakt van zo’n satelliet. Dat gebeurt voortdurend, nietwaar? Bouten raken los. Goed, dat boutje vliegt dan met zo’n dertigduizend kilometer per uur rond, dat is een kogel. Met die snelheid kan het gemakkelijk een stalen oppervlak doorboren. Stel u nu eens voor dat die bout tegen een andere satelliet aan vliegt, en dat die uit elkaar knalt en talloze andere metalen kogels in het rond schiet, die weer andere satellieten raken.

Een kettingreactie.

Juist, een kettingreactie. Wat gebeurt er uiteindelijk met al dat rondwervelende materiaal? Niemand die het weet. Maar het zou kunnen dat een deel ervan op aarde neerstort, als een soort meteorietenregen. Dat noemen we het Kesslersyndroom, en zal ik u eens wat zeggen? Dat is een reële dreiging. Mensen denken er niet over na omdat ze het niet weten. De enigen die het weten zijn dezelfde mensen die de satellieten de lucht in schieten, en met het geld dat ze verdienen bouwen ze dan ook atoomschuilkelders. Maar de mensen die hier aan de tafeltjes zitten niet. Die maken zich nu allemaal druk om Islamitische Staat en de opwarming van de aarde, maar feit is dat er talloze onalledaagsere dreigingen zijn. Droogte, vergiftiging van de waterreserves, pandemieën – dat zei hij, dat zei hij echt! –, een robotopstand. Uiteraard nog los van de dreigingen waarvan we denken dat ze inmiddels achterhaald zijn. Zoals die goeie ouwe nucleaire winter.

Terwijl ik naar hem luisterde moest ik even aan mijn vader denken. Zoals hij op zondag achter mijn moeder aan door het huis liep, haar volgend als een drone: naar het washok, naar het balkon, naar de keuken, terwijl hij aan één stuk door praatte over de oliecrisis, de lucht- of lichtvervuiling. Elke maand een andere ramp. Ik vroeg me af of Novelli ook zo’n echtgenoot was. Of ik uiteindelijk ook zo’n echtgenoot was.

En de wolken? vroeg ik.

Novelli trok een grimas. De wolken zijn ingewikkeld. De hoge houden de vochtigheid vast, dus die dragen bij aan de opwarming van de planeet. De lage weerkaatsen het zonlicht, en zorgen dus voor afkoeling. Ze zijn zowel gunstig als ongunstig, nogal lastig dus. Sommigen denken dat we door de klimaatverandering een wereld zonder wolken zullen krijgen. Dag en nacht heldere hemel, 365 dagen per jaar.

Ik neem aan dat sommige mensen dat fijn zouden vinden. Nou, ik niet.

Ik zag dat u foto’s verzamelt op uw website.

Dat is een wedstrijd voor de studenten. Wie de interessantste wolk fotografeert. Maar het staat open voor anderen. U mag gerust meedoen.

Ik fotografeer niet.

Ook goed.

Ik kan niet reconstrueren wat we die avond nog meer tegen elkaar gezegd hebben, ook omdat we best veel tijd samen hebben doorgebracht, eerst buiten bij het café, onder de overmatige hitte van de terrasverwarmers, daarna wandelend langs de Jardin des Plantes. We hadden het beslist over de conferentie van de Verenigde Naties, waar Novelli maar weinig hoop op gevestigd had, en we hadden het over de heimwee die we beiden koesterden naar een bepaalde soort natuurkunde die losstond van de wereld. En na een tijdje vroeg hij me in elk geval zeker of ik hem soms aan het interviewen was.

Volgens mij niet, niet echt.

U mag me best interviewen als u wilt, zei hij, en ik was me bewust van dat moment van ijdelheid te midden van al dat gepraat over het einde van de wereld.

Tijdens de wandeling vroeg hij me op een gegeven moment of ik kinderen had. Ik kaatste de vraag meteen terug: hij? Twee. Hun zoontje was een hele tijd na hun dochter gekomen, die toen al zeven was. Ik merkte op dat dat misschien tegenstrijdig was voor iemand die een toekomst voor zich zag zoals hij die voor zich zag. Ik was onwillekeurig een beetje verstard. Novelli zei: We kunnen alles toch alleen maar overleven door te vertrouwen op onze kinderen?

Toen we aankwamen bij het gebouw waar hij woonde was het gesprek uitgedoofd, de laatste tien minuten hadden we alleen maar gelopen. Er was niemand meer op straat. Met de stilte was ook mijn vrees voor aanslagen teruggekomen, en ik bedacht dat ik niet met de metro terug zou gaan, ook al sloeg dat eigenlijk nergens op. Zelfmoordaanslagen gingen uit van een menigte, een bepaalde spectaculariteit.

Dus wat doet u nou precies? vroeg Novelli, alsof die twijfel de hele avond door zijn hoofd had gespookt.

Ik ben schrijver.

Giulio zei dat u voor een krant werkte.

Ik werk voor een krant maar ik ben schrijver.

Om de een of andere reden was ik teleurgesteld. Alsof ik me had vergist in de bedoeling van de avond en Novelli me een standaardbehandeling had gegeven, de hele riedel vanaf het Kesslersyndroom, allemaal opmerkelijke ideeën die hij precies zo aan een student van hem zou hebben opgedist.

Hij was bezig met zijn sleutels en deed de deur open. Goed. Succes dan maar met uw artikel. Mocht u nog iets willen weten, u hebt mijn nummer.

 

Lorenza had het idee van een vakantie op het eiland laten rijpen toen ik in Parijs was, als een zeer hedendaagse vorm van relatietherapie. Volgens de westerse wijsheid was er geen verdriet dat niet kon worden verholpen met een weekje in de tropen. Na een topconferentie over de klimaatverandering midden in de winter het vliegtuig naar de Caraïben nemen was misschien niet de meest principiële keuze die je kunt maken: naar schatting zo’n duizend kilogram kooldioxide per persoon per vlucht, we zouden in totaal circa vier ton co2 in de atmosfeer uitstoten om de droefheid die zich in ons huwelijk had genesteld te boven te komen. Het was de moeite waard. Mijn ecologische geweten moest dan maar heel eventjes aan de kant worden geschoven.

Er wordt gezegd dat Guadeloupe de vorm van een vlinder heeft. Als dat waar is bevond ons resort zich op de rechtervleugel, in het midden van een kleine inham. Bij aankomst kregen we twee opgerolde, in geparfumeerd water gedrenkte minihanddoekjes aangereikt om ons gezicht te reinigen. De grote bakken op de vloer in de lounge waren bevolkt door kreeften die loom hun voelsprieten bewogen. Zittend op de witte banken, nog versuft van de reis, luister- den we naar de talloze relaxopties die ons ter beschikking stonden en de bijbehorende betalingsmogelijkheden. Aangezien we de toeslag hadden betaald, hadden we recht op een ocean room, die zou ons beslist bevallen, en inderdaad.

Nadat we de koffers hadden uitgepakt gingen we naar het strand om van de laatste zon te genieten. Lorenza had een nieuwe strandjurk met een geometrische print, en legde die op een boomstam die zo goed in de omgeving paste dat hij daar haast niet door de stroming kon zijn achtergelaten. We gingen het water in en op een paar meter van onze benen zwom een rog voorbij, als een gunstig voorteken. Er waren lichte, kabbelende golven. Lorenza klemde haar benen om mijn middel en ik bewoog met sprongetjes door het ondiepe water, haar meevoerend. Niet slecht om weer gewoon een stel te zijn, zei ze in mijn oor. Thuis werden we continu onderbroken: onderbroken door het werk, onderbroken door Eugenio, onderbroken door telefoongesprekken. Ze omklemde me met alle kracht die ze in haar quadricepsen had, ze voelde jonger, en voor het eerst in weken voelde ik een wankeling in mijn ongenoegen, in de stille wrok die ik jegens haar koesterde. Lorenza liet een vochtige hand over mijn gezicht glijden, alsof ze een eind wilde maken aan mijn innerlijke monoloog, waarover dan ook. We kusten elkaar en lieten elkaar toen los, maar bleven evengoed ieder op onze beurt benadrukken wat een prachtige plek het vlindervormige eiland was en dat we er eigenlijk nooit meer weg wilden.

Die perfectie duurde maar tot de avond, toen ik door de buffetzaal achter haar aan begon te lopen, tierend hoe belachelijk het was dat ze drie verschillende menu’s hadden, waaronder een met Japans vlees. En moesten er nou echt per se verse aardbeien zijn in de tropen? En plastic flessen San Pellegrino? Was er nou werkelijk geen mineraalwater te vinden dat dan wellicht niet lokaal werd gebotteld, maar toch in elk geval dichterbij dan zesduizend kilometer? Ineens draaide Lorenza zich om met haar bord in de hand, alsof ze twijfelde of ze het op de grond zou laten vallen of het in mijn gezicht zou smijten, en zei: Jij bent tegen verspilling, dat snap ik en dat respecteer ik. Maar ik ben tegen ongelukkig zijn. Dus.

Dus relax: het sleutelwoord van het hotel. Relax relax relax relax.

De behandeling op basis van lauwwaterbaden en pina colada’s om vier uur ’s middags had effect. De seks tussen ons kwam weer op gang, en dat was uiteindelijk de ware reden waarom we daar waren. Daarna ging Lorenza op haar buik liggen lezen in bed, nog zonder slipje, en ze leek ontspannen. Ik was vrij om opnieuw toenadering te zoeken of om naast haar te blijven liggen, de meest overtuigende passages uit het boek dat Giulio me had geleend onderstrepend en het verlangen uitstellend. Zo zou het huwelijksleven dus moeten zijn, bedacht ik, zo zou het altijd moeten zijn: vol van deze sensualiteit. Misschien had Lorenza gelijk, en waren mijn verwachtingen ten opzichte van het vaderschap te hoog, was ik het slachtoffer geworden van een idealisering. Er waren talloze stellen die zonder kinderen leefden en niets wees erop dat die minder succesvol waren dan de andere, of minder gelukkig. Toch bleef er ook in de ocean room een gevoel van verslagenheid tussen ons hangen, vooral in onze gesprekken, alsof er zelfs in het opperste genot inmiddels een kloof was ontstaan. Ons eigen gat in de ozonlaag.

In Ondergang illustreerde Diamond een soort paradox. Hij legde uit hoe beschavingen, waarvan wij allemaal als vanzelfsprekend aannemen dat ze altijd maar voortschrijden naar welvaart, soms juist de andere kant op evolueren, en onbewust de omstandigheden van hun eigen ondergang creëren. Het opvallendste voorbeeld was dat van Paaseiland: er was lange tijd gedacht dat de bewoners van het eiland waren gedecimeerd door de epidemieën die de Europeanen hadden meegebracht, vooral syfilis en pokken, maar een recentere theorie suggereerde dat hun teloorgang te maken had met de aanwezigheid van de reusachtige beelden die ze als erfenis hadden nagelaten, die raadselachtige, rechthoekige busten die met de rug naar de zee stonden. Om die monolieten te transporteren moesten de bewoners ze namelijk over boomstammen rollen, en om boomstammen te verkrijgen hadden ze het eiland ontbost. Ontdaan van bomen was het ecosysteem op hol geslagen en dat had geleid tot aardverschuivingen, hongersnood en burgeroorlogen. In de laatste periode hadden de eilandbewoners hun toevlucht genomen tot kannibalisme. Tot kannibalisme, stel je voor! zei ik tegen Lorenza.

Zij streelde met een wijsvinger over mijn dij zonder haar ogen van haar boek te halen. Terwijl ze haar gebogen benen scharend door de lucht bewoog op een manier die buitengewoon veel leek op die van de kreeften in de lounge, zei ze: Heb je niks anders te lezen meegenomen?

Halverwege de week gaven we ons op voor een uitstapje naar het binnenland. We hadden er niet echt zin in, maar het was een manier om ons schuldgevoel te verlichten omdat we amper verder waren gekomen dan het strand van het hotel.

We vertrokken ’s ochtends om negen uur in een busje, samen met een Nederlands stel. We volgden een lieflijk pad omhoog en omlaag dwars door het oerwoud, omringd door vogelgeluiden. Alles was weliger, vochtiger, opwindender in dat klimaat. Na de dagen in de zon verschafte de schaduw me een onverwachte verlichting.

Ik was geboeid door de uitleg van de gids over een oorspronkelijk West-Afrikaanse boom die in een rap tempo bezig was de autochtone vegetatie te vervangen. Dichrosta­ chys cinerea was de wetenschappelijke naam, maar in Afrika werd hij ‘kerstboom’ genoemd. In april kwamen er sierlijke geel-paarse bloemen in, waardoor men even vergat hoe schadelijk hij was. Blijkbaar ging ik wat te ver met mijn vragen want de Nederlanders begonnen tekenen van ongeduld te vertonen en Lorenza zuchtte zoals ze soms deed wanneer ik me als het slimste jongetje van de klas gedroeg.

We kwamen weer aan bij de kust. Er was voor de lunch gedekt op een schaduwrijke plek tussen de mangroven. Daar kwamen nog meer groepen bijeen, van andere hotels en touroperators, en die drukte verpestte de sfeer van exclusiviteit die ons tijdens de reserveringsfase nog wel was beloofd. Samen met de Nederlanders namen we een van de houten tafels in beslag, en we installeerden ons extra breed zodat niemand op het idee zou komen zich bij ons te voegen. Ik begon een gesprek met Otto, over de kwaliteit van ons resort en over het feit dat het na de aanslagen van Parijs nog zenuwslopender was geworden om te reizen. Hij was ingenieur, hij werkte in de auto-industrie maar hield zich voornamelijk bezig met marketing. Het thema duurzaamheid ging hem zeer ter harte. We dronken ieder een ti’ punch, daarna een tweede en een derde. Uiteraard bespraken we ook het Creoolse eten en hoe dat op den duur wel wat eentonig werd. Op de terugweg viel ik in het busje in slaap, zo diep dat ik niet eens iets meekreeg van de laatste stop. Toen de anderen weer instapten leken ze door het dolle heen, ook Lorenza.

Ze bezwoeren hoe jammer het was dat ik de koloniale villa had gemist, want die was echt de moeite waard.

De een-na-laatste dag huurden we een auto om een strandje te bezoeken dat de Nederlanders ons hadden getipt: het leven in het resort is een en al strandjes aan elkaar tippen. Toen we opdoken uit het pad door het struikgewas merkten we dat het een naturistenstrand was. Wat doen we? vroeg ik. Lorenza haalde haar schouders op: We zijn hier nu toch.

We kleedden ons uit, stopten onze zwemkleding in de tassen en spreidden de handdoeken op de grond uit, maar het voelde een beetje raar om zo te blijven liggen, dus gingen we het water in. We hadden best lol. Terwijl we op zo’n dertig meter van de kant af dobberden, kwam het Nederlandse stel eraan. Ze hadden ons niet laten weten dat zij ook zouden komen, anders hadden we waarschijnlijk een andere bestemming gekozen. Prachtig, hè? zei Otto.

Lorenza begon met de vrouw te praten, die aardig verbrand was, haar huid zat vol rode vlekken en de witte aftekening van haar bikini. Onder water leken haar benen volumineuzer door de afbreking van de zonnestralen.

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief