leesfragment

‘Over de grens’ van Mechtild Borrmann

Een jong meisje probeert vlak na de oorlog met koffiesmokkel haar familie te onderhouden. Maar dan gaat het mis…

Mechtild Borrmann schrijft met Over de grens  een aangrijpende roman van een verloren Duitse jeugd. Gebaseerd op een duister hoofdstuk uit de Duitse naoorlogse geschiedenis: kindertehuizen in de jaren vijftig.

Ben je benieuwd naar dit verhaal? Lees hier alvast de eerste pagina’s van Over de grens!

Proloog

Over Henriette Bernhard, geboren Schöning, zal het hier gaan. Over haar moed en overmoed, over haar geluk en ongeluk, over haar schuld en onschuld en de behoefte om het juiste te doen.

Als kind was ze een echte wildebras, zo eentje die geen angst leek te kennen en voortdurend haar grenzen aftastte. Die altijd op het uiterste randje van een steile helling balanceerde en nooit op zijsprong, ook niet als de steentjes onder haar voeten loskwamen en dertig meter naar beneden vielen. Die op haar handen lopend de speelplaats overstak, urenlang over de Hoge Venen rondstruinde, waar ze met een bijna griezelig soort van zekerheid altijd weer begaanbare paden door het hoogveen vond.

Haar lach is in de herinnering gebleven, een lach zo vol en diep dat hij elke ruimte leek te vullen. De onderwijzeres van de eerste klas noemde het een valse lach, omdat hij altijd een beetje minachtend klonk, maar dat was hij niet.

Jaren later, toen het gehoor gevoelig was geworden voor nuances, konden degenen die haar goed kenden de vertwijfeling erin horen en tegelijk de levenshonger, de twee polen in haar die ze haar leven lang met de precisie van een apothekersweegschaal in evenwicht probeerde te brengen en te houden.

Lange tijd wist ze het evenwicht te bewaren door elke gram levensvreugde het dubbele gewicht toe te kennen.
Lange tijd wist ze het evenwicht te bewaren door elke gram levensvreugde het dubbele gewicht toe te kennen. Uiteindelijk volstond ook dat niet.

De poging vat op haar te krijgen, haar leven chronologisch en waarheidsgetrouw te reconstrueren, is een onmogelijke opgave gebleken. De getuigen hebben hun herinneringen opgeschoond, soms uit een behoefte haar geen onrecht te doen, maar vaak ook om zichzelf in een gunstig daglicht te stellen. Waarschijnlijk bezondigt iedereen zich daar weleens aan, maar in dit geval zijn de hiaten en de ver uit elkaar liggende waarheden pijnlijk. Hoe is het mogelijk haar recht te doen als je moet toegeven dat die ene waarheid over haar niet bestaat en nooit heeft bestaan?

Ook in de politiedossiers is die niet te vinden, daar al helemaal niet.

En als je tenminste nog zou kunnen zeggen waar het allemaal mee is begonnen! Als je tenminste zou kunnen zeggen: op die en die dag, toen is alles misgegaan. Maar zo eenvoudig is het niet.

 1

Velda, najaar 1970

Woensdag is er weer een zitting, de uitspraak is over twee weken. ‘In naam van het volk,’ zal de rechter zeggen, en dan zal hij rechtspreken.

De kranten volgen het proces op de voet. De regionale krant had het over ‘bewezen schuld’ en ‘onweerlegbare bewijzen’ en een landelijke krant schrijft: ‘De leugens van Henriette B.’ Verderop viel nog te lezen dat Henriette – die altijd kortweg Henni werd genoemd – zich al op zeventienjarige leeftijd schuldig had gemaakt aan strafbare feiten en sindsdien keer op keer met politie en justitie in aanraking is gekomen.

In de ketel op het fornuis begint het water te koken. Elsa Brennecke staat met haar handen op de keukentafel steunend op. ‘Jaja, de mensen maken het zich graag gemakkelijk. Net zoals het hun uitkomt. Hier wat verzwijgen, daar wat toevoegen en klaar is de nieuwe waarheid!’

Haar bastaardhond Sam ligt onder de tafel. Hij tilt zijn kop op, luistert even en legt hem dan weer terug op zijn voorpoten. Elsa’s linkerbeen is wat korter, een omstandigheid die haar ouders toen ze nog klein was hebben genegeerd. Ze trok altijd wat met haar been, en haar vader had gezegd: ‘Dat groeit er vanzelf wel uit.’ Toen het hompelen steeds erger werd en ze over pijn begon te klagen, werd er eindelijk een arts geraadpleegd. Maar toen was het te laat. Haar bekken stond scheef en haar wervelkolom had dat gecompenseerd met een zijwaartse kromming. Sindsdien draagt ze onder haar linkerbuitenschoen een verhoging. Een klompschoen. Dat loopt gemakkelijker, maar de schade is aangericht en haar heupen en rug bezorgen haar met de jaren steeds meer last.

Ze strompelt in haar afgetrapte grijsgeruite huisschoenen naar het fornuis. Op de koelkast staat de thermoskan die ze zichzelf drie jaar geleden cadeau heeft gedaan. Nu zet ze ’s morgens altijd een hele kan koffie, en die blijft tot de middag warm. Ze plaatst het porseleinen filter met een filterzakje op de kan, schept er koffiepoeder in en giet daar kokend water op. De geur begint zich te verspreiden en vult het bescheiden keukentje.

’s Avonds had ze altijd de opbrengst geteld.
De tafel met het grijs-wit gemêleerde formica tafelblad, de koelkast en ook het elektrische fornuis hadden ze in de loop der jaren allemaal nieuw gekocht. Heinz had haar ondanks haar ongelijke benen willen hebben en hij was een goede echtgenoot geweest. In de houtzagerij had hij gewerkt, en zij had wat bijverdiend met het stuk land achter het huis. De grote tuin leverde meer op dan ze nodig hadden, en elke zaterdag verkocht ze groente en fruit op de weekmarkt in Monschau. ’s Avonds had ze altijd de opbrengst geteld. Het bedrag had ze in een schriftje genoteerd en het geld in het blikken trommeltje met het sneeuwlandschap op het deksel gestopt. Aachener printen stond er op de zijkant, en Heinz had soms schertsend gevraagd: ‘Hoeveel printen zitten daar wel niet in?’

Ze hadden veel kinderen gewild, maar daar was niks van gekomen. Na twee miskramen in de zesde maand was het duidelijk dat haar scheve bekken de vrucht niet kon dragen. Heinz had haar desondanks niet verlaten. Ze waren tevreden geweest met hun leven, tot haar Heinz zeven jaar geleden –  slechts drieëndertig jaar oud  – was overleden. Zomaar. Een paar dagen tevoren had hij geklaagd over pijn op de borst.

‘Daar moet je mee naar de dokter,’ had ze gezegd. Hij had laconiek gereageerd: ‘Het is vanzelf gekomen, het zal ook vanzelf wel weer weggaan.’ Zo was hij geweest, haar Heinz. Tijdens het werk in de zagerij was hij op een ochtend ineens omgevallen. Toen ze haar eindelijk op de hoogte hadden gebracht en ze ’s middags in het ziekenhuis aankwam, lag hij al opgebaard in de kapel. Ze had zijn gezicht gestreeld en het niet kunnen geloven. Dat kon haar Heinz gewoon niet zijn, die sterke, gezonde kerel.

‘Je kunt me toch niet alleen laten?’ had ze tegen hem gefluisterd
‘Je kunt me toch niet alleen laten?’ had ze tegen hem gefluisterd, maar dat had hij dus wel gedaan, en met amper dertig jaar was ze weduwe. Pas vier dagen later, toen de dorpsbewoners haar op het kerkhof met een stevige handdruk condoleerden, had ze beseft dat de medelijdende blikken niet alleen te maken hadden met haar verlies, maar ook met haar afzienbare toekomst. Ze was geen schoonheid, ging strompelend door het leven en kon geen kinderen krijgen. In de dagen daarna had ze veel gehuild, om Heinz en om zichzelf. Om Heinz omdat ze hem miste, en om zichzelf omdat ze pas dertig was en vreesde dat ze van nu af aan als de weduwe Brennecke door het leven zou gaan.

Ze zet het filter in de gootsteen, pakt een beker uit de kast en schenkt hem vol. Dan schroeft ze de stop op de thermoskan en draait de kan even op zijn kop om te controleren of hij goed is afgesloten.

De stenen gootsteen en de eiken keukenkast met de gewelfde deuren en ingebouwde glazen voorraadbakjes voor suiker, meel en zout zijn nog van haar ouders geweest. Ook de hoekbank met de versleten blauwe bekleding staat er al sinds jaar en dag. Een roestvrijstalen gootsteen, daar hadden ze op het laatst nog voor gespaard. Ze had er graag zo eentje gehad, maar Heinz’ begrafenis had haar al haar spaargeld gekost.

In de jaren daarna was er nooit meer iets overgebleven om te kunnen sparen. Na Heinz’ dood had ze als verkoopster gewerkt in de kantoorboekhandel in Monschau, maar het lange staan was zo pijnlijk dat ze ontslag had moeten nemen. Met haar kleine weduwepensioentje en de verkoop op de markt kan ze nu net rondkomen.

De afgelopen weken heeft ze haar tuin verwaarloosd, omdat ze voor alle zittingen naar Aken is gereisd. De thermoskan had daarbij goede diensten bewezen. ’s  Morgens om zeven uur moest ze al weg. Vijftien minuten lopen naar de bushalte, dan met de eerste bus naar het station van Monschau, met de trein naar Aken en daar nog een keer een kwartier lopen naar de arrondissementsrechtbank. Een heel eind, maar ze had geen procesdag verzuimd, en als de agenten Henni door de zijingang naar de beklaagdenbank brachten, had ze haar altijd even toegeknikt. Een kort knikje, een klein teken waarmee ze wilde zeggen: niet de moed verliezen!

Een keer had ze een plekje net naast de beklaagdenbank weten te bemachtigen. Henni had zich naar haar omgedraaid en gefluisterd: ‘Elsa, je hoeft echt niet elke keer weer die lange reis te maken.’

‘O jawel, Henni,’ had ze geantwoord. ‘Dat moet ik wel!’

Dat had ik twintig jaar geleden al moeten doen, had ze er in haar hoofd aan toegevoegd, maar gezegd had ze dat niet.

Henni’s man Georg zat altijd al in de zaal als ze aankwam.

Hij leek jaren ouder geworden.
Hij leek jaren ouder geworden.

Elsa strompelt terug naar de keukentafel en gaat weer zitten. Ze schopt haar linkerpantoffel uit en streelt met haar voet zachtjes over Sams vacht. Ze praat tegen de hond, zoals ze dat al jaren doet. Sam kan goed luisteren.

‘Die arme Georg, ik heb met hem te doen. Hij begrijpt de wereld niet meer. “Waarom verdedigt ze zich niet?” vroeg hij aan mij. Wat moet ik daar nou op antwoorden? Zelfs op vragen van de rechter reageert ze niet. En de mensen nemen haar dat kwalijk.’

Tijdens de pauzes hoort Elsa ze altijd praten op de gang.

‘Als ze onschuldig was, dan zou ze zich toch zeker verdedigen,’ had een vrouw gezegd.

‘Ach, wat weet u daar nou van?’ had Elsa haar terechtgewezen. ‘U hebt geen idee!’

Ze neemt een slok koffie. ‘Zo denken de mensen, Sam,’ zegt ze zachtjes tegen de hond. ‘Daar kun je niks aan veranderen.’

Geen wrok, geen verontwaardiging.
Met haar advocaat, mr. Grüner, had Henni waarschijnlijk ook nooit gesproken. Hij maakte tijdens het hele proces een hulpeloze indruk, alsof hij het allemaal niet aankon. Henni’s zwijgen en dan ook nog die getuigen met allemaal hun eigen specifieke herinneringen. De halve waarheden, de hiaten in hun geheugen en de kleine opsmuksels om zichzelf belangrijk te maken. ‘Van horen zeggen,’ luidde mr. Grüners enige bezwaar keer op keer. Aanvankelijk had hij zijn ‘Bezwaar! Van horen zeggen!’ nog met luide stem geroepen, maar met elke procesdag klonk zijn bezwaar krachtelozer. Als de getuigen aan het woord waren, zat Henni er met hoog opgeheven hoofd bij, soms met een soort van milde verbijstering in haar blik. Geen wrok, geen verontwaardiging. Ze zat erbij als een toeschouwer in een theater.

Elsa trekt haar linkerpantoffel weer aan en strompelt met haar beker in de hand naar het raam. ‘Tenzij er een wonder gebeurt, zullen ze Henni veroordelen,’ fluistert ze tegen het raam.

De mensen in het dorp hadden dat al gedaan. Als ze vrijdags in de kruidenierswinkel bij Marion Pfaff haar boodschappen doet, praten de mensen erover. Iemand die hier was opgegroeid, had zoiets gedaan. Dat paste niet in hun teruggetrokken, kleine wereldje. Marion maakt geen geheim van haar mening en zegt tegen iedereen die het wil horen: ‘Als kind deed ze altijd al van die domme dingen, en later, als jong meisje… Nou ja, waar ze vervolgens heeft gezeten, weten we allemaal. Slecht gezelschap, je weet waar dat toe leidt.’ Het had iets geruststellends. Het betekende dat dit dorp niet zo iemand had voortgebracht.

Elsa kijkt naar Sam. ‘Leugenachtig volk, stuk voor stuk. Eerst konden ze haar goed gebruiken, hebben ze lekker verdiend aan haar moed en onverschrokkenheid. En toen… Achteraf beweerden ze ineens dat Henni altijd maar meer had willen hebben, dat ze nooit tevreden was geweest. Terwijl ze allemaal wisten waarom ze telkens weer het plateau over ging.’

Leugenachtig volk, stuk voor stuk.
En daar zou zij Jürgen Loose over vertellen, over de Henni die in de rechtszaal niet zichtbaar was. Elke dag had die jongeman in de zaal gezeten en net als zij ging hij ’s middags te voet terug naar het station. Onderweg had hij haar aangesproken. ‘Jürgen Loose,’ had hij zich voorgesteld, en hij had gevraagd of zij een kennis van Henriette Bernhard was. Ze was stug doorgelopen en hij was naast haar blijven lopen, aan één stuk door pratend. Dat hij student in de rechten was, met zwaartepunt strafrecht, vertelde hij, en dat hij het proces voor zijn studie volgde. Dat de advocaat geen goed figuur sloeg, maar dat zijn cliënte het hem ook niet gemakkelijk maakte. Hij had het over verdedigingsstrategieën en allerlei juridisch gedoe. Het had nogal opschepperig geklonken.

‘Mevrouw Bernhard is toch heus geen gemakkelijk iemand. Ik bedoel, ze laat haar advocaat wel erg in de kou staan. Waarom zegt ze niet waarom ze het heeft gedaan? Waarschijnlijk zou hij dan verzachtende omstandigheden kunnen aanvoeren.’

Toen was Elsa uitgevallen. ‘Aha! En hoe weet u zo zeker dat ze het heeft gedaan?’

Loose had een rood hoofd gekregen en verlegen gestameld: ‘Eerlijk gezegd heb ik daar inmiddels ook mijn twijfels over.’

Het had oprecht geklonken en ze was even blijven staan.

‘Hoe kan ik weten dat u niet van de krant bent?’

Hij had een collegekaart uit zijn tas gehaald en aan haar overhandigd. Eenentwintig jaar oud was hij. Sindsdien waren ze altijd samen van de rechtbank naar het station gelopen. Zijn opschepperige jargon had hij al snel achterwege gelaten en Elsa meende daarachter een jongeman te herkennen die oprecht geïnteresseerd was in de waarheid.

Gisteren had ze hem uitgenodigd, vanmiddag zou Jürgen Loose bij haar op bezoek komen. Misschien beging ze een domheid, maar in het proces werd een beeld van Henni geschetst dat in niets leek op de echte Henni. Ze zou hem vertellen hoe Henni echt was of, beter gezegd, hoe ze was geweest.

Elsa kijkt uit over haar uitgestrekte tuin. De bladeren van de fruitbomen hebben een bruingeel tapijt over de bodem uitgespreid. De leeggeoogste bedden in de moestuin heeft ze al omgespit. De spruiten en de boerenkool staan nog, daar moet ze nog mee wachten, daar moet de vorst eerst overheen. Alleen de laatste twee rijen aardappelen moet ze nog rooien voordat de nachten koud worden.

VERBODEN TOEGANG
Haar blik dwaalt van de tuin naar de straat en de ruïne schuin aan de overkant. De grijze façade met de hologige, glasloze vensters en de grote roetsporen die tot aan het ingestorte dak reiken. De voordeur is met planken dichtgespijkerd, langs de straat staat een bord met VERBODEN TOEGANG. De tuin is verwilderd, het onkruid woekert onder het beukenhouten hek door tot aan de straat. Huis en tuin verkeren al geruime tijd in deze erbarmelijke toestand, niet pas sinds de brand. Henni’s vader had zich er tegen het einde niet meer om bekommerd.

Elsa zet de lege beker in de gootsteen. ‘Kom, Sam. Het blijft droog en de aardappelen moeten de grond uit. Het duurt nog wel even voor die jongeman komt.’ Meteen staat de hond opgetogen kwispelend naast haar.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief