leesfragment

‘Wij zijn niet als hagedissen’ van Erika Bianchi

De Bretonse kust, 1948. De achttienjarigeItaliaan Zaro Checcacci ontmoet de jonge Franse Lena. Negen maanden later wordt Isabelle geboren, maar Zaro wil niets van het kind weten. Tien jaar later besluit Lena dat het genoeg is en zoekt Zaro in Italië op. Die heeft inmiddels zijn eigen gezin. Lena vestigt zich met Isabelle in het dorpje, maar als ze een nieuwe liefde ontmoet, laat ze haar dochter achter. Wanneer Isabelle zelf kinderen krijgt, blijkt haar jeugd ernstige sporen achter te hebben gelaten en lijkt de geschiedenis zich te herhalen. Of toch niet?

Lees hier de eerste pagina’s van  Wij zijn niet als hagedissen, een roman van Erika Bianchi.

Epiloog

Juni 2011

In juni trekt niemand zich iets aan van de wolken.

Je zult een blik op de hemel hebben geworpen en je schouders hebben opgehaald. Je zult het overhemd hebben aangetrokken dat Ilona gisteravond voor je zal hebben gestreken, toen je over je hoofd krabbend voor de kleerkast aan haar zult hebben gevraagd of het nog steeds de gewoonte is om zwart te dragen naar een begrafenis. Absoluut, zal zij je hebben geantwoord, met haar handen al in de aanslag om iets voor je uit de la te vissen, een mooi excuus om zich nog één keer nuttig te maken. De laatste keer, waarschijnlijk.

Je zult Ilona hebben laten gaan zonder haar te bedanken voor al die tijd dat ze je vader heeft verzorgd, en opgewekt jouw last heeft verlicht. Dank je wel zeggen is een gewoonte die je als kind via imitatie aanleert, en bij jullie thuis heeft beleefdheid nooit erg hoog in het vaandel gestaan.

Je zult gisteravond wel briscola zijn gaan spelen zoals altijd, en de ruwe handen van je vrienden zullen een moment langer dan normaal op je schouder hebben geaarzeld. Ze zullen je wel een biertje hebben aangeboden en wat plichtplegingen, ze zullen je gevraagd hebben of Zaro op het laatst nog heeft geleden, of hij nog iets heeft gezegd of dat hij in stilte is gegaan, en jij zult hebben geantwoord dat hij niks meer heeft gezegd, nee, en trouwens, wat had hij moeten zeggen. De anderen zullen hebben gezwegen en knikkend naar de grond hebben gekeken en ook jij zult naar je schoenen hebben gestaard en voor de miljoenste keer zul je aan mij hebben gedacht. En misschien zul je hebben gehoopt dat iemand openlijk mijn naam zou zeggen, dat die twee lettergrepen tussen de door de nicotine vergeelde tanden uit zouden rollen en op de tafel zouden knallen samen met de drie van briscola die wint van de ruiter, de vrouw en de koning. Je zult een hevig verlangen hebben gevoeld om hardop toe te geven dat je mij op de hoogte hebt gebracht, dat je al je hele leven probeert een brug te slaan tussen jullie familie en de onze, ongeacht de waarheid die we nooit te weten zullen komen. Jouw vader was misschien ook mijn vader, maar hij heeft het altijd ontkend, en we hebben allemaal geleden onder de gevolgen van zijn afwijzing.

We hebben allemaal geleden onder de gevolgen van zijn afwijzing.
Er is inmiddels zoveel tijd verstreken dat de Zaro van toen inmiddels onze zoon had kunnen zijn in plaats van onze vader. Daarom zal niemand tussen de biljartkeus en de briscolatafels mijn naam hebben genoemd, en jij zult de kaarten hebben geschud terwijl je deed alsof je geen buikpijn had van bijna zestig jaar verzwegen verhalen. Je zult terug naar huis zijn gegaan met je vuisten diep in je zakken en je ogen gericht op de schaduw die aan je voetstappen hangt, biddend dat de slaap je snel zal komen halen, juist vannacht. En als ook de slaap je in de steek heeft gelaten, zul je wat druppels hebben genomen die je gedachten temmen en je vragen beteugelen. Je zult mijn afwezigheid hebben gevoeld als een diefstal die op je leven is gepleegd, en je vader hebben gehaat omdat hij alle antwoorden met zich mee het graf in heeft genomen. Ik had er kunnen zijn, Giovanni. Ik had in elk geval vanavond een zus voor je kunnen zijn. Ik had zo een vliegtuig kunnen nemen gisteren, ik had er alle tijd voor gehad. Maar de begrafenis bijwonen van de vader die me niet heeft gewild zou niet goed zijn geweest. Dat is de reden waarom ik er niet zal zijn.

Wel heb ik vanochtend vroeg mijn laptop gepakt en ben ik naar Père Lachaise gewandeld.

Het idee was om op afstand bij jullie te zijn. Om over de begrafenis van je vader te schrijven vanuit de stilte van een ander kerkhof, zwevend tussen Frankrijk en Italië zoals het voor mij mijn hele leven is geweest.

Ik ben amper tot aan het graf van Colette gekomen, toen kreeg het gevoel dat ik bespottelijk bezig was de overhand op mijn goede bedoelingen.

Ik verliet Père Lachaise vastberaden om me ver genoeg te verwijderen van mijn eigen wijk om meer bij jouw gedachten te zijn dan bij de mijne. Met een gruwelijk gebrek aan ironie wilde ik de metro nemen bij Alexandre Dumas om uit te stappen bij Victor Hugo, en de eerste de beste openbare plek met wifi op te zoeken.

Daarom zit ik hier dus aan het tafeltje van een Starbucks met een beker vanillecappuccino in de hand en op mijn laptop de site met het weer in Toscane op de ochtend dat twaalfhonderd kilometer verderop de familie die ik heb besloten niet te hebben de man begraaft die misschien mijn vader was.

 

In juni trekt niemand zich iets aan van de wolken. Nanni heeft zijn leven lang nooit een uitzondering gemaakt, laat staan dat hij dat vandaag zou doen. Hij werpt een blik op de duifkleurige hemel en haalt zijn schouders op. Hij trekt zijn hemd aan en daarover het zwarte overhemd dat Ilona voor hem aan de handgreep van het raam heeft gehangen. Zwarte linnen broek en zwartleren schoenen, maar ja, het alternatief waren een paar open sandalen of blauwe mocassins met kwastjes. Naar een begrafenis moet je begrafeniskleren dragen, en Ilona zegt dat je in het zwart moet. Hij kamt zijn haar voor de spiegel, met een handdoek over zijn schouders zoals zijn moeder hem heeft geleerd toen hij klein was. Zijn haar is meer wit dan grijs, maar de tijd heeft zijn weerbarstige kuif niet verslapt. Hij controleert zijn gebit, geeft zichzelf twee klapjes op zijn gladgeschoren wangen, trekt de kraag van zijn overhemd recht, die sinds Ilona er stijfsel op gesprayd heeft niet meer is omgekruld, en gaat de deur uit zonder paraplu.

Nanni koestert een heimelijke verering voor de natuurwetten van de fiets.
Hij gaat zijn wielrenfiets halen uit het houten schuurtje achter op de kleine binnenplaats, trekt hem voorzichtig uit het rek. Het is een juweeltje, een gele Bartali uit 1953 die nog zo soepel als wat rijdt, de kostbaarste erfenis van zijn vader, een huwelijkscadeau van Zaro’s vrienden. Terwijl Nanni opstapt denkt hij wat hij altijd denkt als hij zijn voeten op de pedalen zet, namelijk dat fietsen niets anders is dan het corrigeren van een voortdurend verstoord evenwicht, het aanpassen van de rijrichting en het tegenwicht bieden aan de schommelende stuurhoek. Nanni koestert een heimelijke verering voor de natuurwetten van de fiets, en past die toe in het dagelijks leven. Daarom weet hij dat de stabiliteit van zijn bestaan alleen maar schijn is, en dat zijn bewegingloze dagen in werkelijkheid het resultaat zijn van een onzichtbaar dynamisch proces dat alleen kan worden uitgelegd via verschillende differentiële vergelijkingen met een hoop ingewikkelde parameters. Hij zou graag in staat zijn die vergelijkingen op te stellen en uit te rekenen, maar zijn natuurkundige kennis beperkt zich tot de gesprekken van veertig jaar geleden met zijn zwager Carlo, en het boek dat die hem toen gaf en dat hij altijd heeft bewaard.

Het is een vreemd gezicht om die man in het zwart met zijn leren schoenen te zien fietsen op die gele Bartali die nog ouder is dan hijzelf; en eigenlijk had Nanni de wielrenfiets vandaag misschien wel kunnen laten staan. Maar dat is niet eens bij hem opgekomen. Hij kon al fietsen voordat hij kon lopen. Al op zijn zevende kon hij een band vervangen. De metalen frames waren zijn oefeningen om te leren lezen: Bot-tec-chia, Cam-pa-gno-lo, Le-gna-no. Als zoon van een beroemde fietsenmaker, in wiens voetsporen hij is getreden, is Nanni maar wat trots om op de fiets naar de kerk te gaan.

Hij zou er met de ogen dicht naartoe kunnen rijden, daar heeft hij alleen zijn kuiten voor nodig. Van de Vicolo del Ridi, waar hij woont, is het hooguit een kilometer, amper een minuutje rijden, soepele tred en groot verzet, Coop, huis van Bartali, gemeenschapshuis, school, tandarts, tabakszaak, huis van Attilio, bank, bocht, nieuwe huizen, brug, nog een bocht, huis van juffrouw Siniscalchi, lijkwagen, kerk. Nanni stopt bij het gipsen madonnabeeldje aan de overkant van de weg, zet zijn fiets tegen een plataan, maakt hem vast aan de paal van de bushalte. Door de geopende kerkdeuren ziet hij de kist al op zijn plek voor het altaar, de zussen van zijn vader kromgebogen op de voorste bank, Ilona een beetje afzijdig, frummelend met haar mobiel. Buiten, op die ene meter kerkplein die wordt ingepikt door de weg, staan de mannen, zijn briscolavrienden en degenen die al bevriend waren met Zaro sinds die nog maar een jochie was dat in het zadel van zijn Legnano bereid was om Ginettaccio Bartali tot aan het einde van de wereld te volgen: Tito, Guiduccio, zelfs Spurt, wiens vrouw met de blauwige permanent zijn arm vasthoudt omdat ze haar ogen niet meer vertrouwt. Ze staan zo’n beetje midden op straat omdat er te weinig ruimte is op het trottoir, en elke keer dat er een auto de bocht om komt gaan ze plat tegen de muur aan staan om die erlangs te laten; de mannen zijn grijs als de hemel, traag en rimpelig als schildpadden. Ze zien Nanni over het zebrapad aan komen lopen met zijn vuisten in zijn zakken en zijn dunne kuif op zijn voorhoofd, ze steken hun hand uit en prevelen hun condoleances.

De laatste die naar hem toe komt is Attilio, met droge ogen en een onrustige adamsappel. Hij richt zijn blik op Nanni’s borst, terwijl hij zijn schouders vastpakt met die worstvingers van hem; dan staart hij voorbij de bocht die naar de snelweg voert en wijst met zijn kin in de verte. Hij zegt geen woord, maar Nanni weet heel goed dat Attilio’s kin een vraag heeft gesteld, en dat het dezelfde vraag is als die sinds gisteren door zijn eigen hoofd maalt, en die min of meer zo luidt: Zeg, zou dat andere stuk familie ook nog komen?

Attilio is de enige bij wie Nanni zijn hart zou kunnen luchten, bij wie hij zich niet zou generen om de last van zich af te gooien die hij al sinds de basisschool met zich meesleept. Sinds de middag dat die vrouw met de rode wangen in Zaro’s werkplaats verscheen, het meisje met de knokige beentjes voor zich uit duwend dat vervolgens Nanni’s kindertijd op de kop zou zetten.

 

Nanni meent nu nog steeds dat dat zijn eerste herinnering is.
Nanni meent nu nog steeds dat dat zijn eerste herinnering is. September 1959, de zon stond op het punt onder te gaan maar het was nog warm en zijn vader en hij droegen allebei een korte broek. De fietsen die al gerepareerd waren stonden buiten, tegen de muur of tegen de glazen deur van de werkplaats aan; de fietsen die nog gedaan moesten worden vulden de tien vierkante meter binnen, opgestapeld tegen de muren, leunend tegen de werkbank, hangend aan het plafond. Er was weinig lucht en nog minder bewegingsruimte, dus zaten ze en waren ze spaarzaam met woorden en handelingen, Zaro op de houten bank en Nanni op zijn hurken, want de vloer van de werkplaats was smerig en mama zei altijd dat hij moest oppassen dat z’n kleren niet vies werden. Vader en zoon gebruind van de knieën tot de sokken, van hun korte mouwen tot hun vingertoppen, op hun voorhoofd een identieke weerborstel, als een rookpluim. Zaro, de peuk aan zijn lippen geplakt en de ogen samengeknepen vanwege de rook, was bezig de zijwieltjes van Nanni’s eerste fietsje eraf te halen, het was knalrood, wielen met twaalf spaken, een prachtfiets. Op de radio zong Mina ‘Tintarella di luna’ en het jongetje, dat op het ritme ‘Tin tin tin, manestralen’ meefluisterde, was volmaakt gelukkig.

Toen die vrouw in de deuropening van de werkplaats verscheen, lachte Nanni haar toe. Hij associeerde haar met de ‘roodverbrande meiden’ uit het nummer, en was zelfs niet onder de indruk toen ze hem ernstig aankeek.

‘Ziezo,’ zei Zaro terwijl hij het tweede zijwieltje op de grond naast het eerste legde, ‘nu gaan we meteen oefenen.’

Maar toen zag hij die vrouw staan, en hij bleef met de steeksleutel in de hand zitten. Nanni zag hoe zijn vader verstomde en een kleine eeuwigheid in de ogen van die vrouw bleef staren. Zaro was degene die zijn blik als eerste afwendde, en toen tastte die vrouw in de lucht achter zich en greep dat meisje van een jaar of tien vast, mager als een girafje, en zo blond alsof ze haar hele leven met haar hoofd in de maneschijn had gezeten. De rode vingers van de vrouw drukten in de rug van het meisje om haar naar voren te duwen, maar zij zette zich schrap en verroerde zich niet. Ze hield haar blik op de rode fiets van Nanni gericht, en op een gegeven moment keek ze naar hem. De vrouw zei iets, maar er was geen woord van te verstaan. Toen het nummer van Mina was afgelopen begon er een ander nummer, maar dat andere nummer herinnert Nanni zich niet, en hij herinnert zich ook niet wat zijn vader deed of zei. Wat hij zich wel heel goed herinnert is het eerste lachje van Isabelle, de schittering in haar blauwe ogen achter het bange waas, die dunne witte vingertjes die met meedogenloze traagheid de rechtopstaande kuif van hem en zijn vader imiteerden, en ten slotte de tong die ze naar hem uitstak, met een pesterige grijns die het doek neerliet over zijn herinnering aan hun eerste ontmoeting.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief