leesfragment

[Leesfragment] ‘Terugkeer uit het Noorden’ van Maja Wolny”

Maja Wolny is een Vlaams-Poolse auteur en Terugkeer uit het Noorden is haar nieuwste roman. Dit boek neemt je mee op een fascinerende reis door onwerkelijke Siberische dorpen. Werkelijkheid vermengt zich met dromen, het verleden met het heden en geschiedenis met verzinsels.

Op het station in Moskou neemt Olga Forys een late trein voor wat een droomreis door Siberië moet worden. De sfeer zit helemaal goed, maar wanneer de wagons leeglopen, de gsm’s geen bereik meer hebben en de trein lijkt af te wijken van de route, worden Olga en haar medereizigers ongerust. De daaropvolgende gebeurtenissen zullen hun levens voor altijd veranderen..

‘Subtiele literatuur van het hoogste allooi.’
— Olga Tokarczuk, winnares Nobelprijs Literatuur 2018

‘Maja Wolny is een slimme denker, een grote persoonlijkheid en een goeie kijker.’
— Schrijfster Griet Op de Beeck

Leesfragment:

[…]
De bekende druk op mijn sla­pen wordt erger. Ik kan het risico niet nemen, dus loop ik terug naar mijn stoeltje dat met een metalen stang vastzit aan de andere  stoeltjes, zodat ze niet verschoven kunnen worden. Mijn buurman had zijn naar worst geurende tas er al op gezet en neemt die mop­perend weer op schoot. Ik ben er bijna, ik kan zo op het zitje ploffen, het glazen flesje zoeken dat ik altijd bij me heb. De Poolstalige mannen verdwijnen uit het zicht. Ik hoor een verontrustend gezoem, ik hoop nog dat het maar een insect is of geluid uit de luidspreker. Ik tast naar het stationsstoeltje, maar vind leegte en ik tuimel in dezelfde put als altijd, waar ik met moeite uit gehaald moet worden, bijgebracht met klappen in mijn gezicht en een onbegrijpelijke stroom woorden. Het insectengezoem gaat maar niet weg, pulse­rende golven proberen mijn schedel te laten barsten. Ik schud mijn hoofd uit protest. Ik val nog verder, ik ben onder de vloer, onder het spoor, onder de eeuwige sneeuw en de permafrost, het wordt warmer, ik nader de kern van de aarde. Licht. Vuur. Ik zie een onbekend gezicht boven me, een hoog, gefronst voorhoofd en dikke wenkbrauwen. Ik hoor een taal die ik ken, maar ik kan nog niets zeggen. Even later wordt het stil en kom ik weer boven. Zoals altijd als ik uit de put ben gekomen, schaam ik me heel erg en ben ik degene wiens gezicht ik als eerste zie, dankbaar. Nu ben ik nog hier, maar straks ben ik weg. 

Ik tast naar het stationsstoeltje, maar vind leegte en ik tuimel in dezelfde put als altijd, waar ik met moeite uit gehaald moet worden, bijgebracht met klappen in mijn gezicht en een onbegrijpelijke stroom woorden.

Olga Forys komt langzaam weer bij haar positieven en de man die over haar gebogen staat, let op haar slanke polsen en fijne voeten. De borsten van de vrouw, bedekt door een te ruime jas, kan hij niet goed zien, maar hij stelt zich voor dat ze groot zijn en een fraaie vorm hebben. Onder haar hoofd schuift hij zijn eigen jas, die hij moedig heeft uitgetrokken, waarmee hij de interesse wekt van de naar knoflook stinkende en ogenschijnlijk onbewogen man naast hem. Enkele sporters in trainingspakken willen komen hel­pen, maar de onbekende sust hun enthousiasme met een opgestoken duim; het is oké. De andere kijkers merkt hij niet op: de jongen met de koptelefoon, twee tienermeisjes en een vrouw in uniform die door een portofoon praat. Ze observeren de scène van het flauwvallen allemaal, alsof ze net bij de tv zijn weggelopen en even zelf heb­ben kunnen figureren in een nieuwe serie.

Olga’s ogen gaan langzaam open. Er is niets dan vermoeidheid, ze komt van ver en weet niet op welk moment van de tijdlijn ze terechtkomt en met wie ze de volgende minuut van haar leven zal doorbrengen. Ze probeert iets te zeggen, maar de man begrijpt het niet: die taal is hij niet machtig. Hij spreekt haar aan in het Engels, wil haar met zijn stem weglokken van de plek waar ze was, ze mogen nu het contact niet verliezen. Een van de kijkers, een kleine blonde man met een vriendelijke blik, geeft haar redder een fles water, die hij eerst tegen haar wangen houdt, en wanneer hij ziet dat die niet meer zo wit zijn, brengt hij die onhandig naar haar volle, maar nog bleke mond. Olga komt op haar ellebogen overeind, neemt een slok en sluit haar ogen, alsof ze wil verdwijnen.
‘Heb je pijn?’ vraagt de man, en zij schudt van nee.
Even later komt ze overeind. Ze leunt op zijn schouder en begint heel vlug in haar schoolse Engels te praten. 

Hij spreekt haar aan in het Engels, wil haar met zijn stem weglokken van de plek waar ze was, ze mogen nu het contact niet verliezen.

Ze recht haar rug, ze is nog zwak, maar ze weet dat het goed­komt. Ze glimlacht naar de man met de zware wenkbrauwen. Hij vertelt dat ze dezelfde kant op gaan. De vertraging bedraagt al veertig minuten. Olga wil iets grappigs of interessants zeggen, maar in de vreemde taal die ze alleen binnen het opgelegde vocabu­laire van de overeenkomsten en contracten op haar werk gebruikt, schiet haar niets te binnen. Gelukkig neemt de man het initiatief en hij vertelt een paar dingen over zichzelf, en zo leert Olga dat de naam Dirk bestaat en de stad Gent. Pas later dringt tot haar door dat ze die stad kent onder de Poolse naam Gandawa. Toen ze nog met Jan was, had ze wel eens over een vakantie in de Benelux nage­dacht. Een of twee dagen in Amsterdam, dan Brugge, Brussel en ten slotte het piepkleine Luxemburg, waar ze helemaal geen voor­stelling van had. ’s Avonds zouden ze in de auto stappen, de hele nacht doorrijden en alleen stoppen bij benzinestations voor koffie. Hij zou haar instoppen en zeggen te slapen, net als toen ze onder­weg waren naar de Baltische Zee. Hij zou zelf geen oog dichtdoen.
Dirk is verbaasd dat Olga nog nooit in West­-Europa is geweest. Hij maakt snel de rekensom: ze is rond de dertig, en hij had op haar leeftijd al de beide Amerika’s en Australië bereisd, om maar te zwij­gen van Europa. Zijn organisatie had ook contacten in Afrika, maar hij kwam er pas de laatste jaren regelmatig. Oost­-Europa en Azië is voor hem onbekend terrein. In deze stad is hij voor het eerst. Nooit heeft hij langer dan drie uur in de trein gezeten.

Olga weet zich maar niet te ontdoen van de gedachte, die onge­makkelijk is als knellende schoenen, dat ze zoekend naar woorden in een vreemde taal iemand anders wordt: minderwaardig, minder verfijnd en saai. Haar Engels is niet gesmeerd, het piept en kraakt, het loopt vast, weigert te gehoorzamen. Olga zoekt koortsachtig naar een onderwerp waarmee ze de man zou kunnen bewijzen dat iets in haar de moeite waard is, maar er schiet haar niets te bin­nen. Haar hoge en goedbetaalde functie is lastig in een paar woor­den te omschrijven. Het heeft geen zin om te vertellen dat ze na haar cum laude afgeronde studie filosofie tegen de zin van Jan afzag van assistentschap aan de Universiteit van Warschau en koos voor een leven ver van de ideeënwereld, voor schijnbare kennis en bank­praxis. Ze weet de stilte niet te verbreken.

Dirk uit Gent schiet haar weer te hulp en vraagt bezorgd of ze wel vaker flauwvalt. Ze aarzelt, ze weet niet wat ze moet ant­woorden. Geforceerd nonchalant zegt ze dat dat soms gebeurt.
‘Ik ben nog nooit flauwgevallen’, zegt hij belangstellend.
‘Wordt het helemaal zwart, of zie je of voel je dan iets?’
‘Je voelt niets’, liegt Olga.

Dan hebben ze het over de reis. Dirk laat haar een kleurrijke reis­gids zien en prints van populaire reisblogs. Olga zegt dat ze op moeten passen met de klokken, omdat de vertrektijden van de treinen altijd in Moskouse tijd en niet in de lokale tijd worden ver­meld, en dat die verschillen een paar uur bedragen. Dirk begint een beetje ongerust te worden. Hij vraagt of ze Russisch spreekt. Olga denkt aan het kinderliedje, herinnert zich het woord spasibo* en het schoolse tsjto eto?** Ze zegt tegen Dirk dat ze veel verstaat omdat het een Slavische taal is, maar dat ze moeite heeft met spre­ken. Ouderen hebben tot hun eindexamen verplicht Russisch gehad, maar zij alleen op de basisschool.

Opeens wordt er iets omgeroepen wat ervoor zorgt dat de baboesjka’s, de sporters en de meisjes opspringen en naar het per­ron lopen. Olga bedankt Dirk nog eens en zegt dat ze elkaar vast wel in de restauratiewagon zullen tegenkomen. Hij glimlacht koeltjes en loopt kalm achter de menigte aan, na er kennis van te hebben genomen dat het nu weer ieder voor zich is. Wanneer Olga op het perron op de kaartjescontrole staat te wachten, ziet ze dat de jongen met de koptelefoon met de twee Polen praat die ze net op het station heeft gezien. Ze stappen in dezelfde wagon als Dirk vlak daarvoor. Olga heeft een eersteklaskaartje, ze moet naar een andere sector, achter de restauratiewagon. Ze heeft een tweepersoonscoupé tot haar beschikking, ze kan de deur vanbin­nen op slot doen. Ze zou het niet zo lang met een onbekende vol kunnen houden, ze zou niet zomaar met een vreemde in dezelfde ruimte de slaap kunnen vatten.

De coupé is niet veel groter dan twee bij anderhalve meter. De slaapbanken zijn gedekt met wit ziekenhuisbeddengoed. Bij het raam staat een tafeltje waarop als enige, dubieuze versiering een plastic vaas met een kunstbloem staat. Olga gooit haar rugzak op de grond, doet haar schoenen uit en installeert zich in het kamer­tje. Aan de andere kant van de ruit verdwijnt langzaam het ont­volkte perron, het diffuse licht van de lampen begeleidt de wagons het duister in.

[…]

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief