leesfragment

‘Verlaten’ van Jane Harper

Na De droogte en Wildernis komt de Australische Jane Harper met haar nieuwe thriller, een standalone. Kenners zijn overtuigd; met Verlaten overtreft ze de verwachtingen en overstijgt ze het thrillergenre. Dat maakt natuurlijk nieuwsgierig… Lees hier alvast het eerste hoofdstuk van Verlaten!

In de eenzame outback van Australië staan twee broers bij de omheining die hun boerderijen van elkaar scheidt. Ze zijn elkaars dichtstbijzijnde buren, hun huizen liggen drie uur rijden van elkaar. De derde broer ligt dood aan hun voeten.
Cameron maakte zich ergens zorgen over. Besloot hij om zelf zijn dood tegemoet te lopen? Als hij dat niet heeft gedaan, blijven er in deze afgelegen omgeving maar weinig verdachten over.
Eenmaal thuis bij de achtergebleven familie wordt het wankele evenwicht op de boerderij verstoord. Niet alleen verdriet, maar ook verdenkingen spelen hoog op…

1

Nathan Bright kon eerst niets zien, en toen zag hij opeens alles.

Hij was de heuvel op gereden met zijn handen stevig om het stuur omdat het hobbelige terrein probeerde hem de controle af te nemen, en plotseling lag het daar allemaal voor hem. Zichtbaar, maar evengoed nog kilometers ver weg, wat hem te veel minuten de tijd gaf om het tafereel in zich op te nemen terwijl dat steeds dreigender dichterbij kwam. Hij keek even naar de bijrijdersstoel.

‘Niet kijken,’ kwam hij in de verleiding om te zeggen, maar hij deed het toch maar niet. Het had geen zin. Je blik werd ernaartoe gezogen.

Toch parkeerde hij de auto verder van het hek dan nodig was. Hij trok de handrem aan en liet de motor en de airconditioning draaien. Allebei protesteerden ze met een schurend gekrijs tegen de decemberhitte van Queensland.

‘Blijf in de auto,’ zei hij.
‘Blijf in de auto,’ zei hij.

‘Maar…’

Nathan knalde het portier dicht voordat hij de rest kon horen. Hij liep naar het hek, trok de bovenste ijzeren draden uit elkaar en klom erdoor, van zijn kant naar die van zijn broer.

Er stond een terreinwagen geparkeerd in de buurt van het graf van de veedrijver, ook met de motor nog draaiend en de airconditioning op de hoogste stand, ongetwijfeld.

Nathan liep van het hek vandaan op hetzelfde moment dat het bestuurdersportier openging en zijn jongste broer uitstapte.

G’day,’ riep Bub toen Nathan dichtbij genoeg was om het te horen.

‘G’day.’

Bij de grafzerk bereikten ze elkaar. Nathan wist dat hij op een gegeven moment omlaag zou moeten kijken. Hij stelde het moment uit door zijn mond open te doen.

‘Wanneer heb je…’ Hij hoorde beweging achter zich en wees. ‘Hé! Blijf godverdomme in de auto!’ Hij moest schreeuwen om de afstand te overbruggen en het kwam er botter uit dan hij had bedoeld. Hij probeerde het opnieuw.

‘Blijf in de auto.’

Niet veel beter, maar zijn zoon luisterde tenminste.

‘Ik was vergeten dat je Xander bij je had,’ zei Bub.

‘Ja.’ Nathan wachtte tot het portier met een klik dichtging.

Hij was godzijdank wel met een verschoten dekzeil bedekt.
Hij kon het silhouet van Xander door de voorruit zien; met zijn zestien jaar tegenwoordig meer man dan jongen. Hij draaide zich weer om naar zijn broer. Degene die voor hem stond, tenminste. De derde broer, de als middelste geboren Cameron Bright, lag aan hun voeten bij het voetstuk van de grafzerk. Hij was godzijdank wel met een verschoten dekzeil bedekt.

Nathan probeerde het opnieuw. ‘Hoe lang ben je hier al?’

Bub dacht even na voordat hij antwoord gaf, zoals hij vaak deed. Hij had enigszins hangende oogleden onder de rand van zijn hoed, en zijn woorden kwamen er een fractie trager uit dan het gemiddelde spreektempo. ‘Sinds gisteravond, net voordat het donker werd.’

‘Komt oom Harry niet?’

Weer een pauze, en daarna schudde hij zijn hoofd.

‘Waar is hij? Thuis bij mama?’

‘En Ilse en de meisjes,’ zei Bub. ‘Hij bood het aan, maar ik zei dat jij al onderweg was.’

‘Waarschijnlijk beter dat er iemand bij mama is. Heb je nog problemen gehad?’ Nathan keek eindelijk naar de bundel bij zijn voeten. Zoiets zou de aaseters aantrekken.

‘Bedoel je dingo’s?’
‘Bedoel je dingo’s?’

‘Ja, mate.’ Natuurlijk. Wat anders? Er was niet veel keuze daar op de open vlakte.

‘Heb een paar keer moeten schieten.’ Bub krabde aan zijn sleutelbeen en Nathan kon het puntje van de meest westelijke ster van zijn Zuiderkruistatoeage zien. ‘Maar het was niet erg.’

‘Mooi. Oké.’ Nathan herkende de vertrouwde frustratie die hoorde bij praten met Bub. Hij wenste dat Cameron er was om de plooien glad te strijken en voelde plotseling een scherpe steek onder zijn ribben toen het weer tot hem doordrong. Hij dwong zichzelf diep adem te halen, de lucht heet in zijn keel en longen. Dit was voor iedereen moeilijk.

Bubs ogen waren rood en zijn gezicht ongeschoren en zwaarmoedig van de shock, net als bij Nathan zelf, nam hij aan. Ze leken een beetje op elkaar, maar niet veel. De verwantschap tussen de broers werd duidelijker met Cameron in het midden, die de kloof op meer dan één manier overbrugde. Bub zag er moe uit en, zoals tegenwoordig altijd, ouder dan Nathan zich kon herinneren. Met twaalf jaar leeftijdsverschil was Nathan nog steeds een beetje verbaasd als hij zag dat zijn broer begin dertig was in plaats van nog in de luiers.

Nathan hurkte naast het dekzeil. Dat was verbleekt door het weer en was op sommige plekken strak ingestopt, als een laken.

‘Heb je gekeken?’

‘Nee. Ze zeiden dat ik niets mocht aanraken.’

Nathan geloofde er onmiddellijk helemaal niets van. Het was zijn toon of misschien de manier waarop het laken aan de bovenkant lag. En inderdaad, toen hij een hand uitstak, maakte Bub een geluid in zijn keel.

‘Niet doen, Nate. Het is niet fraai.’
‘Niet doen, Nate. Het is niet fraai.’

Bub was nooit goed in liegen geweest. Nathan trok zijn hand terug en stond op. ‘Wat is er met hem gebeurd?’

‘Dat weet ik niet. Gewoon wat er op de radio werd gezegd.’

‘Ja, daar heb ik niet zoveel van meegekregen.’ Nathan keek Bub niet echt aan.

Bub verplaatste zijn gewicht naar zijn andere been. ‘Ik dacht dat je mama had beloofd dat je hem aan zou laten, mate.’

Nathan gaf geen antwoord en Bub drong niet aan. Nathan keek achterom over het hek naar zijn eigen land. Hij kon Xander zien, die onrustig op de bijrijdersstoel zat. Ze hadden de afgelopen week langs de zuidelijke grens gereden, overdag werkend en ’s nachts kamperend. Gisteravond hadden ze op het punt gestaan hun gereedschap neer te leggen toen de lucht om hen heen was begonnen te trillen doordat er een helikopter boven hun hoofd langsvloog. Een zwarte vogel tegen de indigokleurige laatste stuiptrekkingen van de dag.

‘Waarom vliegt hij nog zo laat?’ had Xander gevraagd, omhoog turend. Nathan had geen antwoord gegeven.

’s Avonds vliegen. Een gevaarlijke keuze en een onheilspellend teken. Er was iets aan de hand. Ze hadden de radio aangezet, maar toen was het al te laat.

Nathan keek nu naar Bub. ‘Luister, ik heb genoeg gehoord. Wat niet wil zeggen dat ik het begrijp.’

Bubs ongeschoren kaak vertrok. Je bent niet de enige. ‘Ik weet niet wat er gebeurd is, mate,’ zei hij weer.

Je bent niet de enige.
‘Dat is niet erg, vertel me wat je wel weet.’

Nathan probeerde zijn ongeduld te beteugelen. De avond ervoor had hij even via de radio met Bub gesproken, toen het donker werd, om te zeggen dat hij erheen zou rijden zodra het licht werd. Hij had nog wel honderd vragen gehad, maar had geen ervan gesteld. Niet op een open frequentie waarop iedereen die wilde luisteren kon afstemmen.

‘Wanneer is Cam van huis vertrokken?’ vroeg Nathan toen Bub niet leek te weten waar hij moest beginnen.

‘Eergisterochtend, zei Harry. Rond achten.’

‘Woensdag dus.’

‘Ja, ik denk het. Maar ik heb hem niet gezien, want ik was zelf op dinsdag vertrokken.’

‘Waarheen?’

‘Om een paar van die waterputten helemaal in het noordelijke weiland te controleren. Ik was van plan om daar te kamperen en daarna op woensdag naar Lehmann’s Hill te rijden, waar ik met Cam had afgesproken.’

‘Hoezo?’

‘Om de repeatermast te repareren.’

Nou ja, zodat Cam hem kon repareren, dacht Nathan.

Bub zou daar voornamelijk zijn geweest om de moersleutel aan te geven. En omdat het met zijn tweeën veiliger was.

Lehmann’s Hill lag aan de westelijke rand van het stuk land, vier uur rijden van huis. Als de repeatermast in dat gebied was uitgeschakeld, was het langeafstandsradiocontact dat ook.

‘Wat is er verkeerd gegaan?’ vroeg Nathan.
‘Wat is er verkeerd gegaan?’ vroeg Nathan.

Bub staarde naar het dekzeil. ‘Ik kwam wat later aan. We hadden rond enen afgesproken, maar ik had oponthoud onderweg. Ik bereikte Lehmann’s Hill pas een paar uur later.’

Nathan wachtte.

‘Cam was er niet,’ vervolgde Bub. ‘Ik vroeg me af of hij er al was geweest en weer was weggegaan, maar de mast stond nog steeds uit, dus het leek me waarschijnlijk van niet. Ik heb de radio geprobeerd, maar die had geen ontvangst. Dus heb ik een tijdje gewacht, en toen ben ik richting de zandweg gereden. Ik dacht dat ik hem wel tegen zou komen.’

‘Maar dat was niet zo.’

‘Nee. Ik bleef de radio proberen, maar geen teken van hem.’ Bub fronste. ‘Ik reed ongeveer een uur, maar ik had de weg nog steeds niet bereikt, dus moest ik stoppen. Omdat het donker werd, je weet wel.’

Van onder de rand van zijn hoed vroegen zijn ogen om geruststelling en Nathan knikte.

‘Je kon niet veel anders.’ Het was waar. De nacht was een volmaakt zwarte sluier daar bij Lehmann’s Hill. Als je daar in het donker reed, was het alleen de vraag of de auto tegen een rots of een koe zou botsen of dat hij van de weg af zou raken. En dan zou Nathan twee broers met een zeil hebben moeten bedekken.

‘Maar je werd ongerust?’ vroeg Nathan, hoewel hij het antwoord wel kon raden.

Bub haalde zijn schouders op. ‘Ja en nee. Je weet hoe het is.’

‘Ja.’ Dat wist Nathan. Ze woonden in een land van extremen, in meer dan één opzicht. Mensen waren ófwel piekfijn in orde, óf helemaal niet. Er zat maar heel weinig tussenin.

Mensen waren ófwel piekfijn in orde, óf helemaal niet.
En Cam was niet de een of andere toerist. Hij kon zich redden, en dat betekende dat hij zich best een halfuur voor hem uit kon bevinden, opgehouden door de duisternis en buiten bereik, maar lekker op pad met een koel biertje uit de koelkast in zijn kofferbak. Maar misschien ook niet.

‘Niemand beantwoordde de radio,’ zei Bub. ‘Er is daar verdomme nooit iemand in deze tijd van het jaar, en nu de mast kapot is…’ Hij gromde van frustratie.

‘Dus wat heb je gedaan?’

‘Begon ’s ochtends vroeg te rijden, maar het duurde evengoed nog eeuwen voordat iemand opnam.’

‘Hoe lang?’

‘Geen idee.’ Bub aarzelde. ‘Waarschijnlijk een halfuur om bij de weg te komen, daarna nog een uur. Zelfs toen waren het alleen maar een paar van die stomme stagiairs van daar bij Atherton. Jezus, het duurde eeuwen voordat ze de bedrijfsleider te pakken kregen.’

‘Ze huren altijd sukkels in bij Atherton,’ zei Nathan, die aan het aangrenzende veebedrijf ten noordoosten van hen dacht. Dat strekte zich uit over een gebied met de omvang van Sydney. Het werd, zoals hij had gezegd, gerund door sukkels, maar in die omgeving waren zij nog steeds de beste optie om contact met iemand te krijgen. ‘Dus zij sloegen alarm?’

‘Ja, maar tegen die tijd…’ Bub zei niets meer. Tegen die tijd had er al ongeveer vierentwintig uur lang niemand meer iets van zijn broer gezien of gehoord, berekende Nathan. De zoektocht bevond zich allang in de urgente fase voordat hij zelfs maar was begonnen. Volgens protocol zou elk bedrijf in de omgeving op de hoogte worden gesteld en was het alle hens aan dek, voor zover dat zin had. Met die afstanden waren er maar weinig hens en kon het heel lang duren voordat ze aan dek waren.

‘De piloot heeft hem gevonden?’

‘De piloot heeft hem gevonden?’
‘Ja,’ zei Bub. ‘Uiteindelijk.’

‘Ken jij hem toevallig?’

‘Nee, het is een seizoenarbeider die in de buurt van Adelaide is gevestigd. Werkt dit seizoen op Atherton. Een of andere politieagent heeft hem via de vliegtuigradio te pakken gekregen, en tegen hem gezegd dat hij over moest vliegen en de wegen afspeuren.’

‘Glenn?’

‘Nee. Iemand anders. Van de politiecentrale of zoiets.’

‘Aha,’ zei Nathan. Het was nog een geluk dat de piloot Cameron überhaupt had gezien. Het graf van de veedrijver lag tweehonderd kilometer van Lehmann’s Hill en het belangrijkste zoekgebied af. ‘Wanneer heeft hij het gemeld?’

‘In de middag, dus de meeste mensen hadden Lehmann’s nog niet eens bereikt. Zo ongeveer alleen Harry en ik waren nog maar in de buurt, maar ik was ongeveer een uur dichterbij, dus zei ik dat ik er wel heen zou rijden.’

‘En Cam was absoluut zeker dood?’

‘Dat is wat de piloot zei. Al een paar uur, zo te horen. Toch kwam die agent aan de radio en liet hij hem allemaal van die controles uitvoeren.’ Bub trok een grimas. ‘Ik bereikte de plek tegen zonsondergang. Die kerel had Cam toegedekt zoals hem was gezegd, maar hij stond te popelen om weer te vertrekken. Wilde weg voordat het donker werd en hij daar moest blijven.’

Logisch, dacht Nathan. Hij zou er ook niet hebben willen blijven. Hij voelde zich schuldig dat de taak aan Bub was toegevallen.

‘Als Cam jou bij Lehmann’s Hill had moeten ontmoeten, wat deed hij dan hier?’
‘Als Cam jou bij Lehmann’s Hill had moeten ontmoeten, wat deed hij dan hier?’

‘Weet ik niet. Harry zei dat hij in de planner had geschreven dat hij naar Lehmann’s ging.’

‘Verder niets?’

‘Volgens Harry niet.’

Nathan dacht na over die planner. Hij wist waar hij lag, naast de telefoon bij de achterdeur van het huis dat ooit van hun vader was geweest en daarna dat van Cameron was geworden. Nathan had er in zijn jeugd zelf heel vaak in geschreven. Hij had er ook heel vaak niet in geschreven, als hij het was vergeten of als hij er geen zin in had gehad, of als hij niet wilde dat iemand wist waar hij naartoe ging, of als hij geen pen kon vinden.

Hij kon de hitte op zijn nek voelen drukken en hij keek op zijn horloge. De digitale cijfers waren bedekt met fijn rood gruis en hij veegde er met zijn duim overheen.

‘Hoe laat komen ze?’ Met ‘ze’ bedoelde hij de politie en het ambulancepersoneel. Twee mensen. Van allebei een.

Geen team, niet daar.

‘Weet ik niet precies. Ze zijn onderweg.’

Dat betekende echter niet dat ze er snel zouden zijn.

Nathan keek weer omlaag naar het dekzeil. Naar de sporen in de aarde.

‘Zag hij er gewond uit?’
‘Zag hij er gewond uit?’

‘Volgens mij niet. Ik heb niets gezien. Alleen verhit en dorstig.’ Bubs gezicht was omlaag gericht terwijl hij met de neus van zijn laars de rand van de aarden cirkel aanraakte.

Geen van beide broers sprak het uit. Ze wisten allebei wat het betekende. Ze hadden vergelijkbare patronen gezien die door stervende dieren waren gemaakt. Toen kwam er een gedachte bij Nathan op en hij keek om zich heen.

‘Waar zijn al zijn spullen?’

‘Zijn hoed ligt onder het dekzeil. Hij had niets anders bij zich.’

‘Wat, niets?’

‘De piloot zei van niet. Ze hadden hem gezegd dat hij onderzoek moest doen, dat hij wat foto’s moest nemen. Hij zei dat hij verder niets zag.’

‘Maar…’ Nathan verkende de grond opnieuw. ‘Helemaal níéts? Niet eens een lege waterfles?’

‘Volgens mij niet.’

‘Heb jij wel goed gekeken?’

‘Je kunt het toch zelf zien, mate? Je hebt toch ogen?’

‘Maar…’

‘Ik weet het niet, oké? Ik heb geen antwoorden. Hou op met vragen.’

‘Ja, goed dan.’ Nathan haalde diep adem. ‘Maar ik dacht dat de piloot de auto had gevonden?’

‘Dat heeft hij ook.’

De koeien hebben meer verstand dan die idioot van een Bub.
‘Waar is die dan?’ Hij nam niet meer de moeite zijn frustratie te verbergen. De koeien hebben meer verstand dan die idioot van een Bub, zoals hun vader vroeger altijd zei.

‘Vlak bij de weg.’

Nathan staarde naar hem. ‘Welke weg?’

‘Hoeveel wegen zijn er? Onze weg. Deze kant van de grens, iets ten noorden van jouw veerooster. Jezus, dit was allemaal op de radio, mate.’

‘Dat kan niet. Dat is tien kilometer verderop.’

‘Acht, volgens mij, maar inderdaad.’

Het bleef lang stil. De zon stond hoog aan de hemel en het streepje schaduw dat de grafsteen wierp was tot bijna niets geslonken.

‘Dus Cam heeft zijn auto achtergelaten?’ Onder Nathans voeten kantelde de aarde een heel klein beetje om zijn as.

Hij zag de blik op het gezicht van zijn jongere broer en schudde zijn hoofd. ‘Sorry, ik weet dat jij het ook niet weet, alleen…’

Hij keek langs zijn broer naar waar de horizon langgerekt en stil uitgestrekt lag. De enige beweging die hij kon zien was de borst van Bub, die bij elke ademhaling uitzette en weer ingetrokken werd.

‘Ben je al bij de auto geweest?’ vroeg Nathan ten slotte.

‘Nee.’

Deze keer vertelt hij de waarheid, dacht Nathan. Hij keek over zijn schouder. Xander vormde een donkere gestalte die voorovergebogen op zijn stoel zat.

‘Laten we gaan.’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief